Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN2858

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
114219 KG RK 10-558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking toegewezen. Hoewel de wrakingskamer niet is gebleken dat de rechter ter zitting daadwerkelijk jegens verzoekster vooringenomen was, is de wrakingskamer van oordeel dat - gelet op de gedane uitlatingen op zitting - bij verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechter jegens haar vooringenomen zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 114219 KG RK 10-558

Beslissing van 26 juli 2010 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoekster],

wonende te [plaats] (Duitsland),

postadres [adres],

verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. [rechter],

rechter in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het per fax ingediende verzoekschrift tot wraking van 30 juni 2010, strekkende tot wraking van mr. [rechter], op 1 juli 2010 ingekomen bij het Kabinet President;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

26 juli 2010.

2. De feiten

2.1. Op de terechtzitting van de enkelvoudige kamer in deze rechtbank van 29 juni 2010 werd het door verzoekster gedane verzet tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 3 november 2009 behandeld.

2.2. In de uitspraak van 25 september 2009 heeft de rechtbank Amsterdam toepassing gegeven aan artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) en zonder zitting op het beroep beslist. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard op grond dat verzoekster beroep heeft ingesteld na afloop van de termijn voor het instellen van dit beroep.

2.4. Verzoekster heeft in verzet aangevoerd dat de verweerder in de desbetreffende procedure, zijnde de SVB, ondanks dat SVB op de hoogte was van het feit dat verzoekster geen aangetekende stukken kon ontvangen (getuige een eerder bericht van het SVB aan verzoekster d.d. 8 december 2008), het besluit waartegen beroep is ingesteld toch aangetekend heeft verzonden, waardoor zij te laat op de hoogte is gekomen van het besluit.

3. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd.

3.1. Ter terechtzitting van 29 juni 2010 was [rechter] volgens verzoekster geen onpartijdige, onafhankelijke rechter, maar stond zij aan de kant van de SVB. Mr. [rechter] zou op de terechtzitting hebben gezegd dat het SVB een grote organisatie is en dat men daarom niet mag verwachten dat het SVB bijzondere gegevens van een klant (zoals de mogelijkheid of onmogelijkheid om aangetekende stukken op te halen) onthoudt. Bovendien zou zij hebben gezegd dat de brief van 8 december 2008 waaruit die bijzondere informatie blijkt, niet zonder meer de stelling van verzoekster onderschrijft. Hieruit blijkt volgens verzoekster de partijdigheid van de rechter, althans heeft zij haar optreden als partijdig ervaren. Tevens heeft verzoekster aangevoerd dat door mr. [rechter] bij haar, ten onrechte, juridische kennis werd verondersteld.

4. Standpunt van mr. [rechter]

Mr. [rechter] heeft bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 26 juli 2010 mondeling verweer gevoerd. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, voorzover van belang, nader worden teruggekomen.

5. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

5.1. Ingevolge artikel 8:16 van de Awb dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De gronden die door verzoekster zijn aangevoerd, zijn gronden die haar, zoals ook uit haar schriftelijke verzoek blijkt, ten tijde van de terechtzitting van 29 juni 2010 bekend zijn geworden. Verzoekster heeft één dag na afloop van de voorbedoelde terechtzitting haar schriftelijke wrakingsverzoek ingediend.

5.2. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2010, LJN BJ9926, is een wrakingsverzoek tijdig gedaan indien het voorafgaand aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis kon(den) nemen. Dit arrest is in lijn met de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 18 december 1998, LJN AD2977.

5.3. Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek voor de uitspraak en één dag nadat zij met de wrakingsgronden bekend is geworden ingediend. Het wrakingsverzoek is naar oordeel van de wrakingskamer tijdig ingediend. Verzoekster is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

6. Inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek

6.1. Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3 Blijkens hetgeen bij de behandeling van het wrakingsverzoek naar voren is gekomen heeft mr. [rechter] op de terechtzitting van 29 juni 2010 onder meer haar visie gegeven op het door het SVB aangetekend versturen van de door deze organisatie genomen besluiten. Hierbij heeft mr. [rechter] tegen verzoekster gezegd dat het SVB een grote organisatie is en derhalve via bepaalde procedures te werk gaat, waaronder ook het aangetekend versturen van een besluit. Tevens heeft mr. [rechter] op de terechtzitting aangegeven uit eerdergenoemde brief van het SVB aan verzoekster d.d. 8 december 2008 niet zonder meer af te kunnen leiden dat het SVB op de hoogte was dat verzoekster geen aangetekende stukken kon ontvangen. Deze uitleg heeft, blijkens het wrakingsverzoek, bij verzoekster geleid tot de vrees dat mr. [rechter] in het voordeel van de tegenpartij zou beslissen.

6.4. Naar de wrakingskamer begrijpt heeft mr. [rechter] op de zitting van 29 juni 2010 enkel nadere uitleg willen geven over de stukken en de door de SVB gevolgde gang van zaken. Bij deze uitleg heeft zij haar visie gegeven op de onderliggende processtukken, zonder daarbij een finaal oordeel te geven over de aan de orde zijnde kwestie betreffende de vraag naar de tijdigheid van het ingestelde beroep. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft zij hierbij echter uitlatingen gedaan waaruit verzoekster zou kunnen afleiden dat mr. [rechter] van oordeel was dat het SVB correct heeft gehandeld. Zoals mr. [rechter] bij de behandeling van het wrakingsverzoek desgevraagd ook eerlijk heeft gezegd, heeft zij bij haar uitlatingen niet expliciet aangegeven dat het hierbij ging om voorlopige overwegingen. Zoals uit het onderhavige wrakingsverzoek blijkt hebben de bedoelde uitlatingen daadwerkelijk geleid tot een gevoel van partijdigheid bij verzoekster.

6.5. Hoewel de wrakingskamer niet is gebleken dat mr. [rechter] ter zitting d.d. 29 juni 2010 daadwerkelijk jegens verzoekster vooringenomen was, is de wrakingskamer van oordeel dat - gelet op de door mr. [rechter] gedane uitlatingen op zitting - bij verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat mr. [rechter] jegens haar vooringenomen zou zijn. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. [rechter] toe;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak van verzoekster, bij de rechtbank bekend onder het nummer 09/2016 AOW, wordt overgenomen door een andere rechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.B.A.P.M. Varenhorst, voorzitter, mrs. W.M. Eijkelestam en S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Demmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2010.