Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0047

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
108951 - HA ZA 09-1538
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met behulp van vervalst(?) gmailadres verzonden verklaring. Ook bij gerechtvaardigd vertrouwen van de ontvanger komt de 'quasiverzender' beroep toe op betwisting dat hij de e-mailverklaring heeft verzonden, behoudens aan de 'quasiverzender' toe te rekenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 108951 / HA ZA 09-1538

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. P. van Rossum te Emmen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam groothandel] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J. Graafstal te Ermelo.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 januari 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] drijft een groothandel in kunst en antiek. [Directeur] (hierna: [directeur/aandeelhouder gedaagde]) is directeur/enig aandeelhouder van [gedaagde].

2.2. Tot 2003 is [directeur/aandeelhouder gedaagde] mede-eigenaar geweest van baggerbedrijf [baggerbedrijf] B.V. (hierna: [baggerbedrijf]). In 2007 en 2008 heeft [directeur/aandeelhouder gedaagde] als adviseur werkzaamheden voor [baggerbedrijf] verricht.

2.3. [eiseres] reviseert onder meer motoren en verkoopt onderdelen. [eiseres] is leverancier van [baggerbedrijf]. Vanwege een betalingsachterstand van [baggerbedrijf] levert [eiseres] slechts tegen contante betaling onderdelen aan [baggerbedrijf].

2.4. [medewerker baggerbedrijf], werkzaam bij [baggerbedrijf], heeft vóór 3 april 2009 telefonisch contact opgenomen met [eiseres]. [medewerker baggerbedrijf] heeft [eiseres] verzocht onderdelen te leveren in verband met een machine die stil was komen te liggen. Hij heeft hierbij te kennen gegeven dat een derde partij hierover contact met [eiseres] zou opnemen en voor de onderdelen zou betalen.

2.5. Op 3 april 2009 heeft [eiseres] een e-mail ontvangen die verstuurd is vanaf het

e-mailadres van: [directeur/aandeelhouder gedaagde] [e-maiadres 1]] met de tekst:

“Beste [naam 1],

Van [baggerbedrijf] B.V. begrrep ik dat ik mij rechtstreeks tot U kan wenden.

Van de zz Deo Gloria [een zandzuiger, rechtbank] is de lagering kats overhoop en niet meer te redden.

hiervoor heb ik nodig asbus 200-019 en een g lagerhuis.

Gaarne spoed want de zuiger ligt nu stil en dat kost veel geld

Wilt u zo vriendelijk zijn mij zo snel mogelijk de prijzen te mailen dan kan ik dat vanavond nog bekijken en bestellen.

[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde]

[06-nummer A]”

2.6. Op 6 april 2009 heeft [eiseres] een e-mail ontvangen van “[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] [e-mailadres 2]”, met in de bijlage een ondertekende brief van 4 april 2009 met de tekst:

“[gedaagde] B.V.

(…)

Geachte [naam 1],

Hierbij willen wij rechtstreeks bij u bestellen:

Ten behoeve van Z.Z. Deo Gloria

2 asbussen 200- 019

1 G Lagerhuis

Prijzen zoals telefonisch door u opgegeven

Levering zo spoedig mogelijk wegens stilstand.

Door [baggerbedrijf] B.V. af te halen

[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde]

Factuuradres

[gedaagde] B.V.

(…)

Tel [06-nummer B]”

2.7. Op 7 april 2009 zijn bij [eiseres] een lagerhuis (type G) en een asbus opgehaald. Op 14 april 2009 heeft koeriersbedrijf [koeriersbedrijf] een asbus bij [gedaagde] afgeleverd. De echtgenote van [directeur/aandeelhouder gedaagde], [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] (hierna: [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde]), heeft voor de ontvangst van die asbus getekend.

[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] is niet bij [gedaagde] in dienst. Zij is niet als gevolmachtigde van [gedaagde] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven.

[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] is tweeënhalve dag in de week werkzaam als kleuterleidster.

2.8. Op 28 juli 2009 is het faillissement van [baggerbedrijf] uitgesproken.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 6.662,99, te vermeerderen met de contractuele rente van 0,83 % per maand over een bedrag van € 5.585,86 vanaf 25 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure en voorts te vermeerderen met alle kosten verband houdende met het ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire verhaalsbeslag.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

[eiseres] heeft het lagerhuis en de twee asbussen in opdracht van, althans voor rekening van [gedaagde] compleet gemaakt. Hiervoor heeft zij bij factuur van 7 april 2009 een bedrag van € 5.585,86 in rekening gebracht bij [gedaagde]. Op de door haar verrichte werkzaamheden zijn haar algemene verkoop-, leverings- en betalingsvoorwaarden van toepassing, op grond waarvan [gedaagde] vanaf 30 dagen na de factuurdatum een rente van 0,83 % per maand is verschuldigd. Tot 25 november 2009 bedraagt de rente € 309,13.

Er zijn buitengerechtelijke werkzaamheden, anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van deze procedure, verricht. De kosten daarvan (€ 768,00) komen voor rekening van [gedaagde]. Bij exploot van 12 november 2009 heeft zij onder de SNS Bank te Meppel conservatoir beslag laten leggen op de bankrekening van [gedaagde].

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze als ongegrond en onbewezen zal ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde], waaronder de kosten van het ten onrechte gelegde conservatoire beslag.

4.2. [gedaagde] voert hiertoe aan dat zij aan [eiseres] geen opdracht heeft gegeven om welke werkzaamheden dan ook te verrichten voor een bedrag van € 5.585,86 dan wel enig ander bedrag. Zij heeft [eiseres] niet te kennen gegeven dat werkzaamheden voor haar rekening zouden zijn. Als op 7 april 2009 een factuur aan haar is verzonden, is dat ten onrechte gebeurd. Zij is niet bekend met aanmaningen en met leverings- en betalingsvoorwaarden van [eiseres], zodat zij de gevorderde rente en incassokosten betwist. Ten slotte is het conservatoire beslag op haar bankrekening ten onrechte gelegd. Zij wordt daardoor benadeeld.

5. De beoordeling

5.1. Gelet op de stellingen van partijen, de overgelegde producties en de verklaringen ter comparitie komt het volgende beeld naar voren.

[baggerbedrijf] en [eiseres] hebben jarenlang zaken met elkaar gedaan. Tot 2003 is [directeur/aandeelhouder gedaagde], thans directeur van [gedaagde], mede-eigenaar geweest van [baggerbedrijf]. In 2007 en 2008 heeft [directeur/aandeelhouder gedaagde] [baggerbedrijf] als adviseur terzijde gestaan. In die periode heeft [directeur/aandeelhouder gedaagde] samen met [medewerker baggerbedrijf] in verband met de financiële situatie van [baggerbedrijf] een gesprek gevoerd met [eiseres]. Vanwege de betalingsachterstand van [baggerbedrijf] was [eiseres] niet langer bereid onderdelen aan [baggerbedrijf] te leveren, tenzij [baggerbedrijf] daarvoor contant zou betalen.

5.2. Omstreeks 3 april 2009 is de “Z.Z. Deo Gloria”, een zandzuiger van [baggerbedrijf], stil komen te liggen. [baggerbedrijf] had dringend onderdelen van [eiseres] nodig om de zandzuiger weer in bedrijf te krijgen. De financiële positie van [baggerbedrijf] was echter zodanig verslechterd, dat zij niet meer in staat was om [eiseres] contant voor onderdelen te betalen. Zij heeft [eiseres] daarom (telefonisch) verzocht onderdelen aan haar te leveren en daarbij voorgesteld dat een derde partij voor de onderdelen zou betalen. [eiseres] is daarmee akkoord gegaan. Bij email van 3 april 2009 afkomstig van [e-maiadres 1] heeft [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] aan [eiseres] een prijsopgave gevraagd voor een lagerhuis en twee asbussen. Op 6 april 2009 heeft [eiseres] vervolgens per e-mail de bestelling van het voor het baggerschip van [baggerbedrijf] bestemde lagerhuis en de asbussen ontvangen. Het e-mailbericht is afkomstig van: “[echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] [e-mailadres 2]” met in de bijlage een brief van [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] met vermelding van [gedaagde] als factuuradres. Op 7 april 2009 heeft [eiseres] de factuur van € 5.585,86 naar [gedaagde] gestuurd. Op dezelfde dag zijn het lagerhuis en één van de asbussen bij [eiseres] afgehaald. [eiseres] heeft de tweede asbus op 14 april 2009 bij [gedaagde] laten afleveren waar [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] voor ontvangst heeft getekend. [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde] heeft [baggerbedrijf] ingelicht over de tweede asbus, die vervolgens is opgehaald.

5.3. [eiseres] stelt dat zij op grond van voornoemde feiten en omstandigheden ervan mag uitgaan dat [gedaagde] heeft toegezegd dat zij als factuuradres heeft te gelden en dat zij [gedaagde] kan aanspreken tot betaling van de factuur van 7 april 2009. [gedaagde] betwist dat gemotiveerd.

5.4. De rechtbank stelt voorop dat gelet op de plaats die e-mails in het handelsverkeer innemen dat in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat een e-mailbericht afkomstig is van het opgegeven adres. Daarbij komt dat het een snel communicatiemiddel, waarbij - naar algemeen bekend - slordigheden op de koop toe worden genomen. Omdat de inhoud van het telefoongesprek dat voorafgaand aan de email van 3 april 2009 is gevoerd tussen [medewerker baggerbedrijf] van [baggerbedrijf] en [eiseres] over de benodigde onderdelen voor de zandzuiger precies aansloot bij de inhoud van het e-mailbericht van 3 april 2009, hoefde [eiseres] niet argwanend te zijn. Bovendien is de tweede asbus ook daadwerkelijk bij [gedaagde] afgeleverd en zonder protest behouden. Dit brengt mee dat [eiseres] gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de verklaring afkomstig was van [gedaagde].

5.5. [gedaagde] kan tegen degene tot wie de verklaring is gericht, zich in het algemeen erop beroepen dat de verklaring niet van haar afkomstig is, ook wanneer degene tot wie de verklaring was gericht, heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de verklaring wel van haar afkomstig was. In dat geval is gerechtvaardigd vertrouwen van [eiseres] in beginsel ontoereikend voor contractuele gebondenheid van [gedaagde].

5.6. Ter onderbouwing van haar stelling dat de verklaringen niet van haar afkomstig zijn, heeft [gedaagde] gewezen op het verschil in e-mailadres van het bericht van

3 respectievelijk 6 april 2009. Met [gedaagde] wordt geoordeeld dat het hanteren van [e-maiadres 1] naast [e-mailadres 2] binnen één week voor een bedrijf niet logisch is. Daarbij komt de door [eiseres] niet betwiste stelling van [gedaagde] dat een gmailaccount heel eenvoudig op andermans naam is aan te maken. Voorts wekt het ‘ruwe’ en technische taalgebruik van het e-mailbericht van 3 april 2009 verbazing gelet op het feit dat dit bericht afkomstig is van [echtgenote van directeur/aandeelhouder gedaagde], de echtgenote van [directeur/aandeelhouder gedaagde], die werkzaam is als kleuterleidster.

5.7. Uit het aan de artikelen 3:35, 3:36 en 3:61 lid 2 BW, in samenhang met artikel 6:147 BW ten grondslag liggende beginsel vloeit voort dat [eiseres] wel wordt beschermd in het vertrouwen dat de verklaring van [gedaagde] afkomstig is, als er sprake is van bijzondere omstandigheden van dien aard dat zij tot de slotsom nopen dat gerechtvaardigd vertrouwen van [eiseres] aan [gedaagde] valt toe te rekenen. [eiseres] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat aan [gedaagde] valt toe te rekenen dat [eiseres] de verklaring als afkomstig van [gedaagde] heeft beschouwd en redelijkerwijze heeft mogen beschouwen. De door [eiseres] gestelde samenspanning tussen [baggerbedrijf] en [gedaagde] mist de benodigde onderbouwing.

5.8. Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] als factuuradres voor de aan [baggerbedrijf] geleverde onderdelen heeft te gelden, zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

5.9. De door [gedaagde] gevorderde (proces)kosten van het gelegde conservatoir beslag zullen worden afgewezen. Die kosten zijn immers door [eiseres] gemaakt en niet door [gedaagde]. Voor zover [gedaagde] hierbij schadevergoeding als gevolg van het gelegde beslag heeft beoogd te vorderen, valt dit niet onder proceskosten, daargelaten dat iedere onderbouwing ontbreekt.

5.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 313,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punt × tarief € 384,00)

Totaal € 1.081,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af;

6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.081,00 aan verschotten en salaris voor de advocaat;

6.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.