Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0544

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
08/2171
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van B en W van de gemeente Bronckhorst om percelen van de eiser aan te wijzen als grond waarop de Wet voorkeursrecht van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 08/2171

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Hummelo,

eiser,

en

de raad van de gemeente Bronckhorst

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser is eigenaar van de percelen kadastraal bekend als gemeente Hummelo, [kadastrale gegevens]. Op deze percelen bevindt zich zijn woonhuis en tuin, een boomgaard en een dressuur- en springbak.

Bij besluit van 16 augustus 2006, in werking getreden op 17 augustus 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst (hierna: het college) aan de gemeenteraad (hierna: verweerder) het voorstel gedaan om met toepassing van artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) (onder meer) de percelen van eiser, [kadastrale gegevens], aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Bij brief van 1 september 2006 heeft mr. E.T. de Jong namens eiser bezwaar gemaakt tegen het voorstel van het college, welke brief tevens een zienswijze inhoudt tegen het voornemen van verweerder om het besluit van het college te bekrachtigen.

Bij besluit van 28 september 2006 heeft verweerder het voorstel van het college bekrachtigd. Met toepassing van artikel 9a van de Wvg wordt het bezwaar gericht tegen het voorstel van het college thans geacht te zijn gericht tegen het besluit van verweerder.

Eiser heeft bij brief van 26 maart 2007 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Bij besluit van 2 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 mei 2008 (reg. nr. 07/521) heeft de rechtbank het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het besluit van 2 mei 2007, gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 23 oktober 2008, verzonden op 31 oktober 2008, heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 9 december 2008 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2010, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem.

2. Overwegingen

2.1 Ter beoordeling staat (ambtshalve) of eiser een rechtens te beschermen belang, een procesbelang, heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep.

2.2 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder uitspraken van 5 juni 2002 (zaak nr. 200106139/1) en van 20 mei 2009 (zaak nr. 200805596/1), kan procesbelang onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.

2.3 Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat daarvan geen sprake is, omdat de aanwijzing van de percelen 1422 en 1986 door het college bij het besluit van

16 september 2008 is ingetrokken. Eiser heeft – kort samengevat – gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het aanwijzingsbesluit. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Bij besluit van 16 september 2008 heeft het college besloten tot intrekking van voormelde aanwijzingsbesluiten van 16 augustus 2006 en 28 september 2006 op grond van de artikelen 8a en 8 van de Wvg. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.5 Eiser heeft gesteld dat zich twee weken vóór de vestiging van het voorkeursrecht op zijn object een serieuze koper heeft gemeld die voor al zijn percelen een schriftelijke bieding heeft gedaan van € 1.500.000,00, maar dat de koper de onderhandelingen heeft afgebroken

als gevolg van de vestiging van het voorkeursrecht bij voormelde besluiten van 16 augustus 2006 en 28 september 2006.

2.6 Deze stelling kan, zonder dat deze van enige nadere onderbouwing is voorzien, niet leiden tot het oordeel dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat eiser ten gevolge van voormelde besluiten van 16 augustus 2006 en 28 september 2006 daadwerkelijk schade heeft geleden. Dat mag worden aangenomen dat de aanwijzing van de percelen een waardedrukkend effect heeft gehad op (het geheel van) de percelen, in welk verband eiser bij brief van 28 januari 2010 een taxatierapport heeft overgelegd, kan aan deze conclusie niet afdoen, nu daarmee niet aannemelijk is geworden dat daardoor ook daadwerkelijk schade is geleden. Het aanbod van eiser ter zitting om voormelde schriftelijke bieding alsnog in het geding te brengen, heeft de rechtbank, als zijnde in strijd met de goede procesorde, gepasseerd.

2.7 Het vorenstaande kan tot geen andere gevolgtrekking leiden dan dat eiser geen rechtens te beschermen belang heeft bij de beoordeling van het beroep.

2.8 Het beroep is, wegens het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk.

Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.