Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN1045

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
14-07-2010
Zaaknummer
108453 - HA ZA 09-1495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fotograaf betreedt op een zondag een slooppand om te fotograferen en zakt door een verdiepingsvloer, doordat de slopers de vrijdag voorafgaande aan die zondag de balken onder die vloer hadden verwijderd.

Risico-aansprakelijkheid eigenaar slooppand. Gelet op de staat van het pand (de sloop was in volle gang) voldeed het pand aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Eigenaar pand heeft al het mogelijke gedaan om het terrein te beveiligen. Fotograaf zou zich niet door wat voor maatregel dan ook hebben laten tegenhouden, omdat hij het vaste voornemen had het complex te betreden, ondanks de wetenschap dat dat gevaarlijk was. In een slooppand kan niet voor iedere onveilige situatie gewaarschuwd worden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/73
JA 2010/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 108453 / HA ZA 09-1495

Vonnis van 14 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECOBEL B.V.,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Recobel genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Recobel was eigenaar van een uitgestrekt complex panden aan de Havenstraat te Zutphen. Het terrein waarop deze panden waren gelegen grenst aan de westzijde aan het langs de rivier de IJssel gelegen talud. De panden waren in gebruik bij Reesink N.V.

Tot het complex panden behoorde onder meer een ongeveer tien verdiepingen hoge pakhuistoren. In december 2006 is begonnen met de sloop van het Reesinkcomplex.

2.2. In december 2007 was de sloop van het complex al ver gevorderd. Het (lagere) magazijn aan de IJsselzijde van de pakhuistoren was al gesloopt, waardoor de zijgevel van de pakhuistoren open lag. Ook de gevel aan de achterzijde van dit pand was gesloopt. Tot op de zesde verdieping van de pakhuistoren waren zijwanden gesloopt en ramen verwijderd.

2.3. [eiser] is fotograaf. Hij heeft zich op zondag 9 december 2007 in de pakhuistoren begeven om foto’s te maken van een van de krakers die in het Reesinkcomplex verbleven. Nadat hij foto’s van de kraker had gemaakt, is [eiser] een trap naar een hoger gelegen verdieping opgelopen. Toen hij op zeker moment een verdiepingsvloer opliep, is hij door de vloer gezakt en op een zes meter lagere vloer terecht gekomen. De steunbalken onder de verdiepingvloer waren verwijderd.

2.4. [eiser] is na zijn val naar een ander gedeelte van het complex gekropen en daar na enige tijd aangetroffen door een oud-medewerker van Reesink. Als gevolg van het ongeval is [eiser] ernstig gewond geraakt. Hij dient langdurig te revalideren en is nu rolstoelgebonden.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat Recobel aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade ten gevolge van het ongeval dat hem is overkomen op 9 december 2007;

2. Recobel zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.311,07 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Recobel zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] baseert deze vorderingen in het licht van de vaststaande feiten op het volgende.

De opstal voldeed ten tijde van het ongeval niet aan de onder de gegeven omstandigheden daaraan te stellen eisen. Het terrein was niet zodanig afgesloten dat het voor buitenstaanders niet toegankelijk was. Het pand zelf was evenmin afgesloten en omheind, zodat een ieder vrije toegang had tot het pand.

Na het slopen van de steunbalken is verzuimd ook de vloer te verwijderen. Daardoor leverde de opstal een ernstig gevaar op voor personen en dat gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.

Recobel is als eigenaar/bezitter van het Reesinkcomplex risicoaansprakelijk.

[eiser] heeft kosten gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid en schade. Deze kosten dienen door Recobel te worden gedragen.

4. Het verweer

4.1. Recobel heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

4.2. Recobel voert de volgende weren.

Aan een slooppand in een vergevorderd stadium van sloop kan in redelijkheid niet de eis gesteld worden dat de onderdelen een mate van stevigheid bezitten die het ook voor onbevoegden mogelijk moet maken het pand veilig te betreden. Inherent aan een slooppand is dat niet elke situatie van een waarschuwing kan worden voorzien.

Het verwijt -zo al juist- dat het terrein niet voldoende zou zijn afgesloten kan niet tot de kwalificatie leiden dat de opstal gebrekkig is in de zin van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek (BW). Hooguit kan een onvoldoende afsluiting een zodanige onzorgvuldigheid opleveren dat dat er sprake is van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Die grondslag biedt [eiser] echter ook geen soulaas. Het terrein was terdege afgesloten en die bewuste zondag hebben regelmatig controles van het terrein en de omheiningen plaatsgevonden.

Subsidiair beroept Recobel zich op de tenzij-clausule van artikel 6:174 BW. Op de tijdstippen waarop de locatie Havenstraat gecontroleerd is, zijn geen bijzonderheden waargenomen. Uitgaande van de veronderstelling dat niettemin op enig moment een opening in het hekwerk is ontstaan, dan is dat zo kort voor het intreden van de letselschade van [eiser] ontstaan, dat Recobel geen tijd en gelegenheid meer heeft gehad om te voorkomen dat [eiser] door die opening het terrein en vervolgens het pand kon betreden.

Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser]. [eiser] heeft er bewust voor gekozen om op een zondag het terrein en het pand te betreden. Hij wist dat hij een niet voor buitenstaanders bestemd slooppand ging betreden. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat het verboden is om slooppanden en de bijbehorende terreinen te betreden. Waar het het vaste en eenduidige voornemen van [eiser] was om het pand binnen te gaan hadden hekken en borden hem niet tegengehouden.

5. De beoordeling

5.1. Artikel 6:174 Bw bepaalt dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen oplevert, aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

5.2. Ten aanzien van de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan het pand van Recobel mag stellen is van belang dat het hier een slooppand betrof en dat voor een ieder zichtbaar was dat de sloopactiviteiten in volle gang waren. De slopers waren de vrijdag voorafgaande aan de zondag waarop het ongeluk gebeurde nog in het pand aan het werk geweest. De sloop was al in een vergevorderd stadium en essentiële onderdelen van het pand waren verdwenen. Zo verklaart [naam] in zijn als productie 4 door [eiser] in het geding gebrachte beschrijving dat de zijgevel en achtergevel van de pakhuistoren al weg waren en dat zijwanden en ramen waren weggehaald. [eiser] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het pand zo naar binnen kon gaan en dat er geen deur meer was.

Gelet op deze staat van het pand kunnen geen hoge eisen gesteld worden aan de stevigheid van onderdelen van het pand. Recobel kan dan ook gevolgd worden in haar stelling dat in een dergelijk slooppand niet elke gevaarlijke situatie voorzien kan worden van een waarschuwing. Dit alles leidt tot de conclusie dat het pand voldeed aan de (veiligheids)eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, hetgeen met zich brengt dat Recobel niet op grond van het bepaalde in artikel 6:174 BW aansprakelijk gesteld kan worden voor het feit dat [eiser] door een verdiepingvloer van haar pand is gezakt.

5.3. [eiser] heeft daarnaast een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 6:162 BW en Recobel verweten dat zij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat derden zoals hij in dat gevaarlijke pand konden komen.

In het onderhavige geval, waar Recobel een situatie in het leven heeft geroepen en heeft laten voortbestaan die voor anderen bij niet in-achtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, kan aan haar de eis gesteld worden dat zij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Bij de beantwoording van de vraag of zij voldoende maatregelen getroffen heeft moet niet alleen gelet worden op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de gevolgen van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidmaatregelen.

5.4. Zowel uit de verklaringen van [eiser] als uit hetgeen Recobel heeft aangevoerd blijkt dat het Reesink-complex tijdens de sloop veel genode en ongenode bezoekers trok. Zo heeft Recobel tot september 2007 verzoeken ingewilligd om de pakhuistoren te mogen betreden met name om daar te fotograferen en deze bezoekers onder begeleiding door het pand geleid. Ook huisden er krakers op het terrein, zij het niet in de pakhuistoren, en waren graffiti-artiesten binnen en buiten de panden actief. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte verklaringen blijkt voorts genoegzaam dat het complex ook regelmatig betreden werd door nieuwsgierigen, waaronder vaak kinderen. Recobel moest er dan ook rekening mee houden dat onoplettende en onvoorzichtige derden de door de sloop gevaarlijke panden betraden, terwijl er gelet op de toestand van het complex een grote kans bestond op ongelukken met ernstige gevolgen.

5.5. Zoals hiervoor is overwogen kan van Recobel niet verlangd kan worden dat zij binnen de al gedeeltelijk gesloopte panden bij alle zich daarin voordoende onveilige situaties maatregelen treft om ongelukken te voorkomen. Dat laat onverlet dat zij wel genoegzame maatregelen moet treffen om er voor te zorgen dat ongenode derden de gevaarlijke panden niet kunnen betreden.

De stelling van [eiser] dat Recobel niet aan die zorgvuldigheidseis heeft voldaan, is door Recobel weersproken. Recobel heeft ter onderbouwing van haar verweer aangevoerd dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het terrein te beveiligen en dat [eiser] zich niet zou hebben laten tegenhouden door wat voor maatregel dan ook, omdat hij het vaste voornemen had het complex te betreden ondanks de wetenschap dat dat gevaarlijk was.

5.6. Dit verweer treft doel.

Uit de verklaringen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken, waaronder een fotoreportage van de Brandweer Zutphen (productie 6 van [eiser]) blijkt genoegzaam dat het complex aan alle kanten -ook aan de IJsselzijde- was afgezet met deels permanente hekken en deels tijdelijke bouwhekken. [eiser] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het terrein is opgegaan via een half geopend bouwhek dat aan een kant uit de betonnen voet was gelicht en aan de andere kant nog in de voet vast zat en dat het terrein verder was afgezet met bouwhekken.

5.7. Recobel heeft met de door haar als productie 6 in het geding gebrachte rapporten van medewerkers van Securicor voldoende bewijs geleverd voor haar stelling dat dit beveiligingsbedrijf meerdere malen per dag de afrastering rond het complex en de toegangen daarin controleerde. In het rapport over 8 december 2007, aanvang dienst om 02.10, wordt er melding van gemaakt dat alle hekken bij de technische dienst plat liggen. Voor de door [eiser] betwiste stelling van Recobel dat die hekken toen weer overeind zijn gezet is steun te vinden in de rapporten over de volgende rondes op 8 december en 9 december 2007. Daarin wordt geen melding meer gemaakt van platliggende of anderszins niet goed afgesloten hekken. Van niet afgesloten hekken rond de pakhuistoren, waar [eiser] het terrein heeft betreden, wordt in de verslagen van 8 december 2007 in het geheel niet gerept.

5.8. Geconcludeerd moet worden dat Recobel door het afsluiten van het terrein met hekken en het daags meermalen (laten) controleren en zonodig herstellen van die afsluiting alles heeft gedaan wat van haar naar de eisen van maatschappelijke zorgvuldigheid gevergd kan worden om te voorkomen dat derden het Reesinkcomplex zouden betreden. Er was sprake van een voor het publiek waarneembaar en aan het publiek bekend gevaar en verwacht mocht worden dat de volledige afsluiting van het terrein met hekken een voldoende waarschuwing was om te leiden tot een handelen of nalaten waardoor dat gevaar werd vermeden.

5.9. Zouden al de verbodsborden hebben ontbroken, zoals [eiser] heeft gesteld en Recobel gemotiveerd heeft weersproken, dan doet dat niet af aan deze conclusie. Dat geldt ook als moet worden uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] gestelde en door Recobel betwiste situatie dat [eiser] zonder enige belemmering het terrein heeft kunnen betreden. Het moet voor [eiser] zonder meer duidelijk zijn geweest dat de toegang tot het terrein verboden was omdat het complex door de vergevorderde sloopwerkzaamheden onveilig was. [eiser] was al eerder in een ander deel van het complex geweest en was bekend met de toestand van de panden.

5.10. Uit het enkele feit dat [eiser] zich op het terrein heeft kunnen begeven kan in de omstandigheden van het geval niet geconcludeerd worden dat het terrein onvoldoende was beveiligd. Onweersproken is immers gebleven dat [eiser] zich niet zou hebben laten tegenhouden door welke afzetting dan ook. [eiser] is juist op een zondag, wetend dat er dan geen slopers aan het werk zijn, vanuit Apeldoorn naar het Reesinkcomplex in Zutphen gegaan met het voornemen een regelmatig in de pakhuistoren verblijvende kraker te fotograferen. Hij heeft zich bewust in een gevaarlijke situatie begeven en door het betreden van een trap naar hoger gelegen verdiepingen nog een extra risico genomen. [eiser]’s stelling dat hij niet tegen beter weten in heeft gehandeld treft dan ook geen doel.

5.11. [eiser] heeft betoogd dat het op de weg van Recobel had gelegen in ieder geval veiligheidslinten te spannen voor alle portieken die toegang gaven tot de betreffende vloer dan wel hier uitdrukkelijk voor te waarschuwen, maar hij kan in dat betoog niet gevolgd worden.

Zoals hiervoor al is overwogen kan in een slooppand als de pakhuistoren niet elke gevaarlijke situatie voorzien worden van een waarschuwing.

Niet uitgesloten is dat de slopers bij hun vertrek op vrijdagmiddag ter plaatse wel veiligheidmaatregelen hebben getroffen door de toegang naar de trap met een deur af te zetten. Recobel heeft als productie 5 een brief van Masselink Steenderen van 16 december 2009 in het geding gebracht waarin dit met de sloop van het complex belaste bedrijf schrijft:

“(…) In de hal waar het ongeval heeft plaatsgevonden was de trap met een deur afgezet. Elke keer als we op het werk kwamen was die deur verwijderd.(…)”. Het is derhalve evenmin uitgesloten dat de deur al voor de aankomst van [eiser] in het pand door derden was verwijderd. Het gaat echter -mede gelet op de toestand van het pand en de risico’s bij het betreden van de panden- te ver van Recobel te vergen dat haar beveiligingsmensen ook ín de panden de daar door de slopers getroffen veiligheidsmaatregelen controleerden.

Wat hier ook van zij, het is niet aannemelijk dat [eiser] zich door dergelijke veiligheidsmaatregelen zou hebben laten tegen houden. In dit verband is van belang dat [eiser] zonder dat daarvoor enige noodzaak was zich op een hogere verdieping heeft begeven. Hij had op de begane grond van het pand de betreffende kraker getroffen en gefotografeerd en was na diens vertrek verdwaald op zoek naar een uitgang uit het pand. Om te zien waar hij zat is hij een trap opgelopen, zo heeft [eiser] ter zitting verklaard. [eiser] heeft aldus geen logische verklaring gegeven voor zijn gedrag.

5.12. Het oordeel dat Recobel alle veiligheidsmaatregelen heeft getroffen die van haar naar de eisen van maatschappelijke zorgvuldigheid konden worden gevergd leidt ertoe dat het beroep van [eiser] op artikel 6:162 BW ook geen doel treft. De vordering van [eiser] is daarom niet voor toewijzing vatbaar en hij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden begroot op:

- vast recht € 313,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 384,00)

Totaal € 1.081,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af

6.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Recobel gevallen en begroot op € 1.081,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.