Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM7610

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
112206 KG RK 10-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 112206 KG RK 10-339

Beslissing van 28 mei 2010 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende [adres, plaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

[rechter],

vice-president in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot wraking van 13 april 2010, strekkende tot wraking van

de rechter in de procedure met het nummer 10/291 ZORG 251, op 14 april 2010 ingekomen bij de griffie van deze rechtbank;

- de schriftelijke reactie van [rechter] van 28 april 2010, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoekschrift tot wraking;

- de schriftelijke reactie van mr. A.D. Schreutelkamp, ingediend namens Belastingdienst Toeslagen van 6 mei 2010;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

18 mei 2010.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft in zijn verzoek aangevoerd dat hij de rechter, die de zaak in de procedure met het nummer 10/291 ZORG 251 behandelt, wraakt omdat deze rechter corrupt, onbekwaam en partijdig is. Daarnaast is door verzoeker aangevoerd dat uit de uitnodiging voor de behandeling ter terechtzitting de vooringenomenheid van de behandelend rechter blijkt, nu in de uitnodiging wordt aangegeven dat ter terechtzitting enkel de niet-ontvankelijkheid van het beroep zal worden behandeld.

3. Standpunt van [rechter]

[rechter] heeft bij schriftelijke reactie van 28 april 2010 het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.

4.4. Verzoeker is per brief van 19 maart 2010 opgeroepen voor de behandeling van de zaak met procedurenummer 10/219 ZORG 251 op 15 april 2010. Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking mede gebaseerd op een specifieke zin uit deze oproep. Deze zin luidt als volgt:

‘Tijdens de zitting zal uitsluitend de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar of het beroep worden behandeld’.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, anders dan door verzoeker is aangevoerd, niet dat de rechter reeds heeft bepaald dat het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk is. Uit de overige inhoud van de brief, waarin meegedeeld wordt dat verzoeker ter terechtzitting zijn standpunt nader kan toelichten, concludeert de rechtbank dat ter terechtzitting de ontvankelijkheid van verzoekers beroep zal worden beoordeeld. De zin betreft dus uitsluitend een mededeling over het verloop van de procedure, en betreft géén inhoudelijke beslissing. Hoewel het zorgvuldiger zou zijn geweest als het woord ‘niet-’ tussen haakjes zou zijn geplaatst, levert het ontbreken hiervan bepaald geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 4.2. bedoeld. Het verzoek tot wraking van

[rechter] is, voor zover het betrekking heeft op wat hiervoor is overwogen, dan ook ongegrond en wordt afgewezen.

4.7. Ten aanzien van de overige door verzoeker in zijn wrakingsverzoek aangevoerde gronden overweegt de rechtbank het volgende.

4.8. Het verzoek om wraking zoals door verzoeker ingediend, behelst het op voorhand wraken van iedere rechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank die de zitting van 15 april 2010 zal voorzitten. Hiermee worden aldus alle leden van de sector bestuursrecht, dan wel de sector bestuursrecht als geheel, op voorhand gewraakt.

4.9. Uit de aard en het doel van wraking volgt dat een wraking betrekking moet hebben op een met name genoemde rechter en moet worden onderbouwd met concrete, op de betrokken rechter toegespitste argumenten. Het verzoekschrift is in algemene bewoordingen gesteld en bevat dergelijke argumenten niet. Daarmee voldoet het verzoekschrift niet aan voormelde eisen en valt dan ook niet te duiden als een wrakingsverzoek. Het verzoek zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.10. Nu het de rechtbank ambtshalve bekend is dat verzoeker reeds vele malen wrakingsverzoeken heeft ingediend op grond waarvan ervan kan worden uitgegaan dat het verzoeker bekend is aan welke inhoudelijke eisen een dergelijk verzoek dient te voldoen, vindt de rechtbank aanleiding om op voet van artikel 8:18 Awb te bepalen dat een volgend verzoek in bovengemelde zaken niet in behandeling zal worden genomen.

4.11. De beslissing luidt daarom als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van [rechter], voor zover het verzoek betrekking heeft op de brief van 19 maart 2010, af;

- verklaart [verzoeker] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter die de zaak bij deze rechtbank, bekend onder nummer 10/219 ZORG 251, ter zitting van 15 april 2010 behandelt;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van hem in de zaak met nummer 10/219 ZORG 251 niet in behandeling genomen wordt.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Vrieze, voorzitter, mrs. J.B. de Groot en

A.B.A.P.M. Varenhorst, vice-presidenten, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Demmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.