Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM7090

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
09/1364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college van B en W van de gemeente Epe heeft terecht geweigerd vrijstelling te verlenen om permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 09/1364

Uitspraak in het geding tussen:

[eisers]

te [plaats],

eisers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 9 november 2007 hebben eisers verweerder verzocht vrijstelling te verlenen om permanente bewoning van hun recreatiewoning aan [adres te plaats] (hierna respectievelijk: de recreatiewoning en het perceel) mogelijk te maken.

Bij besluit van 19 december 2007 heeft verweerder geweigerd een dergelijke vrijstelling te verlenen.

Bij besluit van 22 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben daartegen bij brief van 24 augustus 2009 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 april 2010, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door B.W. Leerink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. Bovendorp en E.A. Beswerda.

2. Overwegingen

2.1 Niet in geschil is dat eisers de recreatiewoning gebruiken voor permanente bewoning en dat dit gebruik in strijd is met de bestemming "Recreatiewoning", die ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" op het perceel rust.

2.2 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn bedoelde gronden bestemd voor het recreatief verblijven in recreatiewoningen, met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, erven, terreinen en tuinen.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik ten aanzien van de in artikel 19 bedoelde gronden en opstallen in ieder geval verstaan het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), zoals dat van 1 juni 2007 tot 1 juli 2008 luidde, komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning in aanmerking, mits:

1e. deze voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003, de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt vrijstelling, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder g, in elk geval geweigerd indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen gevoerd handhavingsbeleid.

2.3 Verweerder heeft geweigerd vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan ingevolge artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985.

2.3.1 Volgens de nota van toelichting bij artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985 (Stb. 2007, 107) is van 'gevoerd handhavingsbeleid' in ieder geval sprake indien een gemeente een beleid heeft vastgesteld en kenbaar gemaakt met een visie op hoe zij haar beleid denkt te handhaven, in dat verband tevens een peildatum waarop zij gaat handhaven heeft vastgesteld en kenbaar gemaakt, alsmede dat beleid daadwerkelijk uitvoert.

2.3.2 Bij uitspraak van 7 oktober 2009 (zaak nr. 200901903/1, LJN: BJ9524) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een uitspraak van deze rechtbank van 28 januari 2009 (reg.nr. 08/444) in een soortgelijke zaak bevestigd. Ook in deze zaak trad het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Epe als verweerder op.

De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer overwogen dat verweerder op 4 maart 1981 handhavingsbeleid ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen bekend heeft gemaakt en dat verweerder dit beleid ook daadwerkelijk voerde op 31 oktober 2003 zoals bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985. Om die reden heeft verweerder in het in die zaak beoordeelde geval terecht geweigerd vrijstelling te verlenen.

2.3.3 In hetgeen eisers hebben aangevoerd vindt de rechtbank geen aanknopingspunten om in het geval van eisers tot een ander oordeel te komen. Eisers hebben onder meer aangevoerd dat zij hun recreatiewoning sinds 1997 permanent bewonen. Omdat deze datum is gelegen na de ‘peildatum’ van 4 maart 1981, zijnde de datum waarop verweerder zijn handhavingsbeleid ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen bekend heeft gemaakt, kan deze omstandigheid niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. De stelling dat verweerder eisers niet eerder heeft aangeschreven, leidt evenmin tot het oordeel dat geen sprake was van daadwerkelijk gevoerd handhavingsbeleid in vorenbedoelde zin. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak ten aanzien van een soortgelijke stelling overwogen dat de omstandigheid dat verweerder tussen 4 maart 1981 en 31 maart 2003 niet steeds met dezelfde intensiteit heeft gehandhaafd, niet tot het oordeel leidt dat van daadwerkelijk gevoerd handhavingsbeleid geen sprake is. Het rapport ‘Inspectie VROM regelgeving gemeente Epe’ van juli 2005, waarnaar eisers hebben verwezen, kan evenmin tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in voormelde uitspraak van 28 januari 2009, heeft verweerder wegens capaciteitsgebrek prioriteiten ten aanzien van haar handhaving gesteld en gehandhaafd waar de veiligheid in het geding was, dan wel de overtreding eenvoudig was vast te stellen. Het oordeel dat deze omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat geen sprake was van daadwerkelijk gevoerd handhavingsbeleid in de zin van artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985, heeft de Afdeling in voormelde uitspraak van 7 oktober 2009 bevestigd.

2.4 Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een andere conclusie.

2.5 Gelet op het hiervoor overwogene is het beroep ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.