Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN3337

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
114283 / KG ZA 10-202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vrouw (eiseres) en man (gedaagde) zijn het oneens over wie er in een huurhuis in Vaassen mag wonen, waar ze eens samenwoonden. De kort gedingrechter bepaalt dat de man het huis moet verlaten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 267
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2010/190 met annotatie van Mr. Diederik Briedé

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 114283 / KG ZA 10-202

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Vaassen, gemeente Epe,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P. Buikes te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde],

wonende te Vaassen, gemeente Epe,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.M. Jongerman te Epe.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief van mr. Jongerman van 21 juli 2010 waarin zij een eis in reconventie heeft aangekondigd

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde], tevens inhoudend een eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben vanaf 2007 een relatie gehad. Zij woonden aanvankelijk ieder bij hun moeder.

2.2. Op enig ogenblik is [gedaagde] bij [eiseres] en haar moeder in Epe ingetrokken en in december 2008 is hij met hen meeverhuisd naar Apeldoorn. Begin 2010 is de verhouding tussen partijen bekoeld en is [gedaagde] weer bij zijn moeder gaan wonen.

2.3. [eiseres] heeft zich ingeschreven als woningzoekende en gereageerd op een aanbieding van Triada Woondiensten te Heerde van een etagewoning zonder lift met een slaapkamer te Vaassen. Bij brief van 18 maart 2010 heeft Triada haar deze woning te huur aangeboden.

2.4. Na ontvangst van dit bericht heeft [eiseres] contact opgenomen met [gedaagde]. Partijen hebben besloten samen in de aangeboden woning te gaan wonen en hebben zich samen als huurder gemeld. De huurovereenkomst voor de woning is op naam van beide partijen gesteld en op 1 april 2010 ingegaan.

2.5. Al snel na hun verhuizing naar de woning bleek de samenwoning van partijen geen succes maar eerder een bron van ruzies en treiterijen over en weer.

2.6. Partijen hebben op 13 juni 2010 onder meer de navolgende regeling getroffen over het gebruik van de woning:

“14-6-’10 4-7-’10 [eiseres]. in woning

- Daarna [gedaagde] in principe 2 weken daarna [eiseres]

- Huis is schoon opgeruimd voordat de ander erin komt

- geen sloten/knippen vervangen

- allebei een sleutel van de voordeur

- (…)

- voordat je iets op komt halen kontact maken/meedelen

(…)

w.g. [eiseres] w.g. [gedaagde]

(…)”

3. De geschillen in conventie en in reconventie

3.1. De vorderingen in conventie en in reconventie strekken ertoe dat respectievelijk de man (in conventie) dan wel de vrouw (in reconventie) veroordeeld zal worden de woning aan de [adres] te ([postcode]) Vaassen, gemeente Epe te verlaten en te ontruimen.

3.2. Partijen stellen over en weer dat een belangenafweging met zich brengt dat hij of zij voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning krijgt toegewezen.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de door de andere partij ingestelde vordering.

3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie, zullen de geschillen tezamen worden beoordeeld.

4.2. In de inleidende dagvaarding staat dat [eiseres] woonplaats heeft gekozen ‘aldaar aan de Loolaan 37, ten kantore van de advocaat mr. P. Buikes’. De aanduiding ‘aldaar’ duidt echter op Vaassen, de woonplaats van [eiseres], terwijl het de rechtbank ambtshalve bekend is dat mr. Buikes kantoor houdt te Apeldoorn.

Deze onjuiste vermelding van de gekozen woonplaats van [eiseres] leidt echter niet tot nietigheid van de dagvaarding, nu [gedaagde] ter zitting is verschenen, geen beroep op de nietigheid van de dagvaarding heeft gedaan en gesteld noch aannemelijk is geworden dat hij door dit gebrek in de dagvaarding onredelijk in zijn belangen is geschaad.

4.3. [gedaagde] heeft aangevoerd dat partijen in onderling overleg een voorziening hebben getroffen over het gebruik van de woning totdat er uitspraak is gedaan in een bodemprocedure. Voor het treffen van een voorziening of wijziging van de al getroffen regeling bestaat dan ook geen aanleiding. Partijen moeten die regeling nakomen en doen dat ook. De zaak heeft geen spoedeisend karakter en [eiseres] heeft geen spoedeisend belang bij een te treffen voorziening, aldus [gedaagde].

4.4. Uit de verklaringen van partijen ter zitting blijkt voldoende dat de door hun getroffen regeling niet tot een oplossing heeft geleid en te voorzien is dat deze ook niet tot een oplossing zal leiden. Partijen blijven elkaar in de woning tegenkomen en dwarszitten en hun conflict lijkt te escaleren. Zo is tijdens een recent treffen van partijen onder meer schade aan de badkamerdeur aangericht.

De verslechterende verstandhouding tussen partijen, de constatering dat zij niet in staat blijken te zijn de getroffen regeling deugdelijk na te leven en de verwachting dat partijen daar ook in de toekomst niet zullen slagen rechtvaardigen het treffen van een voorziening in afwachting van de uitkomst van een door de meest gerede partij aanhangig te maken bodemprocedure.

4.5. Vast staat dat alleen [eiseres] zich heeft ingeschreven als woningzoekende en gereageerd heeft op de aangeboden woning. Zij heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij door haar thuissituatie genoodzaakt was een eigen woning te zoeken. Zij had veel ruzie met haar moeder en behoefte aan een eigen plek. Vast staat dat [gedaagde] zich niet heeft ingeschreven voor een huurwoning.

4.6. Dat partijen hebben besloten dat alleen [eiseres] zich zou inschrijven om zo dubbele kosten te besparen, zoals [gedaagde] heeft gesteld, komt niet aannemelijk voor. Zouden er al kosten verbonden zijn aan de inschrijving als woningzoekende ([eiseres] heeft dit betwist), dan is het niet aannemelijk dat deze kosten zodanig hoog zijn dat een woningzoekende met een inkomen als dat van [gedaagde] zich daardoor zou laten tegenhouden om zich in te schrijven. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij een totaal inkomen uit werk, studiebeurs en alimentatie heeft van ongeveer € 1.000,-- per maand.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat het niet mogelijk is dat men zich gezamenlijk inschrijft voor een huis, maar ook dit is niet aannemelijk. Maar zou dat al zo zijn, dan geldt dat partijen in januari 2010 uit elkaar zijn gegaan en [gedaagde] weer zijn intrek heeft genomen bij zijn moeder. Ondanks het feit dat hij toen alleenstaand was, heeft [gedaagde] zich in die periode niet alsnog aangemeld als woningzoekende.

[gedaagde] heeft ter zitting tenslotte nog gesteld dat hij zich niet heeft ingeschreven omdat een deel van de huizen te duur is of alleen verhuurd wordt aan huurders die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze verklaring voldoet niet. Het enkele feit al dat [eiseres] een woning toegewezen heeft gekregen logenstraft de stelling van [gedaagde] dat zijn inschrijving toch geen zin zou hebben.

4.7. Hieruit volgt dat de toewijzing van de woning uitsluitend te danken is geweest aan de inspanningen van [eiseres]. Het feit dat [eiseres] zich zo heeft ingespannen om een woning toegewezen te krijgen biedt steun aan haar stelling dat zij er een groot belang bij heeft dat er een einde komt aan de samenwoning met haar moeder en zij daarom een groot belang heeft bij een eigen woning.

Uit het feit dat [gedaagde] zich niet heeft ingeschreven als woningzoekende toen hij weer bij zijn moeder is gaan wonen, kan worden afgeleid dat hij het weer thuis moeten wonen niet als zodanig problematisch ervaart dat hij op korte termijn over andere woonruimte zou moeten beschikken.

4.8. Bij afweging van de belangen van partijen wordt voorts betrokken dat [gedaagde] thans een maandelijks inkomen heeft van ongeveer € 1.000,-- zodat het voor hem mogelijk moet zijn om met enige inspanning binnen afzienbare tijd in de sociale huursector of in de particuliere sector woonruimte te vinden.

[eiseres] heeft gedurende haar deze zomer beëindigde studie een inkomen gehad van ongeveer € 300,-- per maand. Zij heeft met haar werkgever afgesproken dat zij meer uren kan gaan werken, waardoor zij ook meer zal gaan verdienen. Of [eiseres] in de nabije toekomst in staat zal zijn een inkomen gelijk aan dat van [gedaagde] te verwerven valt nog te bezien. Te verwachten is dat zij voorlopig aangewezen zal blijven op een woning in de sociale huursector. [eiseres] heeft een verklaring in het geding gebracht van haar vader dat hij borg staat voor de huur van de woning als zij die niet zou kunnen betalen.

[gedaagde] heeft wel twijfels geuit over de kredietwaardigheid van de vader van [eiseres] maar deze niet nader onderbouwd. Er bestaat daarom geen aanleiding te veronderstellen dat [eiseres] de huurverplichtingen voor de woning niet zal (kunnen) nakomen.

4.9. Deze afweging van belangen van partijen leidt tot toewijzing van de vordering van [eiseres] in conventie en tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] in reconventie.

De mede gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal evenwel worden afgewezen, omdat zij strikt genomen overbodig is. Artikel 556 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft al voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. De deurwaarder behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.10. Aan de te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

4.11. In de relatie tussen partijen wordt aanleiding in conventie en in reconventie de proceskosten tussen partijen te compenseren, aldus dat zij ieder de eigen kosten dragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. gelast [gedaagde] het woonhuis gelegen te ([postcode]) Vaassen aan de [adres] uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen;

5.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft met het verlaten en ontruimen van voormelde woning, zulks tot een maximum van € 5.000,--;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen aldus dat zij ieder de eigen kosten dragen;

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.6. weigert de gevraagde voorziening;

5.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen aldus dat zij ieder de eigen kosten dragen;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2010.