Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM9302

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
365708 CV EXPL 09-801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Dexia-aanbod aanvaard. Herroeping handtekening niet mogelijk. Verwijzing naar arrest Hof Amsterdam 14 oktober 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector kanton – Locatie Oude IJsselstreek

zaaknummers: 365708 CV EXPL 09-801

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

de buitenlandse vennootschap VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,

gevestigd te Dublin,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. G.J. Schras, advocaat te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde],

wonende te Doetinchem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: [naam, echtgenoot van gedaagde].

Partijen zullen hierna respectievelijk Varde en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 maart 2009,

- het verslag van de rolzitting van 23 april 2009 en de daarbij gevoegde schriftelijke verklaring,

- de als conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aan te merken brief van de zijde van [gedaagde] van 1 mei 2009

- de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie,

- de als conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie aan te merken brief van de zijde van [gedaagde] van 2 juli 2009,

- de conclusie van dupliek in reconventie

Tenslotte is vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Op 8 december 2000 is [gedaagde] met (de rechtsvoorganger van) Dexia Bank Nederland B.V. (hierna te noemen: Dexia), een vijftal overeenkomsten van aandelenlease aangegaan (producties 2 bij dagvaarding).

De leaseovereenkomsten, onder de namen “Korting Kado”, ‘WinstVerDriedubbelaar’, ‘Winstver10dubbelaar’ en “Bespaarplan” dragen de nummers [nummer 1, nummer 2, nummer 3, nummer 4, nummer 5] en hadden verschillende looptijden. [gedaagde] heeft hiervoor in totaal (eenmalige inleg) € 21.924,36 aan Dexia voldaan.

2.2. Op 5 juni 2003 heeft [gedaagde] vijf formulieren ingevuld en ondertekend en aan Dexia teruggezonden (hierna te noemen: de aanbodovereenkomsten) Op ieder van deze formulieren (productie 3 bij dagvaarding) is onder meer het volgende te lezen:

“Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod

(…)

Ja, ik ga in op het Dexia Aanbod.

Door ondertekening van dit formulier, dat voor zoveel nodig geldt als een akte, ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod moet, voor zoveel nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen, gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen. (…)”

Het gedeelte “ondertekening Deelnemer” is steeds ingevuld met de naam [naam], plaats, datum, handtekening en paspoortnummer. Bij het gedeelte “Ondertekening echtgeno(o)t(e)” is steeds de naam [naam, echtgenoot van gedaagde], plaats en datum, handtekening en nummer legitimatiebewijs ingevuld.

2.3. Bij brief van 28 maart 2007 (bijlage I bij de brief van 1 mei 2009 van de zijde van [gedaagde]) heeft [gedaagde] aan mr. J.R.E. Kielstra geschreven: “(…) Naar aanleiding van de uitspraak door het gerechtshof te Amsterdam op 25 januari 2007 waarin het verzoek tot verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling verbindend werd verklaard, deel ik u mede dat ik niet aan deze regeling gebonden wil zijn. Mijn relatienummer bij Dexia is als volgt: [nummer] (…)”.

2.4. Op 3 april 2007 (Bijlage II bij de brief van 1 mei 2009 van de zijde van [gedaagde]) heeft Dexia aan [gedaagde] geschreven: “(…) Onlangs hebben wij via notaris mr. J.R.E. Kielstra vernomen dat u niet aan de Duisenberg-Regeling gebonden wilt zijn. (…) Wij informeren u dat uit onze administratie is gebleken dat u voor een of meerdere (effectenlease-)overeenkomsten geen zogenaamde opt-out verklaring bij de notaris kunt indienen. (…) In uw geval kan het bijvoorbeeld zijn doordat u het Dexia Aanbos heeft aanvaard, (…).”

2.5. Op 10 januari 2008 heeft EDR Incasso aan [gedaagde] vijf brieven geschreven (productie 1 bij dagvaarding) met steeds de volgende inhoud:

“(…) Betreft: Schuld aan Dexia Bank Nederland N.V.

(…)

(…) Deze brief gaat over uw beëindigde effectenlease contract bij Dexia (…)

Wij zijn een bij de NVI (…) aangesloten incasso organisatie en handelen in opdracht van Varde Investments (Ireland) Limited (hierna VIIL).

(…)

Namens VIIL stellen wij u ervan in kennis dat VIIL, door middel van een geregistreerde akte van cessie, de vordering(en) heeft verkregen die Varde op u heeft (…) Dit betekent dat WIIL thans de rechtmatige schuldeiser is en u uitsluitend bevrijdend aan VIIL kun betalen, via ons, EDR Incasso, (…) Deze brief is een mededeling als bedoeld in artikel 94 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

(…)

Uw schuld uit het contract met nummer (…) bedraagt momenteel (…) (inclusief rente en verschuldigde incasso-kosten).

De rechter heeft gesproken

Deze schuld staat vast. Er is geen verweer meer tegen mogelijk. Dat is vanwege het volgende.

Op grond van de Duisenbergregeling hebben klanten met een effectenlease met Dexia of haar rechtsvoorgangers, die daarvoor in aanmerking komen, een bepaalde korting op hun schuld verkregen. Het Gerechtshof in Amsterdam heeft op 25 januari 2007 de Duisenbergregeling verbindend verklaard. Door deze verbindend verklaring geldt de Duisenbergregeling voor iedereen met een effectenleasecontract met Dexia of haar rechtsvoorgangers.

Daarnaast hebben sommige klanten van Dexia een regeling als het Dexia Aanbod of expliciet de Duisenbergregeling aanvaard. Op grond van deze regelingen, die meerdere keren door de rechtbanken zijn bekrachtigd, zijn klanten ook gehouden hun schuld te voldoen.

(…)”.

De in de brieven genoemde bedragen zijn € 2.675,62, € 17.266,18, € 14.015,80, € 2.489,24 en € 11.175,13.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Varde vordert dat de rechtbank, sector kanton, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 48.129,56, vermeerderd met de wettelijke rente over € 39.588,27 berekend vanaf 10 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder nakosten.

3.2. Varde stelt hiertoe dat tussen Dexia en [gedaagde] vaststellingsovereenkomsten zijn gesloten: de aanbodovereenkomsten. De vordering van Dexia op [gedaagde] is door cessie op Varde overgegaan, zodat Varde gerechtigd is tot de bedragen die zij thans vordert aan hoofdsommen en rente. Daarnaast is [gedaagde] aan Varde een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Dit bedrag is te stellen op € 5.938,24.

3.3. [gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] is primair van mening dat de aandelenleasecontracten al vernietigd zijn, zodat de aanbodovereenkomsten geen waarde kunnen hebben. [naam, echtgenoot van gedaagde], de echtgenoot van [gedaagde], heeft bij brief van 27 maart 2003 aan Dexia geschreven de nietigheid van de overeenkomsten in te roepen. Omdat Dexia niet reageerde op de vernietigingsbrief van [naam, echtgenoot van gedaagde] en vanwege de tijdsdruk die door Dexia werd uitgeoefend voelden [gedaagde] en [naam, echtgenoot van gedaagde] zich gedwongen de aanbod-overeenkomsten te tekenen, omdat dat de enige mogelijkheid leek om de restschuld renteloos af te lossen. Nu deze overeenkomsten betrekking hebben op al eerder vernietigde overeenkomst van aandelenlease, zijn ze niet van waarde. Bij brief van 17 december 2004 heeft [naam, echtgenoot van gedaagde] zijn handtekening onder de aanbodovereenkomsten ingetrokken.

in reconventie

3.4. Het verweer in conventie mondt uit in een vordering van [gedaagde] in reconventie. Zij vordert daarbij:

1. veroordeling van Varde/Dexia tot volledige terugbetaling van het bedrag van de totale inleg, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2000

2. veroordeling van Varde/Dexia tot terugbetaling van de gedeeltelijk al betaalde restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

3. kwijtschelding van de nog openstaande restschuld.

3.5. [gedaagde] legt daaraan ten grondslag hetgeen zij ook als verweer heeft gevoerd. Als Dexia tijdig had gereageerd op de vernietigingsbrief en [gedaagde] had geïnformeerd over de verplichte toestemming van de echtgenoot voor het aangaan van effectenleaseproducten, had [naam, echtgenoot van gedaagde] de aanbodovereenkomsten niet getekend. Dexia is jegens [gedaagde] in gebreke gebleven. [gedaagde] heeft een opt-out-verklaring afgegeven, maar die is geweigerd vanwege de aanbodovereenkomsten. De aandelenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en [gedaagde] heeft recht op terugbetaling van alle door haar aan Dexia betaalde gelden. Vastgesteld dient ook te worden dat er geen restschuld is.

3.6. Varde voert verweer tegen de vordering. Met name voert zij aan dat [gedaagde] door het sluiten van de aanbodovereenkomsten afstand heeft gedaan van eventuele tegenvorderingen. Voor zover er nog grond voor een tegenvordering zou zijn, betreft deze een vordering op Dexia en niet op Varde.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en verweren in conventie en in reconventie, zullen deze tegelijk worden beoordeeld.

4.2. Het eerste verweer van [gedaagde] betreft het inroepen van de nietigheid door [naam, echtgenoot van gedaagde], bij brief van 27 maart 2003. Varde betwist dat deze brief door Dexia is ontvangen.

Of [gedaagde]s echtgenoot de nietigheid van de aandelenleaseovereenkomsten heeft ingeroepen kan echter in het midden blijven. Ook al zou de nietigheid ingeroepen zijn, dan heeft dat niet het daarmee beoogde effect gehad. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3. De aanbodovereenkomsten zijn te beschouwen als vaststellingsovereenkomsten, zoals volgt uit de jurisprudentie, onder meer in de uitspraak van het Gerechtsof te Amsterdam op 14 oktober 2008 (NJ 2009,101) en Gerechtshof Den Bosch,

1 september 2009 (LJN BK9979). Dit brengt mee dat, zoals het Gerechtshof Amsterdam in het arrest van 25 januari 2007 (LJN AZ 7033) overweegt: “óók wordt prijsgegeven eventuele vorderingen in verband met overeenkomsten die reeds door buitengerechtelijke verklaring van de belegger of zijn eega zijn vernietigd, en in het algemeen ook eventuele vorderingen in verband met overeenkomsten die ingevolge artikel 3:40 BW (...) nietig, reeds vernietigd, of nog vernietigbaar zijn. De (…) overeenkomst is immers een vaststellingsovereenkomst en dus een overeenkomst waarbij de partijen (...) ter beëindiging van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling van hetgeen tussen hen rechtens geldt, welke vaststelling bestemd is om ook te gelden voor zover zij mocht afwijken van de tevoren bestaande rechtstoestand.” Even als de WCAM-overeenkomst, waarover in deze laatstgenoemde uitspraak door het Gerechtshof werd geoordeeld, is ook de aanbodovereenkomst een vaststellingsovereenkomst. Onder meer ten aanzien van de vraag of de aandelenlease-overeenkomsten door [naam, echtgenoot van gedaagde] rechtsgeldig waren vernietigd, bestond verschil van mening tussen Dexia en [gedaagde], zodat van onzekerheid in de hier bedoelde zin sprake was. Deze onduidelijkheid is beëindigd doordat een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarbij partijen vaststellen hoe hun posities vanaf dat moment jegens elkaar zullen zijn.

4.4. [gedaagde] stelt dat [naam, echtgenoot van gedaagde] zijn instemming met de aanbodovereenkomsten heeft ingetrokken en zijn handtekeningen heeft herroepen bij brief van 17 december 2004. Voor zover [gedaagde] hiermee bedoelt dat zij als gevolg van het inroepen van enige wettelijke remedie niet meer aan deze aanbodovereenkomsten gebonden is, heeft zij onvoldoende aangevoerd om die conclusie te rechtvaardigen. [gedaagde] heeft ook niet weersproken dat in de tot de aanbodovereenkomsten behorende bepalingen is opgenomen dat partijen afstand doen van hun recht op ontbinding van de overeenkomst.

4.5. De verweren van [gedaagde] komen neer op een beroep op dwaling of misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de aanbodovereenkomsten. De kantonrechter sluit zich aan bij de in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 oktober 2008 gegeven oordeel en motiveringen ten aanzien van dwaling en misbruik van omstandigheden en neemt deze over. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een situatie van misbruik van omstandigheden. Evenmin kan gesproken worden van dwaling. [gedaagde] heeft hiervoor onvoldoende gesteld.

Indien [gedaagde] uit de haar ter beschikking gestelde informatie onvoldoende duidelijkheid kreeg over de inhoud en gevolgen van het aanbod en in verwarring werd gebracht door de stelligheid van uitlatingen van Dexia daarin over haar positie, had het op haar weg gelegen zich daaromtrent nader door Dexia of een derde te laten informeren alvorens tot ondertekening van de overeenkomsten over te gaan. Dexia mocht dat ook van haar verwachten. In de door [gedaagde] en [naam, echtgenoot van gedaagde] ondertekende overeenkomsten is immers ook opgenomen dat de overeenkomst door hen is gelezen en begrepen. Dexia mocht daar dan ook van uit gaan.

4.6. Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomsten bestaat geen grond meer voor beoordeling van de (on)geldigheid van de overeenkomst van aandelenlease. [gedaagde] kan dit geschilpunt niet thans alsnog aan de orde stellen. Evenmin kan [gedaagde] een op de nietigheid van de overeenkomst van aandelenlease gebaseerde gestelde tegenvordering aan Varde tegenwerpen. Aangenomen moet immers worden dat het al dan niet bestaan van een tegenvordering onderdeel vormt van de geschilpunten ter beëindiging waarvan de vaststellingsovereenkomst gesloten is. De vordering in reconventie kan dan ook niet slagen.

4.7. Omtrent de hoogte van de vordering heeft [gedaagde] inhoudelijk geen verweer gevoerd, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Dit betreft volgens Varde in hoofdsommen € 39.588,27 en aan wettelijke rente tot 10 januari 2008 € 2.603,05.

4.8. De vordering met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten kan niet worden toegewezen. Varde heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan enkele aanmaningen, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.9. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie worden veroordeeld. Gelet op de samenhang worden de proceskosten in reconventie aan de zijde van Varde begroot op nihil. De kosten in conventie aan de zijde van Varde worden begroot op € 296,75 aan verschotten en € 1.200,00

(2 punten x tarief € 600,00) aan salaris gemachtigde. De door de gedaagde gevorderde nakosten zijn evenwel niet toewijsbaar, nu daarvoor zo nodig separaat een bevelschrift behoort te worden verkregen.

5. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Varde van het bedrag van € 42.191,32, vermeerderd met de wettelijke rente over € 39.588,27 vanaf 10 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Varde tot op heden begroot op € 1.496,75,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

5.5. wijst de vordering af,

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Varde tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.?