Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0571

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
09/1475
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7159, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit waarbij Stichting Ukkie Pukkie (eiseres) wegens het ontbreken van procesbelang ten aanzien van het besluit waarbij aan de Stichting Basisvoorziening Peuterspeelzaalwerk Ermelo (SBPE) subsidie is verleend niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten aanzien van het besluit tot het toekennen van subsidie aan SBPE geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar van eiseres is, zij het op niet geheel juiste gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 09/1475

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Ukkie Pukkie

te Ermelo,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder geweigerd aan eiseres voor het jaar 2009 subsidie te verlenen voor de uitvoering van het peuterspeelzaalwerk in buurtschap Horst/Telgt. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 januari 2009 heeft verweerder aan Stichting Basisvoorziening Peuterspeelzaalwerk Ermelo (hierna: SBPE) een voorschot verleend op de te verlenen budgetsubsidie 2009 voor het 1e kwartaal 2009 van € 46.000,-. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 30 december 2008 gegrond verklaard en aan eiseres een budgetsubsidie van € 25.706,14 voor het verzorgen van peuterspeelzaalwerk aan de Zeeweg 98 in Ermelo voor het kalenderjaar 2009 verleend. Daarnaast heeft verweerder het tegen het besluit van 8 januari 2009 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Namens eiseres heeft mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het tegen het besluit van 8 januari 2009 gerichte bezwaar. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Bij besluit van 25 september 2009 (hierna: bestreden besluit II) heeft verweerder nader beslist op het door eiseres ingediende bezwaar.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 mei 2010, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Kuiper voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Oosterveer en P. Beelen.

2. Overwegingen

2.1 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat verweerder het bestreden besluit I niet langer handhaaft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres derhalve geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen dat besluit. Het beroep, voor zover gericht tegen dat besluit, moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het beroep wordt - gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - geacht mede te zijn gericht tegen verweerders bestreden

besluit II.

2.2 Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de subsidieverlening aan SBPE wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Binnen het vastgestelde subsidieplafond basisvoorziening peuterspeelzaalwerk Ermelo is immers rekening gehouden met deelname aan de basisvoorziening door eiseres. In afwachting van aansluiting van eiseres bij SBPE is het budget voor eiseres gereserveerd en nog beschikbaar, aldus verweerder.

2.3 In beroep heeft eiseres aangevoerd dat het aan SBPE gerichte subsidiebesluit direct van invloed is op het door eiseres (via verweerder of via SBPE) te ontvangen subsidiebedrag. De subsidieverlening aan SBPE is immers afhankelijk van de definitieve overeenkomst van budgetfinanciering (waarbij eiseres via een constructie zou moeten worden ondergebracht) voor de periode 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2011. Gelet hierop is eiseres belanghebbende bij dit besluit en heeft zij ook procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar, aldus eiseres.

2.4 Ter beoordeling ligt voor of verweerder eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar gericht tegen het besluit van 8 januari 2009. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 8 januari 2009, anders dan eiseres heeft betoogd, enkel voor het jaar 2009 aan SBPE een subsidie heeft verleend. Niet alleen volgt dit rechtstreeks uit de bewoordingen van het besluit, ook heeft verweerder dit ter zitting nogmaals bevestigd. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiseres tot op heden geen contractuele relatie heeft met SBPE, waardoor eiseres aan het enkel aan SBPE gerichte subsidiebesluit geen recht of bevoegdheid kan ontlenen.

Gelet op het voorgaande heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks bij het besluit betrokken belang en kan eiseres niet worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiseres, zij het op niet geheel juiste gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S. de Vries, voorzitter, en mr. E.H.T. Rademaker en mr. J.A.M. Smulders, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.