Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM9512

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
106060 / HA ZA 09-1155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling nalatenschap; verjaring vordering o.g.v. afspraken tussen erflaters; afwijzing vordering van erfgenamen tot nakoming afspraak tussen (voorheen gehuwde) erflaters over verdeling huwelijksgoededrengemeenschap op grond van verjaring o.g.v. art. 3:307 lid 1.

De vordering tot levering van een woning, op basis van de stelling dat de woning al aan een van de erflaters was toegedeeld, is niet verjaard o.g.v. art. 3:306 juncto 3:315 BW. Die vordering wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan:

- dat er tussen de erflaters sluitende afspraken zijn gemaakt over de toedeling van de woning aan een van hen in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

en

- dat die afspraken zijn geëffectueerd in een feitelijke verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 106060 / HA ZA 09-1155

Vonnis van 2 juni 2010

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Utrecht,

2. [eiser 2],

wonende te Bilthoven,

3. [eiser 3],

wonende te Hoogvliet,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A.J. ter Wee te Zwolle,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Hulshorst,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van Andel te Driebergen-Rijseburg,

2. [gedaagde 2],

wonende te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van Andel te Driebergen-Rijseburg ,

3. [gedaagde 3],

wonende te Maarssen,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te Utrecht,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Eisers in conventie zullen hierna gezamenlijk de erven [naam 1] genoemd worden en gedaagden in conventie gezamenlijk de erven [naam 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 januari 2010

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2010

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De erven [naam 1] zijn de biologische kinderen van mevrouw [naam 1] (hierna: de moeder) en de heer [naam 3]. Nadat de relatie tussen de moeder en [naam 3] was geëindigd, kreeg de moeder een nieuwe relatie met de heer [naam 2] (hierna: de vader), met wie zij op 7 september 1973 in het huwelijk is getreden. Eisers in conventie sub 2. en 3. hebben later de achternaam “[naam 2]” aangenomen. Het huwelijk van de moeder en de vader is ontbonden door echtscheiding op 13 februari 1990. Zij waren gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2. De moeder is overleden op 19 september 1994. Volgens de verklaring voor erfrecht d.d. 20 maart 1995 zijn haar erfgenamen de erven [naam 1] en hun halfbroer [naam 4], een zoon van de moeder en de vader. [naam 4] is in 1996 overleden.

2.3. De vader is overleden op 13 januari 2009. Volgens de verklaring voor erfrecht d.d. 30 juni 2009 zijn zijn erfgenamen zijn broers, [gedaagden 1 en 2] alsmede [gedaagden 3 en 4], die nakomelingen zijn van een andere broer van de vader, die de nalatenschap van de vader heeft verworpen.

2.4. In de huwelijksgoederengemeenschap van de vader en de moeder bevond zich onder meer een vakantiewoning te Voorhuizen (gemeente Nijkerk) aan de [adres]. Deze vakantie woning was in 1988 door de moeder aangekocht en stond op haar naam.

3. De vordering in conventie

3.1. De erven [naam 1] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I.

zal verklaren voor recht dat zij, als erven van mevrouw [naam1] laatstelijk wonende te Voorthuizen en overleden op 19 september 1994, recht hebben op overdracht aan hen van de in de nalatenschap van de wijlen de heer [naam 2], overleden op 17 januari 2009, vallende onverdeelde helft van de vakantiewoning gelegen te Voorthuizen, aan het adres [adres];

II.

zal bepalen dat gedaagden dienen mee te werken aan het opmaken van een zogeheten (notariële) akte van verdeling welke de overdracht, als onder I. van het petitum bedoeld, bewerkstelligt, alsmede onder de bepaling dat het in deze te wijzen vonnis ex 3:300 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van verdeling van degenen die tot de rechtshandelingen gehouden zijn (zijnde eisers en gedaagden) welke de overdracht, als bedoeld onder I. van het petitum, doet bewerkstelligen, zodat voor effectuering van de overdracht inschrijving van het in deze te wijzen vonnis, met inachtneming van art. 3:301 BW, voldoende is;

III.

gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen in de kosten van de procedure in conventie.

3.2. De erven [naam 1] hebben hun vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, als volgt onderbouwd.

De vader en de moeder hebben in de periode van de echtscheiding afspraken gemaakt over de verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, waarbij in ieder geval de vakantiewoning aan de moeder zou worden toegedeeld. Zij wijzen daarbij op een door de vader zelf geschreven en ondertekende verklaring d.d. 30 november 1989, die aangeeft dat hij afzag van de eventuele overwaarde van de vakantiewoning. En voorts op de brief van (destijds) de advocaat van de moeder d.d. 30 november 1989, waaruit blijkt dat aan de vader zouden worden toegescheiden het huurrecht van de echtelijke woning in Utrecht, de overwaarde van de door de vader en de moeder gezamenlijk gedreven dierenwinkel, de auto en een schuld aan [gedaagde 1] ad fl. 10.000,00. Verder maakte de moeder geen aanspraak op alimentatie. Na de echtscheiding hebben zij echter de boedelscheiding niet geformaliseerd. Praktisch hebben zij alles verdeeld, formeel niet.

Als de erven [naam 1] hebben zij daarom recht op de zakelijke overdracht van de (onverdeelde) helft van de vakantiewoning. Die vordering dateert op z’n hoogst van de dag na effectuering van de echtscheiding.

Een verrekening van dit recht met een eventuele schuld van de moeder aan [gedaagde 1] is niet mogelijk omdat de vordering en de schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Bovendien is de verrekening niet eenvoudig vast te stellen.

4. Het verweer in conventie

4.1. Gedaagden sub 1. en 2. hebben geconcludeerd dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de erven [naam 1] dienen te worden afgewezen, met hun veroordeling in de kosten van de procedure in conventie.

4.2. [gedaagden 1 en 2] hebben hun verweer onderbouwd met het navolgende.

De huwelijksgoederengemeenschap van de vader en de moeder is nog immer niet verdeeld, zodat de vakantiewoning in de nalatenschap van hen beiden valt en daarom in beginsel voor gelijke delen aan ieder der erfgenamen toekomt. Het is nimmer de bedoeling geweest dat de vakantiewoning zou toekomen aan de moeder. Dat blijkt ook niet uit de brief d.d. 30 november 1989 en de handgeschreven verklaring is niet door de vader geschreven of ondertekend. Bovendien was de dierenwinkel niets waard, want die is korte tijd later failliet gegaan. De gemeenschap tussen de vader en de moeder is in ieder geval ontbonden door de dood van de moeder in 1994. De vordering tot nakoming van de door de erven [naam 1] gestelde afspraak tot verdeling is toen opeisbaar geworden. Daarom is die vordering nu verjaard.

Voorts laten de erven [naam 1] ten onrechte onvermeld dat de moeder een schuld had aan [gedaagde 1]. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle d.d.12 mei 1992 is de moeder veroordeeld om aan hem een bedrag van fl. 45.000,00 met rente te betalen vanwege een begin september 1988 aan haar verstrekte lening van fl. 65.000,00 voor de aankoop van de vakantiewoning aan de [adres]. Dat vonnis heeft geleid tot het door de moeder ondertekenen van een schuldbekentenis op 3 september 1993, waarbij een afbetalingsregeling werd getroffen van fl. 487,78 per maand gedurende 180 maanden. Van die schuld resteert een bedrag van € 19.921,00, welke schuld de erven [naam 1] aangaat. Indien zij al een claim hebben op de vakantiewoning, is die na verrekening niet bestaand. Daarom hebben de erven [naam 1] geen belang bij hun vorderingen.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagden 1 en 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- zal verklaren voor recht dat de erven [naam 1] hun aandeel in de vakantie woning verbeurd hebben aan [naam 2];

- de erven [naam 1] zal veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [gedaagden 1 en 2] te hebben afgegeven de aangiften voor de rechten van schenking en successie van wijlen [naam 1], zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag, dat de erven [naam 1] daarmee in gebreke blijven of mochten blijven;

- de erven [naam 1] zal veroordelen, zulks totdat de vakantiewoning uit de nalatenschap komt te verkeren, bij helfte mee te dragen in de vaste lasten van de vakantiewoning (ook die welke reeds betaald zijn), zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag, dat de erven [naam 1] daarmee in gebreke blijven of mochten blijven;

- de erven [naam 1] zal veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.

5.2. [gedaagden 1 en 2] hebben hun vorderingen, onder verwijzing naar hun verweer in conventie, als volgt onderbouwd.

Door een beroep te doen op de handgeschreven verklaring van de vader, maken de erven [naam 1] gebruik van een vervalst document, omdat die verklaring niet van de vader afkomstig is. Op grond van art. 3:194 lid BW hebben zij daardoor het vakantiehuisje verbeurd aan de erven [naam 2].

Op 23 maart 1995 hebben de erven [naam 1] een boedelvolmacht gegeven aan [naam 5], een broer van de moeder, om de aangiften voor de rechten van schenking en successie te doen opmaken. Die aangiften wensen [gedaagden 1 en 2] te ontvangen aangezien daaruit valt op te maken wat tot de nalatenschap van de moeder behoorde c.q. behoort.

Totdat de vakantiewoning daadwerkelijk is verdeeld, hebben [gedaagden 1 en 2] er recht en belang bij dat de erven [naam 1] bij helfte meedragen in de vaste lasten van de vakantiewoning.

6. Het verweer in reconventie

6.1. De erven [naam 1] hebben geconcludeerd dat de rechtbank, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen zal afwijzen

- met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1 en 2], des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding in reconventie,

- onder de bepaling dat [gedaagden 1 en 2] zullen worden veroordeeld in de nakosten welke zonder betekening van het te wijzen vonnis € 131,00 bedragen en € 199,00 met betekening,

- alles met bepaling dat, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan, daarover wettelijke rente verschuldigd is.

6.2. De erven [naam 1] hebben hun verweer als volgt onderbouwd.

Zij betwisten dat de vakantiewoning aan [gedaagden 1 en 2] is verbeurd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 3:194 lid BW.

Bij de vordering tot het afgeven van de aangiften voor de rechten van schenking en successie van de moeder hebben [gedaagden 1 en 2] geen belang. Bovendien hebben zij die aangiften niet en wordt er geen rekening mee gehouden dat die aangiften er misschien niet meer zijn. Gewoonlijk hoeven die niet langer dan vijf jaar te worden bewaard.

De vordering ten aanzien van het bijdragen in de vaste lasten van de vakantiewoning gaat ervan uit dat er feitelijk nog een gemeenschap bestaat en dat [gedaagden 1 en 2] thans de volledige lasten voor hun rekening nemen. Dat is niet het geval. Zij geven ook geen specificatie van die vaste lasten.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. Voor zover de erven [naam 1] hebben beoogd te stellen dat de vader en de moeder, destijds in het kader van de echtscheiding in 1990, hebben afgesproken dat de vakantiewoning aan de moeder zou worden toegedeeld, maar dat die afspraak nog niet is nagekomen, geldt dat die afspraken zijn verjaard.

De vordering tot nakoming verjaart immers op de voet van artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vijf jaar na het opeisbaar worden van de vordering tot nakoming van de afspraak. Na het overlijden van de moeder is de afspraak in elk geval opeisbaar geworden, zoals door [gedaagden 1 en 2] terecht is opgemerkt.

De erven [naam 1] stellen echter ook dat de vader en de moeder praktisch alles hebben verdeeld, maar formeel niet. Voor zover zij daarmee hebben beoogd te stellen dat de toedeling van de vakantiewoning aan de moeder, in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, reeds heeft plaats gevonden, is hun vordering niet verjaard. In dat geval behoort de vakantiewoning immers geheel tot de nalatenschap van de moeder en op grond van artikel 3:306 juncto 3:315 BW verjaart een vordering tot opeising van een nalatenschap pas twintig jaar na het overlijden van erflater. Een formele overdracht van de vakantiewoning was overigens niet vereist voor de toedeling, omdat de vakantiewoning al op naam van de moeder stond.

7.2. Tegenover de stelling van de erven [naam 1] dat de vakantiewoning al was toegedeeld aan de moeder, hebben [gedaagden 1 en 2] uitdrukkelijk betwist dat er al een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de vader en de moeder heeft plaatsgevonden. Gelet op die betwisting ligt het in beginsel op de weg van de erven [naam 1] om dat te bewijzen. Dat bewijs betreft dus niet enkel een afspraak over de verdeling tussen de vader en de moeder, maar ook dat er een toedeling van de vakantiewoning aan de moeder heeft plaatsgevonden.

Ten behoeve van dat bewijs beroepen zij zich op de door de vader zelf geschreven en ondertekende verklaring d.d. 30 november 1989 en op de brief van (destijds) de advocaat van de moeder d.d. 30 november 1989. De brief geeft weliswaar een voorstel voor een verdeling – en niet een vaststelling daarvan - maar in dat voorstel worden de vakantiewoning en de lening, die in 1988 is aangegaan voor de aankoop van die vakantiewoning, in het geheel niet genoemd. Niet betwist is dat die lening is aangegaan en dat die, evenals de vakantiewoning, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde ten tijde van de echtscheiding. Ook in de door de vader zelf geschreven en ondertekende verklaring wordt niet gerept over de lening of de toedeling van de vakantiewoning. Daarin gaat het uitsluitend over het afzien van de eventuele overwaarde van de vakantiewoning door de vader. Uitleg van die verklaring houdt de mogelijkheid open dat de vader daarmee de overwaarde in de toekomst bedoelde, als er verdeeld zou gaan worden.

Nog daargelaten dat door [gedaagden 1 en 2] wordt betwist dat die verklaring van de vader afkomstig is, acht de rechtbank de verklaring en de brief, ook in samenhang bezien, onvoldoende om vast te stellen dat er tussen de vader en de moeder sluitende afspraken zijn gemaakt over de toedeling van de vakantiewoning aan de moeder in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Daar komt nog bij dat tijdens de comparitie van partijen onbetwist is verklaard

- namens [gedaagden 1 en 2]:

“Tussen 1990 en eind 1992 is [gedaagde 1] geregeld op bezoek geweest in het vakantiehuis. Hij heeft toen gezien dat moeder [naam 1] en vader [naam 2] toen samen in dat vakantiehuis woonden. Vader [naam 2] was alleen overdag in de dierenzaak en de woning aan het [adres]. (…) Eind 1992 (…) Moeder [naam 1] was toen al ziek en ik weet dat vader [naam 2] haar tot haar dood heeft verzorgd in het zomerhuisje.(…)”

en

“Het is ons niet bekend dat vader [naam 2] heeft samengewoond met mevrouw [naam 6]. Wel weten wij dat mevrouw [naam 6] vader [naam 2] de laatste maanden voor zijn dood heeft geholpen en verzorgd.”

en

“Na de rechtszaak is de betalingsovereenkomst nagekomen in die zin dat moeder [naam 1] elke maand het bedrag van fl. 487,78 aan mij overmaakte. Na het overlijden van moeder [naam 1], heeft vader [naam 2] die betalingen overgenomen. (…)”

- namens de erven [naam 1]:

“ Mevrouw [naam 6] heeft na de dood van moeder [naam 1] jaren samengewoond met vader [naam 2] in het vakantiehuisje.(…)”

en

(…)“Na het overlijden van vader [naam 2] zijn we gebeld door [gedaagde 1] met het verzoek of mevrouw [naam 6] in het huis kon blijven wonen. (…) Mevrouw [naam 6] is tot 30 april 2009 in het vakantiehuis blijven wonen en heeft daarna de sleutel teruggeven. Die sleutel ligt nu bij een notaris. “

De rechtbank leidt hieruit af dat de vader en de moeder na de echtscheiding in 1990 nog tot de dood van de moeder in 1994 hebben samengewoond in de vakantiewoning en dat de vader daarna tot zijn dood in 2009 in de vakantiewoning heeft gewoond. Bovendien blijkt uit de verklaringen ter comparitie dat de vader, na het overlijden van de moeder, de afbetaling van de lening van [gedaagde 1] heeft overgenomen van de moeder en een groot aantal aflossingen heeft betaald. Dat valt niet te rijmen met het uitgangspunt van de erven [naam 1] dat aan de moeder de vakantiewoning èn de lening, die in 1988 voor de aankoop van die woning is aangegaan, is toegedeeld.

Deze omstandigheden maken het nog minder aannemelijk dat de vakantiewoning definitief aan de moeder is toegedeeld in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

7.3. Geconcludeerd wordt dat op grond van de overlegde stukken, ook als deze als echt komen vast te staan, niet blijkt dat er tussen de vader en de moeder sluitende afspraken zijn gemaakt over de toedeling van de vakantiewoning aan de moeder in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat die afspraken zijn geëffectueerd in een feitelijke verdeling. Ook overigens zijn er door de erven [naam 1] geen feiten gesteld waaruit, indien bewezen, dat zou kunnen worden afgeleid. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verdere bewijsvoering op dit punt.

7.4. Blijft nog over de stelling van de erven [naam 1] ter comparitie van partijen dat het afzien van de eventuele overwaarde van de vakantiewoning door de vader vast staat op grond van de handgeschreven verklaring. Nu niet is komen vast te staan dat de vakantiewoning in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is toegedeeld aan de moeder, kan aan die ‘afspraak’ niet zonder meer zelfstandige betekenis worden toegekend, nog afgezien van de vraag of de verklaring inderdaad van de vader is. Voor zover de vader en de moeder afspraken hebben gemaakt over die toedeling, zijn zij daar kennelijk op terug gekomen. De rechtbank leidt dat af uit de onweersproken verklaring door of namens [gedaagden 1 en 2] ter comparitie, dat de vader, na het overlijden van de moeder, de afbetaling van de lening van [gedaagde 1] heeft overgenomen en een groot aantal aflossingen heeft betaald. Dat valt niet te rijmen met het uitgangspunt van de erven [naam 1] dat aan de moeder de vakantiewoning èn de lening, die in 1988 voor de aankoop van die woning is aangegaan, is toegedeeld. Dat maakt ook onzeker dat de vader definitief heeft afgezien van de ‘overwaarde’ van de vakantiewoning.

7.5. Het voorgaande betekent dat de vakantiewoning, evenals de in 1988 afgesloten lening, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde ten tijde van de echtscheiding en dat bij leven van moeder en vader geen verdeling heeft plaatsgevonden. Bij het overlijden van de moeder in 1994 behoorde tot haar nalatenschap de ongedeelde helft van de vakantiewoning en de helft van (het restant van) de lening. De erven [naam 1], alsmede [naam 4], waren toen als erfgenamen ieder voor een vierde deel tot die nalatenschap gerechtigd, dus ieder tot een achtste deel van de vakantiewoning en (het restant van) de lening.

Bij het overlijden van [naam 4] in 1996 behoorde tot zijn nalatenschap dat achtste deel van de vakantiewoning en (het restant van) de lening. De erven [naam 1] , alsmede de vader, waren toen als erfgenamen ieder voor een vierde deel gerechtigd tot die nalatenschap, dus ieder tot 1/32e deel van de vakantiewoning en (het restant van) de lening uit de nalatenschap van [naam 4].

Samen zijn de erven [naam 1] dus gerechtigd tot 3/8e deel plus 3/32e deel van de vakantiewoning en (het restant van) de lening, dat is 15/32e deel van de vakantiewoning en (het restant van) de lening. Het restant van die lening bedraagt volgens de verklaring van [gedaagden 1 en 2] ter comparitie thans ongeveer € 15,.500,00.

Op grond van artikel 3:178 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is een vordering tot verdeling van een onverdeeldheid niet aan verjaring onderhevig. De erven [naam 1] hebben evenwel geen recht op een overdracht van de (onverdeelde) helft van de vakantiewoning, zoals door hen is gevorderd. Daarbij zijn zij er immers vanuit gegaan dat zij, als erfgenamen van de moeder, de andere onverdeelde helft reeds van de moeder hadden geërfd en zij dus recht hebben op het geheel van de vakantiewoning. Zij hebben echter slechts recht op 15/32e deel ervan. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

7.6. De erven [naam 1] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

7.7. De kosten aan de zijde van [gedaagden 1 en 2] worden begroot op:

- vast recht 262,00 (waarvan EUR 98,25 in debet)

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

7.8. De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagden worden begroot op

nihil.

in reconventie

7.9. De vordering ter zake van het verbeurd zijn van de vakantiewoning kan de rechtbank niet volgen. Zelfs als de handgeschreven verklaring niet van de vader afkomstig is, betekent dat nog niet dat er een tot de huwelijksgoederengemeenschap van de vader en de moeder behorend goed is verzwegen, zoek gemaakt of verborgen is gehouden, zoals bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. Om die reden zal de vordering in zoverre worden afgewezen.

7.10. Gelet op de overwegingen en de beslissing in conventie hebben [gedaagden 1 en 2] er geen belang meer bij dat zij kunnen beschikken over de aangiften van de rechten van schenking en successie van wijlen [naam 1]. Zij zijn immers geheel in het gelijk gesteld ten aanzien van de vraag in hoeverre de vakantiewoning tot de nalatenschap van de moeder behoorde c.q. behoort. Om die reden zal ook deze vordering worden afgewezen.

7.11. Ten aanzien van de vordering tot het bijdragen aan de vaste lasten van de vakantiewoning is artikel 3: 172 BW van toepassing. Daarin wordt bepaald dat de deelgenoten in een gemeenschappelijk goed naar evenredigheid van hun aandelen bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Daaronder vallen ook de lopende vaste lasten, zoals de Onroerend Zaak Belasting, en de kosten van gas, water en licht. In beginsel dienen alle deelgenoten in de onverdeelde vakantiewoning dus naar evenredigheid van hun aandeel in die kosten bij te dragen. Voor de erven [naam 1] is dat samen voor 15/32e deel en dus niet voor de helft. Onduidelijk is echter welke bedragen de erven [naam 2] aan die vaste lasten uit eigen zak hebben betaald en nog gaan betalen. Daarover hebben [gedaagden 1 en 2] onvoldoende gesteld. Zij hebben slechts enkele rekeningen en bankafschriften overgelegd.

Bovendien hebben beide partijen bij de comparitie aangegeven, dat zij voornemens zijn de vakantiewoning te gaan verkopen en de opbrengst daarna te verdelen. Onder die omstandigheid ligt het meer voor de hand dat partijen bij de verdeling van de opbrengst de sinds het overlijden van de vader door (een van) partijen betaalde vaste lasten in aftrek brengen. Partijen dienen daarover gezamenlijk overleg te voeren en het eens te worden, alvorens tot een uitkering uit de opbrengst wordt overgegaan.

Op de voorgaande gronden zal de vordering op dit punt, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

7.12. [gedaagden 1 en 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

7.13. De kosten aan de zijde van de erven [naam 1] worden begroot op:

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. wijst de vorderingen af,

8.2. veroordeelt de erven [naam 1] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden 1 en 2] tot op heden begroot op EUR 1.166,00, waarvan een bedrag van EUR 98,25 dient te worden betaald aan de griffier van de rechtbank, en aan de zijde van [gedaagden 3 en 4] tot op heden begroot op nihil,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

8.4. wijst de vorderingen af,

8.5. veroordeelt [gedaagden 1 en 2] in de proceskosten, aan de zijde van de erven [naam 1] tot op heden begroot op EUR 904,00

8.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.M. Boon en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2010.?