Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN4079

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
111764 / HA ZA 10-1045
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:3748, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag creditcard met vervalste handtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 111764 / HA ZA 10-1045

Vonnis in verzet van 11 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAYSQUARE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. H.C.S. Tilma te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. R. Bos te Doetinchem.

Partijen zullen hierna Paysquare B.V. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 april 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 1 juli 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op naam van [gedaagde], wonende [adres1 te plaats], is een aanvraag d.d. 6 juli 2006 voor een MercedesCard ingediend. De opgegeven gewenste bestedingsruimte is € 5.000,00. Paysquare B.V. heeft een bestedingsruimte van € 2.500,00 gehonoreerd.

2.2. Artikel 14 van de Algemene Voorwaarden Gold Mastercard (hierna AV) bepaalt onder meer: “De hoogte van de rente bedraagt 1,5 (…) procent per maand, waarbij een gedeelte van een maand voor vol zal worden gerekend (…)”

2.3. Op kaartnummer [kaartnummer] ten name van [gedaagde] is per 2 oktober 2006 een bedrag verschuldigd van € 5.497,28, te betalen voor 5 oktober 2006.

2.4. Op 14 december 2006 en 23 februari 2007 heeft [gedaagde] aangifte gedaan van oplichting voor een bedrag van ruim € 4.800,00, respectievelijk € 1.200,00.

2.5. Het door Paysquare B.V. ingeschakelde incassobureau MediCas heeft [gedaagde] bij brief van 7 mei 2007, geadresseerd aan [adres1 te plaats], het volgende geschreven:

“Op 2 mei 2007 heeft de rechter een vonnis gewezen in bovengenoemde zaak. Zoals u uit dit vonnis op kunt maken bent u veroordeeld tot betaling van € 6926,10. Dit vonnis geeft ons de mogelijkheid de vordering die we thans op u hebben te executeren, (…).

(…)

NB: betalingsregelingen (maximaal 4 maandelijkse termijnen) kunnen uitsluitend worden aangevraagd door bijgaand formulier binnen 5 dagen volledig ingevuld retour te sturen.”

2.6. Bij brief van 8 november 2007 laat Brehler-Alkema-Vloet Gerechtsdeurwaarders aan MediCas weten dat na ingesteld adresonderzoek door de gemeente [gedaagde] per 27-08-2007 is uitgeschreven met de opmerking, dat onbekend is waarheen.

2.7. Bij brief van 12 november 2007 aan [gedaagde], geadresseerd aan [adres2 te plaats], heeft MediCas onder meer geschreven:

“Op 2 mei 2007 wees de rechter vonnis in bovengenoemd dossier. Bijgaand treft u een overzicht aan van uw huidige schulppositie:

(…)

Totaal openstaand € 7472,95

Ps.: betalingsregelingen kunnen uitsluitend worden aangevraagd door bijgaande “aanvraag betalingsregeling kaart” volledig ingevuld retour te sturen.”

2.8. Bij brief van 15 november 2007 aan [gedaagde], geadresseerd [adres3 te plaats], schrijft MediCas:

“Conform uw verzoek treft u bijgaand een aanvraagformulier voor een betalingsregeling.

Gelieve deze geheel ingevuld, ondertekend en voorzien van de gevraagde stukken (overzicht inkomsten en uitgaven) aan ons te retourneren. Wij zullen dan toetsen of wij akkoord kunnen gaan met de door u voorgestelde regeling. (…)”

2.9. De sommatiebrief brief d.d. 25 februari 2008 van MediCas aan [gedaagde] is weer geadresseerd aan [adres1 te plaats].

2.10. De toenmalige raadsman van [gedaagde] schrijft aan MediCas bij brief van 13 januari 2010 onder meer: “Tot mij heeft zich gewend de heer [gedaagde]. Client overhandigde mij een kopie van uw schrijven van 27 november jl. inzake opgemeld waarvan volledigheidshalve een kopie hierbij gaat.

Ik kan cliënt niet adviseren in deze omdat ik niet beschik over nadere stukken. In uw schrijven maakt u melding van een vonnis dat de rechtbank op 2 mei 2007 zou hebben gewezen. Kunt u mij een afschrift van dit vonnis per omgaande toezenden? (…)”

2.11. Bij brief van 15 januari 2010 schrijft de toenmalige raadsman aan MediCas:

“Dank voor toezending van het vonnis inzake opgemeld.

Om cliënt te kunnen adviseren verzoek ik u mij nog toe te zenden een kopie van de dagvaarding alsmede een kopie van het betekeningexploot. Het toegezonden vonnis is onvoldoende om cliënt op dit moment te kunnen adviseren.”

2.12. Bij brief van 19 februari 2010 heeft de toenmalige raadsman van [gedaagde] aan MediCas medegedeeld dat hij cliënt heeft geadviseerd zich te wenden tot een andere advocaat, dat hij met cliënt de van MediCas ontvangen stukken niet heeft kunnen bespreken en dat hij deze stukken aan de opvolgend advocaat zal sturen, omdat hij van cliënt heeft vernomen dat aan hem verzonden correspondentie niet door hem was ontvangen.

3. Het geschil

3.1. Paysquare B.V. heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank -samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om aan Paysquare B.V. te voldoen een bedrag van € 6.321,87, subsidiair € 6.265,28, in beide gevallen te vermeerderen met de contractuele rente over € 5.497,28 vanaf 5 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van Paysquare B.V. toegewezen behoudens de buitengerechtelijke incassokosten en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Paysquare B.V. tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 769,44.

3.3. [gedaagde] vordert in het verzet, naar de rechtbank begrijpt, dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Paysquare B.V. alsnog worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. Paysquare B.V. stelt dat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet, omdat het verzet niet binnen de wettelijke termijn van artikel 143 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.) is gedaan. Onder verwijzing naar de adressering van de brief d.d. 15 november 2007 van Medicas aan [gedaagde] en de brief van 27 november 2009 aan [gedaagde] moet er volgens Paysquare B.V. van worden uitgegaan dat [gedaagde] eerder dan op 19 februari 2010 bekend is geraakt met de inhoud van het vonnis, hetgeen [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist.

4.2. Vast staat dat alle pogingen om het vonnis in persoon te betekenen zijn gestrand in verband met onbekendheid bij Paysquare B.V. met het juiste adres van [gedaagde]. Het feit dat de adressering van de brief van 15 november 2007 juist is, betekent niet zonder meer dat Medicas via [gedaagde] op de hoogte is geraakt van dit adres, daargelaten dat uit de inhoud van de brief niet dadelijk een daad van bekendheid van [gedaagde] kan worden afgeleid. Daarbij komt dat [gedaagde] de ontvangst van deze brief heeft betwist. De brief van 27 november 2009 bevat onvoldoende aanknopingspunten om hieruit - noodzakelijk - een daad van bekendheid af te leiden met (de hoofdinhoud van) het vonnis. Conclusie is derhalve dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.3. Kern van het verweer van [gedaagde] is dat een huisgenoot zijn handtekening heeft vervalst, zodat de aanvraag niet van hem afkomstig is en de uitgaven met de op zijn naam gestelde creditcard niet ten laste van hem gebracht kunnen worden.

Paysquare B.V. heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 februari 1992 (NJ 1992, 809) gesteld dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om fraude te voorkomen, zodat de vervalsing voor risico van [gedaagde] komt. De voorzorgsmaatregelen bestaan erin dat bij de aanvraag een kopie van een geldig legitimatiebewijs moet worden gevoegd. De pincode voor de creditcard wordt afzonderlijk toegezonden met het verzoek om telefonisch contact op te nemen en een aantal persoonlijke vragen te beantwoorden. Op het aanvraagformulier staan gegevens die de aanvrager alleen zelf kan kennen. Voorts wordt geverifieerd of het opgegeven bankrekeningnummer op naam van de aanvrager staat.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat wanneer iemand door valselijk de handtekening van een ander te plaatsen iets voor die ander verklaart, deze ander zich in het algemeen tegen degene tot wie de verklaring is gericht, erop kan beroepen dat de handtekening en daarmede de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de handtekening echt was.

Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met art. 6:147, vloeit evenwel voort dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn dat zij tot de slotsom nopen dat aan degene wiens handtekening is vervalst, valt toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer degene wiens handtekening is vervalst, ofschoon hij de onbetrouwbaarheid van degene die zijn handtekening heeft vervalst, kende of behoorde te kennen, eraan heeft meegewerkt of zonder voorzorgsmaatregelen te treffen heeft toegelaten dat deze de mogelijkheid kreeg door het vervalsen van zijn handtekening jegens de wederpartij de schijn te wekken dat het een door hem ondertekende verklaring betrof.

4.5. Gelet op deze maatstaf heeft Paysquare B.V. haar stelling dat aan [gedaagde] valt toe te rekenen dat zijn handtekening is vervalst, onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat vanaf het moment dat [gedaagde] in 2005 op het adres aan de [adres1 te plaats] is gaan wonen, waar ook [naam] en zijn vader woonachtig waren, hij bekend was of is geworden met de onbetrouwbaarheid van [naam] en het risico van oplichting door hem. Dit brengt mee dat hij aan Paysquare B.V. kan tegenwerpen dat de verklaring zoals opgenomen in het aanvraagformulier MercedesCard niet van hem afkomstig is.

4.6. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat het mobiele nummer dat is vermeld op het aanvraagformulier het nummer van [naam] is/was, terwijl de geplaatste handtekening niet overeenkomt met zijn eigen handtekening. De overige in te vullen gegevens zijn niet zo persoonlijk dat deze alleen aan de aanvrager bekend zijn. Zeker als in aanmerking wordt genomen dat [naam] en [gedaagde] elkaar vanaf de kleuterschool kenden en in één huis woonden. [gedaagde] heeft op 14 december 2006 en 23 februari 2007 aangifte bij de politie gedaan van oplichting door [naam]. Voorts is [naam] op 22 mei 2007 veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, voor oplichting en fraude.

4.7. Paysquare B.V. heeft erop gewezen dat het paspoort waarvan een kopie is overgelegd, is afgegeven op 2 april 2007 en derhalve niet hetzelfde is als bij de aanvraag van de MercedesCard op 6 juli 2006 is meegestuurd. Zij mocht op grond van de persoonlijke gegevens van de aanvrager en de controle op het bankrekeningnummer van de aanvrager ervan uitgaan dat [gedaagde] haar contractspartij was, aldus Paysquare B.V.

4.8. In feite heeft Paysquare B.V. de stelling van [gedaagde] dat zijn handtekening op het aanvraagformulier is vervalst, niet gemotiveerd betwist, anders dan te wijzen op het feit dat de overgelegde kopie een nieuw paspoort betreft en niet het oude paspoort waarmee de aanvraag is gedaan. Voor zover Paysquare B.V. hiermee heeft willen betogen dat deze handtekening geen bewijs ten gunste van [gedaagde] kan opleveren, is dat standpunt onjuist. Weliswaar dateert de handtekening op het nieuwe paspoort van een jaar later dan de aanvraag, maar het blijft wel een handtekening van [gedaagde], waarmee hij kan bewijzen dat de handtekening op de aanvraag niet van zijn hand is. Bovendien beschikt [gedaagde] niet meer over zijn oude paspoort omdat hij immers bij de afgifte van het nieuwe paspoort het oude heeft moeten inleveren. Het had dus op de weg van Paysquare B.V. gelegen om de kopie die bij de aanvraag was meegestuurd in het geding te brengen. Normalerwijze zal het oude paspoort zijn afgegeven omstreeks voorjaar 2002. [gedaagde] zal toen 23 jaar zijn geweest. Het karakter van de handtekening van de aanvraag doet ‘schoolser’ aan dan dat van de handtekening die [gedaagde] negen maanden later - en inmiddels bijna 28 jaar - op zijn nieuwe paspoort zet. Dit vormt een extra indicatie dat aan de hand van de kopie van het oude paspoort de handtekening van [gedaagde] is nagemaakt en feitelijk qua karakter niet meer overeenkwam met de handtekening van [gedaagde] in 2007.

De stelling van Paysquare B.V. dat zij gelet op de omstandigheden mocht uitgaan van de echtheid van de handtekening, mist relevantie voor de vraag of [gedaagde] zich kan beroepen op een vervalste handtekening.

4.9. [gedaagde] heeft op afdoende wijze een verklaring gegeven voor het feit dat [naam] kon beschikken over de gegevens om een aanvraagformulier namens hem in te vullen. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij bij aanvang van de huurovereenkomst een kopie van zijn paspoort aan de vader van [naam] heeft gegeven. Tevens bood het wonen onder één dak [naam] de mogelijkheid om de post bestemd voor [gedaagde] te onderscheppen en op zijn naam een betalingsregeling aan te vragen. Gesteld noch gebleken is dat [naam] en [gedaagde] hierbij onder één hoedje hebben gespeeld.

4.10. Derhalve heeft te gelden dat de handtekening vervalst is en [gedaagde] zich jegens Paysquare B.V. hierop kan beroepen, zodat geen rechtsgeldige aanvraag voor een MercedesCard tot stand is gekomen. De nadelige gevolgen van het gebruik van de MercedesCard blijven voor rekening van Paysquare B.V. Het verzet is gegrond en de vorderingen van Paysquare B.V. zullen worden afgewezen.

4.11. Paysquare B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De door Paysquare B.V. te vergoeden kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten € 87,93

- betaald vast recht 78,50

- in debet gesteld vast recht 235,50

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.169,93

4.12. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het door deze rechtbank op 2 mei 2007 onder zaaknummer / rolnummer 84998 / HA ZA 07-376 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2. wijst de vorderingen af,

5.3. veroordeelt Paysquare B.V. in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de overige kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.169,93, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer 111764 / HA ZA 10-1045,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.