Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0532

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
06/940086-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte slachtoffers heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht in een supermarkt te Doetinchem.

Gelet op de recidive van verdachte, legt de rechtbank de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voorwaardelijk op. De reden hiervoor is dat verdachte wordt veroordeeld voor een andersoortig feit dan de feiten waarvoor hij in het verleden vele malen is veroordeeld en het wellicht een impulsieve reactie is geweest op een beschuldiging die niet heeft geleid tot een vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940086-10

Uitspraak d.d.: 7 juli 2010

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1980],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. R.D.J. Visschers, advocaat te Elst.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2010 in de gemeente Doetinchem [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb een mes op zak en ik steek jullie allebei kapot!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij zijn hand in de zak van zijn jas heeft gehouden.

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek waren twee aangiftes bij de politie, één van 22 januari 2010 van [slachtoffer A] en één van 25 februari 2010 van [slachtoffer B]. Op 20 januari 2010 zou verdachte in de [supermarkt] te Doetinchem aangevers woordelijk hebben bedreigd en daarbij zijn rechterhand in zijn linkerbinnenzak hebben gestopt.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard op basis van de aangiften van [slachtoffer A] en [slachtoffer B].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inderdaad een bedreiging heeft geuit richting aangevers, maar dat dit niet de bedreiging is zoals geformuleerd in de tenlastelegging. Ook zijn de woorden die verdachte heeft geuit geen woorden van gelijke strekking. De bedreiging op de tenlastelegging is een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft echter geroepen: "Ik geef jullie een klap voor jullie kop". Dit is een bedreiging met een geheel andere strekking.

Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling mocht komen, heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat verdachte deze woorden heeft geroepen omdat aangevers onterecht enkele eigendommen van verdachte hebben afgenomen en deze niet terug wilden geven.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting betwist de in de tenlastelegging genoemde bedreiging te hebben geuit. De rechtbank is evenwel van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer A]2 en de aangifte van [slachtoffer B]3 tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[slachtoffer A] heeft verklaard dat verdachte op 20 januari 2010 in de [supermarkt] in Doetinchem was. [slachtoffer A] heeft verdachte aangesproken vanwege een verdenking van winkeldiefstal en hij heeft verdachte meerdere malen verzocht mee te gaan naar achteren. Verdachte heeft dit geweigerd. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer A] verdachte tegen hem en zijn collega [slachtoffer B] horen zeggen: "Ik steek jullie allebei kapot". Terwijl verdachte dit zei, stak hij zijn hand in zijn linkerbinnenzak. [slachtoffer B] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte zijn rechterhand in zijn linkerbinnenzak stak en hij heeft verdachte horen zeggen: "Ik heb een mes op zak en steek jullie kapot." Verdachte heeft zelf ter terechtzitting verklaard dat hij in de [supermarkt] was en dat hij intimiderende taal heeft gebruikt richting aangevers omdat hij zijn eigendommen niet terugkreeg. Ook erkent verdachte dat hij met zijn handen bij zijn zakken heeft gezeten, al was dit omdat hij zijn zakken leeg moest halen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijker dat verdachte de door de aangevers opgegeven terminologie heeft gebezigd dan de woorden die hij zelf stelt te hebben gebruikt. In de eerste plaats komen de woorden die beide aangevers uit de mond van verdachte hebben gehoord met elkaar overeen. Van een opzetje ten nadele van verdachte is niet gebleken. Ook het in de binnenzak steken van een hand door verdachte duidt eerder op een woordgebruik zoals door aangevers wordt aangegeven dan op het woordgebruik volgens de verklaring van verdachte. Door een dergelijk gebaar laat de betreffende persoon immers de indruk bij de ander achter daadwerkelijk een mes bij zich te hebben. Bij het dreigen met een klap op het hoofd ligt zo'n gebaar niet voor de hand. Ten slotte is uit de omstandigheid dat aangevers hun actie tegen verdachten direct staakten af te leiden dat verdachte veeleer met een messteek dreigde dan met een klap.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig én overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 20 januari 2010 in de gemeente Doetinchem [slachtoffer A] en [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer A] en [slachtoffer B] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik heb een mes op zak en ik steek jullie allebei kapot!", en daarbij zijn hand in de zak van zijn jas gehouden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders - de ISD-maatregel - voor de duur van twee jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft in dit verband betoogd dat de recidivekans van verdachte als hoog wordt ingeschat en dat uit het uitgebreide strafblad van verdachte blijkt dat hij vaak is veroordeeld voor diverse delicten. Ondanks eerdere veroordelingen, proeftijden en aangeboden hulpverlening, blijft verdachte strafbare feiten plegen. Zorgelijk is de vaststelling door de reclassering dat verdachte geen medewerking verleent, zijn eigen pad kiest, niet zijn eigen aandeel in de problematiek ziet maar externaliseert. De ISD-maatregel is de enige mogelijkheid om de maatschappij te beschermen tegen verdachte. Daarnaast kan de maatregel bijdragen aan het oplossen van de problematiek van verdachte.

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot vrijspraak van hetgeen ten laste is gelegd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de ISD-maatregel niet op zijn plaats is. Naar de mening van de raadsman zijn er onvoldoende redenen om verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Verdachte is een veelpleger, maar heeft zich al enige maanden niet schuldig gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Het feit waar verdachte thans voor terechtstaat, is een heel ander type feit dan de feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld. Bovendien, als aangevers de spullen van verdachte meteen hadden teruggegeven, had het niet zover hoeven komen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige bedreiging.

Verdachte heeft tijdens de behandeling van de laatste strafzaak laten blijken dat hij zijn leven wil beteren en dat hij inziet dat het zo niet door kan gaan. De vraag is wat hiervan terecht komt gelet op het onderhavige incident en de omstandigheden die daarbij speelden.

De rechtbank acht de ISD-maatregel in dit geval aangewezen, gelet op de recidive van verdachte, maar bepaalt dat deze maatregel voorwaardelijk zal worden opgelegd nu het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld andersoortig is dan de feiten waarvoor hij in het verleden vele malen is veroordeeld en het wellicht een impulsieve reactie is geweest op een beschuldiging die niet heeft geleid tot een vervolging.

De maatregel kan worden opgelegd nu het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en verdachte in de afgelopen 5 jaar driemaal onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf die ten uitvoer gelegd.

Vorderingen tot schadevergoeding

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden tot na te melden bedrag, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal elke benadeelde partij een bedrag van € 100,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2010 toewijzen. Voor het overige is zij van oordeel dat de vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat deze zich lenen voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vorderingen voor het overige slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 36f, 38p en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

* verklaart verdachte strafbaar;

* legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren;

* bepaalt, dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [adres], rekeningnummer [nummer] van een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], [adres], rekeningnummer [nummer], van een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2010, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], een bedrag te betalen van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2010, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichtingen tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mrs. Troost, voorzitter, Krijger en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 juli 2010.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010009268-17, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 3 maart 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 29

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 69-70.