Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM6779

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
06/940060-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voor het medeplegen van handelen in soft- en harddrugs. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van een medeverdachte ongeloofwaardig zou zijn, is door de rechtbank verworpen. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, wat maakt dat niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een forse werkstraf is opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940060-10

Uitspraak d.d.: 4 juni 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Griekenland) op [1963],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman mr. A.L.M. Vreeswijk te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2010.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 09 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) ongeveer 557 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), althans alleen, opzettelijk

- als bestuurster/bijrijdster met een personenauto gereden op de Rijksweg A1 in de richting van Amersfoort en/of Hengelo (Ov) en/of

- vanuit die personenauto genoemde hoeveelheid cocaïne in een vrachtwagen (gekentekend [kenteken]) ten (verder) vervoer afgegeven en/of (over)geladen en/of

- contact gelegd en/of onderhouden met een of meer (mede)organisator(en) over de route die die vrachtwagen zou nemen en/of instructies gegeven en/of gekregen en/of afspraken gemaakt over (onder meer) de plaats waar zij en/of haar mededader(s) die cocaïne zou(den) inladen en/of overladen en/of het reisdoel en/of

- die hoeveelheid cocaïne in (een) laadruimte(s) en/of elders in/op/aan die vrachtwagen verpakt en/of opgeborgen en/of

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Opiumwet betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 09 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 557 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Opiumwet betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

zij op of omstreeks 9 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) ongeveer 6889 gram, althans een hoeveelheid hennep en/of ongeveer 3134 gram, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), althans alleen, opzettelijk

- als bestuurster/bijrijdster met een personenauto gereden op de Rijksweg A1 in de richting van Amersfoort en/of Hengelo (Ov) en/of

- vanuit die personenauto voornoemde hoeveelheid hennep en/of hasjiesj in een vrachtwagen (gekentekend [kenteken]) ten (verder) vervoer afgegeven en/of (over)geladen en/of

- contact gelegd en/of onderhouden met een of meer (mede)organisator(en) over de route die die vrachtwagen zou nemen en/of instructies gegeven en/of gekregen en/of afspraken gemaakt over (onder meer) de plaats waar zij en/of haar mededader(s) die hennep en/of die hasjiesj zou(den) inladen en/of overladen en/of het reisdoel en/of

- die hoeveelheid hennep en/of hasjiesj in (een) laadruimte(s) en/of elders in/op/aan die vrachtwagen verpakt en/of opgeborgen en/of

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Opiumwet betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 11 lid 4 Opiumwet

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 09 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6889 gram, althans een hoeveelheid hennep en/of ongeveer 3134 gram, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Opiumwet betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te

zijn gebezigd;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

zij op of omstreeks 09 februari 2010, althans op één of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2009 tot en met 9 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk (een) voorwerp(en), te weten (een) trui(en) en/of shirt(s) en/of jas(sen), althans een hoeveelheid kleding, waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht (te weten van Björn Borg Brands AB en/of Burberry Limited en/of Guccio Gucci Spa en/of Lacoste S.A. en/of The Polo/Lauren Company L.P. en/of Prada S.A.)

een werk, te weten (een) (nagemaakt)(e)) logo('s) van Björn Borg en/of Burberry en/of Gucci en/of Lacoste en/of Polo Ralph Lauren en/of Prada, is vervat, heeft doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of ter verspreiding voorhanden gehad;

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 09 februari 2010 te Bruchem, gemeente Zaltbommel, althans op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (een) voorwerp(en), te weten (een) trui(en) en/of shirt(s) en/of jas(sen), althans een hoeveelheid kleding, waarvan zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs kon(den) vermoeden dat daarin met inbreuk op eens anders auteursrecht (te weten van Björn Borg Brands AB en/of Burberry Limited en/of Guccio Gucci Spa en/of Lacoste S.A. en/of The Polo/Lauren Company L.P. en/of Prada S.A.) een werk, te weten (een) (nagemaakt)(e)) logo('s) van Björn Borg en/of Burberry en/of Gucci en/of Lacoste en/of Polo Ralph Lauren en/of Prada, is vervat, heeft doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of ter verspreiding voorhanden gehad;

artikel 31a aanhef en onder b en c Auteurswet

artikel 32 aanhef en onder b en c Auteurswet

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voorvragen

De officier van justitie heeft twee inhoudelijk identieke dagvaardingen aan verdachte doen uitgaan. De eerste dagvaarding d.d. 27 april 2010 is op 4 mei 2010 aan verdachte in persoon uitgereikt. De tweede dagvaarding d.d. 6 mei 2010 is op 10 mei 2010 aan [naam gemachtigde], gemachtigd door verdachte, uitgereikt.

De rechtbank is van oordeel dat de zaak op één dagvaarding dient te worden afgedaan. Voor de goede orde gaat de rechtbank uit van de dagvaarding d.d. 27 april 2010, welke overigens ter terechtzitting is gewijzigd, daar deze dagvaarding als eerste aan verdachte is betekend.

Ten aanzien van de dagvaarding d.d. 6 mei 2010, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten

1. Op 9 februari 2010 werd door surveillanten van het Korps Landelijke Politiediensten op de Rijksweg A1, Hengelo richting Amersfoort, ter hoogte van Twello, een vrachtwagencombinatie voorzien van kenteken [kenteken], gecontroleerd. Verbalisanten roken de hen bekende penetrante wietlucht en [naam A] werd gevraagd of hij drugs bij zich had. Hierop overhandigde hij de surveillanten een plastic zakje met vermoedelijk wiet. Hierop werden [naam A] en zijn bijrijder, naar later bleek [naam B], op grond van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet staande gehouden2.

2. Verbalisant [verbalisant1] heeft met behulp van [speurhond] een zoeking3 verricht aan de Griekse trekker koeltrailer met kenteken [kenteken]6. In een rode plastic tas op het onderbed in de cabine zag [verbalisant1] een aantal pakketjes. Het gewicht van het pakketje was 557 gram. Het poeder in die pakketjes is positief getest op de cocaïnetest. Vervolgens zag [verbalisant1] in een blauwe reiskoffer een oranje tas met twee zilverkleurige zakken zitten. Hij zag dat daar toppen van wiet in zaten en tevens rook hij de lucht die hem beroepshalve bekend en te relateren is aan deze wiettoppen. Bij het openen van twee andere tassen, zag hij dat ook deze gevuld waren met zilverkleurige zakken, lijkende op die in de blauwe reiskoffer zaten en na controle ook wiettoppen en tevens plakken hasjiesj bevatten.

3. Verbalisant [verbalisant2] heeft een onderzoek4 ingesteld naar een in beslag genomen hoeveelheid soft- en harddrugs. In totaal is 6,94 kg groenkleurig plantaardig materiaal en 3,06 kg bruinkleurig plantaardig materiaal aan onderzoek onderworpen. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm qua geur, kleur en vorm, concludeerde verbalisant dat de aangeleverde materialen hennep en hasjiesj betrof. In totaal is 0,560 kg wit poeder aan onderzoek onderworpen. Het witte poeder is positief getest als zijnde cocaïne.

4. Op 8 of 9 februari 2010 heeft verdachte contact opgenomen met [naam A]. Hij zou haar uitleggen waar zij moest komen. Ook kent zij [naam C]. [naam C] was op zoek naar een chauffeur en verdachte heeft hem het telefoonnummer van [naam A] gegeven. [naam A] heeft aan verdachte gevraagd om [naam C] bij hem te brengen. Verdachte is eerst met [naam C] naar het centraal station in Amsterdam gegaan. [naam C] kwam naar haar toe met een kleine rugzak en zij heeft deze in haar auto gezet. Hij kreeg een tasje van een Grieks pratend persoon en heeft dit in de kofferbak van verdachtes auto gelegd. Daarna is verdachte met [naam C] naar de [adres in plaats] gegaan, alwaar [naam C] een supermarkttasje kreeg. Zij heeft vervolgens telefonisch met [naam A] afspraken gemaakt en ze hebben elkaar ontmoet bij het tankstation. [naam C] heeft de zak, een rugtas en een supermarkttasje aan [naam A] gegeven. Na het overdragen zei [naam C] dat verdachte met hem mee moest naar Nijmegen. [naam C] stapte aldaar uit de auto en kwam terug met een koffer met een zilverkleurig pakket. Verdachte heeft van [naam C] eens eerder, tijdens een etentje met hem, gehoord dat [naam A] kon worden opgepakt. Verdachte had vanaf toen een vermoeden dat het op 9 februari 2010 ook om drugs ging. Verdachte heeft verklaard dat de oranje plastic tas uit Nijmegen is gekomen5.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

5. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde.

6. Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft zij aangevoerd, dat [naam A] en [naam B] zijn aangehouden, omdat [naam A] niet-handsfree aan het bellen was. Er heeft een controle plaatsgevonden en in de vrachtwagen zijn drugs aangetroffen. Deze drugs zijn onderzocht, getest en bemonsterd. Op basis daarvan staat het vast dat het om de hoeveelheden gaat, zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen. [naam A] heeft bij de politie verklaard dat verdachte degene is geweest die de goederen heeft geleverd. Verdachte heeft verklaard dat zij met [naam C] was en dat [naam C] de verantwoording heeft genomen ten aanzien van de te vervoeren goederen. Op basis van de verklaringen van [naam A] en [naam B] staat vast, dat de geladen goederen naar Griekenland vervoerd zouden worden. Daarmee is naar de mening van de officier van justitie voldaan aan het uitvoeren van deze goederen. Als iemand zich bezig houdt met het ten uitvoer aanbieden van goederen, is sprake van een vorm van uitvoeren in de zin van de Opiumwet. De officier van justitie heeft dit gebaseerd op de feitelijke handelingen, zoals deze in de tenlastelegging staan opgenomen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij wist dat [naam A] en [naam C] elkaar kenden en dat het - achteraf gezien - om drugs zou kunnen gaan. Verder heeft zij verklaard dat het kleine pakjes waren en dat een behoorlijke hoeveelheid geld is afgeleverd. Verdachte is blijven deelnemen aan datgene wat is gebeurd. Zij was erbij toen goederen vanuit de auto in de vrachtwagen zijn geladen en andersom. Vervolgens is verdachte met [naam C] naar Nijmegen gereden om opnieuw goederen op te halen en deze goederen zijn opnieuw aan [naam A] overgedragen. [naam A] en [naam B] hebben eveneens bij de politie verklaard dat verdachte erbij betrokken was en meedeed met wat er gaande was. Al deze omstandigheden maken dat verdachte wellicht niet feitelijk wist, maar wel bewust de kans heeft aanvaard dat zij bezig was met het uitvoeren van de verdovende middelen zoals in de tenlastelegging opgenomen. De officier van justitie is van mening dat de feiten 1 primair en 2 primair kunnen worden bewezen, waarbij zij is uitgegaan van het ruime uitvoerbegrip als bedoeld in de Opiumwet in de variant van voorwaardelijk opzet.

7. Ten aanzien van het derde tenlastegelegde feit heeft de officier van justitie aangevoerd dat de overdracht van de merkkleding, op basis van de verklaring van [naam A] en [naam B], voor 9 februari 2010 is geweest, te weten in november 2009. [naam B] heeft verklaard dat hij kleding in de cabine van de vrachtwagen heeft zien liggen en verdachte heeft verklaard dat de overdracht van de kleding eerder is geweest. Verdachte wist dat het om valse kleding ging. Op basis van de aangifte in het dossier en de verklaringen van verdachte en [naam B], is gebleken dat het vooral gaat om de logo's op de kleding. De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk ter verspreiding voorhanden hebben van een hoeveelheid kleding. Naar haar mening kan niet worden bewezen dat verdachte de kleding wilde doorvoeren of uitvoeren, want deze begrippen uit de Auteurswet hebben een andere betekenis dan in de Opiumwet.

C. Standpunt van de verdediging

8. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het derde tenlastegelegde feit, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er inderdaad bewijsmiddelen zijn, maar dat het maar de vraag is of verdachte erbij betrokken is geweest. Voor het betrokken-zijn is een nauwe bewuste samenwerking nodig. Verdachte wilde haar spullen van [naam A] terughalen. [naam A] heeft haar benaderd en gezegd dat [naam C] opgehaald moest worden. Op diverse plekken in Amsterdam heeft [naam C] tasjes opgehaald. Verdachte had wel het idee dat het niet pluis was, maar dat was slechts een vermoeden. Zij wilde haar spullen terug en is daarom meegegaan. Verdachte is de enige die consistent heeft verklaard. Zij heeft actief meegewerkt met het onderzoek van de politie. Er zijn veel tegenstrijdigheden in de verklaringen van [naam A]. Hij zou de boottocht voor [naam C] betaald hebben, terwijl hij hem niet eens zou kennen. [naam A] heeft een merkwaardige verklaring afgelegd en heeft deze ook steeds bijgesteld. Eerst heeft hij verklaard dat hij naar Griekenland op weg was, maar daarvoor reed hij de verkeerde kant op. Hij zou een kennis als bijrijder hebben meegenomen in verband met veroorzaakte schade, maar zijn kennis heeft op pagina 85 van het dossier anders verklaard. Op pagina 128 van het dossier heeft [naam B] verklaard dat hij alleen het hangslot heeft opengemaakt en dat de luiken niet waren gesloten. Hij heeft het slot erop gedaan. Daarna is hij direct de cabine in gegaan en is in de auto gebleven. Hij heeft niet gezien dat er iets in de cabine werd gelegd.

10. [naam A] heeft verklaard dat de luiken al waren gesloten en dat hij de tas op zijn bed heeft gegooid. Dat had [naam B] moeten zien. Verdachte heeft verklaard dat [naam A] een stapel geld kreeg van [naam C]. [naam A] en [naam C] zijn volledig bewust en nauw betrokken bij deze zaak. Het is raar dat [naam A] € 5.000,- heeft gepind en maar € 2.300,- bij hem is aangetroffen. Zo'n groot bedrag geef je niet uit in enkele dagen. [naam A] had 18 mobiele telefoons bij zich. [naam A] heeft eerst verklaard dat de goederen bij de rijksweg A2 zijn overgedragen, maar later heeft hij verklaard dat het op de rijksweg A1 is geweest. Ook heeft hij in eerste instantie verklaard dat hij zelf niet heeft geladen en later heeft hij verklaard dat iedereen heeft gesjouwd met de goederen. [naam B] heeft verklaard dat hij niet wist dat [naam A] drugs gebruikte, maar agenten roken direct een wietlucht in de cabine. Als chauffeur heeft [naam A] een zorgplicht voor wat hij meeneemt in zijn vrachtwagen en daarvoor is hij verantwoordelijk. Volgens de raadsman is de verklaring van [naam A] ongeloofwaardig. Eerst kende hij [naam C] niet, maar later wel. Tegenover deze ongeloofwaardige verklaring van [naam A], staat de uitgebreide verklaring van verdachte en haar bereidheid te helpen.

D. Beoordeling door de rechtbank

11. De rechtbank is van oordeel, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het - kort gezegd - handelen in valse merkkleding, op een wijze zoals haar uiteindelijk is ten laste gelegd. Tijdens het politieonderzoek is verdachte niet geconfronteerd met (foto's van) de in de vrachtwagen aangetroffen (merk)kleding; aan haar is niet gevraagd op de op 9 februari 2010 in beslaggenomen (merk)kleding de kleding betrof die verdachte eind november 2009 aan [naam A] had verkocht. Evenmin is duidelijk geworden welke kledingmerken verdachte toen aan [naam A] zou hebben verkocht. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat [naam A] in november 2009 (vervalste merk)kleding van haar heeft gekocht, is opmerkelijk dat de aangetroffen kleding - mocht deze van verdachte afkomstig zijn - na zo'n geruime tijd nog in de vrachtwagen aanwezig zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de merkkleding die op 9 februari 2010 in de vrachtwagen is aangetroffen, afkomstig is van verdachte. De leren jassen die verdachte aan [naam A] had meegegeven, blijven in dit verband buiten beschouwing, nu het naar zeggen van verdachte merkloze leren jassen betreft en bovendien uit het dossier niet volgt dat ook deze leren jassen tot de partij aangetroffen vervalste merkkleding behoren.

Overwogen wordt dat het verkopen van andere vervalste merkkleding door verdachte aan [naam A] in 2009, niet onder het bereik van de dagvaarding te brengen is, nu de steller het oog heeft gehad op de onderhavige partij kleding die op 9 februari 2010 in beslag is genomen.

12. [naam A] heeft bij de politie6 verklaard dat hij een vrouw, genaamd [verdachte], heeft ontmoet die vroeg of hij kleding van Nederland naar Griekenland wilde vervoeren. Daar verdiende hij een extra zakcentje mee. Het eerste tankstation na Den Bosch werd gebruikt voor de overdracht van de kleding. Verdachte kwam met een voor [naam A] onbekende man. Verdachte heeft voor [naam A] ook wiet meegenomen. [naam A] heeft van verdachte een tas gekregen, maar heeft daar niet ingekeken. In deze tas is later een bruin pakketje gevonden. Hij heeft van verdachte een tasje gekregen met parfum, maar heeft verder niet in de tas gekeken. Hij heeft het tasje in de cabine gelegd. Ook heeft hij van de vrouw een grote koffer en rugtas gekregen. Voorts heeft [naam A] verklaard dat hij verdachte die avond twee keer heeft ontmoet. Na de eerste ontmoeting, bij het Shell tankstation bij de afrit Geffen, heeft verdachte hem gebeld omdat ze nog een koffer wilde afgeven. Later hebben ze elkaar ontmoet bij een parkeerplaats langs de snelweg richting Arnhem.

13. Verdachte heeft bij de politie7 verklaard dat [naam C] bij haar in de auto stapte op weg naar [naam A]. Verdachte had een vermoeden dat er verdovende middelen in de tassen zaten en wist dat [naam A] was gehuurd door [naam C]. Zij wist, naar verdachte ter zitting heeft toegelicht: na een etentje met [naam C], dat [naam C] eerder dit soort zaken met [naam A] had gedaan. Zij heeft gezien dat [naam A] een bundeltje met biljetten van 50 euro aan [naam C] gaf. [naam A] wist dat hij verdovende middelen ging vervoeren. Verdachte wist dat later pas, toen zij de tasjes zag.

14. De raadsman heeft aangevoerd dat [naam A] bij de politie een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat, ook al zou de verklaring van [naam A] ongeloofwaardig zijn, deze verklaring op de punten die de raadsman heeft aangedragen irrelevant is, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij een vermoeden had dat [naam C] en [naam A] op 9 februari 2010 bezig waren met het overdragen van verdovende middelen langs de rijkswegen A2 en A1. Ook heeft zij ter terechtzitting verklaard dat de vrachtauto van [naam A] op weg was naar Griekenland en dat zij contact heeft onderhouden met [naam A] om de exacte locatie van het overdragen van de goederen te bepalen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

15. De rechtbank is van oordeel dat verdachte (tenminste) voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld ten aanzien van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de verdovende middelen. Voor dat oordeel is van belang dat verdachte heeft verklaard dat zij wist dat [naam C] en [naam A] elkaar kenden van een eerder transport van drugs. Verder is van belang verdachtes verklaring dat en waarom zij vermoedde dat [naam C] op 9 februari 2010 verdovende middelen in de tassen en koffer bij zich had, deze in de door haar bestuurde auto vervoerde en in haar bijzijn afgaf aan [naam A]. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de tassen en koffer van [naam C] verdovende middelen zaten, door deze niet te controleren alvorens hij de tasjes in haar auto legde en zij de tassen en koffers in haar auto verder vervoerde richting [naam A]' vrachtauto.

16. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen. . Medeplegen veronderstelt nauwe en bewuste samenwerking. Dit wil zeggen dat de medeplegers willens en wetens samenwerken8. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, ondanks dat zij onderweg meermalen haar bedenkingen heeft gehad over het in- en uitladen van de tassen en koffers door [naam C] en [naam A], zich niet heeft gedistantieerd van hun praktijken en , sterker nog, daaraan op essentiële punten heeft meegewerkt Zij is, nadat de eerste tassen bij [naam A] in de vrachtwagen zijn geladen, met [naam C] naar Nijmegen gereden om ook daar weer tassen op te halen. Steeds heeft zij naar eigen zeggen vermoed dat [naam C]' praktijken niet deugden, maar zij heeft haar handen er niet vanaf getrokken. Zij heeft tevoren overleg gehad met [naam A], met hem gebeld en verschillende plaatsen bezocht om hem te ontmoeten. Tot slot heeft zij ter terechtzitting verklaard dat zij met [naam C] heeft besproken dat er een kans was dat [naam A] opgepakt zou worden. Uit dit alles blijkt naar het oordeel van de rechtbank de nauwe en bewuste samenwerking van verdachte. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen.

17. Het begrip "buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen" in de zin van de Opiumwet omvat mede de handelingen die op het verdere vervoer van de verdovende middelen zijn gericht9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van deze handelingen, zoals achter de verschillende gedachtestreepjes in de tenlastelegging opgenomen. Ter terechtzitting heeft zij bevestigd dat zij met [naam C] naar een tankstation langs de rijksweg A1 is gereden en dat zij vermoedde dat [naam C] verdovende middelen bij zich had om aan [naam A] over te dragen. Voorts heeft zij verklaard dat zij telefonisch contact heeft gehad met [naam A] over de plaats waar zij elkaar zouden ontmoeten. Zij wist naar eigen zeggen dat [naam A] met zijn vrachtwagen op weg was naar Griekenland en heeft gezien dat de tassen en koffer welke [naam C] onderweg heeft opgehaald, en waarvan zij vermoedde dat er verdovende middelen in zaten, in de vrachtwagen zijn geladen.

18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op 09 februari 2010 op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en/of op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, tezamen en in vereniging anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) ongeveer 557 gram, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), opzettelijk

- als bestuurster met een personenauto gereden op de Rijksweg A1 in de richting van Amersfoort of Hengelo (Ov) en

- vanuit die personenauto genoemde hoeveelheid cocaïne in een vrachtwagen (gekentekend [kenteken]) ten (verder) vervoer afgegeven en(over)geladen en

- contact gelegd en onderhouden met(mede)organisator over de route die die vrachtwagen zou nemen en instructies gekregen en afspraken gemaakt over (onder meer) de plaats waar zij en haar mededader die cocaïne zou inladen en/of overladen en het reisdoel en

- die hoeveelheid cocaïne in laadruimte en in die vrachtwagen verpakt en opgeborgen.

2.

zij op 9 februari 2010 op de route van de rijksweg A2 tussen Den Bosch en Utrecht, en op de rijksweg A1 ter hoogte van Twello, gemeente Voorst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) ongeveer 6889 gram, ongeveer 3134 gram, zijnde hennep en hasjiesj middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), opzettelijk

- als bestuurster met een personenauto gereden op de Rijksweg A1 in de richting van Amersfoort of Hengelo (Ov)en

- vanuit die personenauto voornoemde hoeveelheid hennep en hasjiesj in een vrachtwagen (gekentekend [kenteken]) ten (verder) vervoer afgegeven en (over)geladen en

- contact gelegd en onderhouden met (mede)organisator over de route die die vrachtwagen zou nemen en instructies gekregen en afspraken gemaakt over (onder meer) de plaats waar zij en haar mededader die hennep en die hasjiesj zou inladen en overladen en het reisdoel en

- die hoeveelheid hennep en/of hasjiesj in (een) laadruimte(s) en elders in die vrachtwagen verpakt en opgeborgen.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1, primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet;

Feit 2, primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

19. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

20. De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een blanco justitiële documentatie. Ook heeft zij een gehandicapte 16-jarige zoon, die constant toezicht nodig heeft en beneden gemiddeld niveau functioneert. Deze omstandigheden maken dat niet een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een maximale werkstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

21. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

22. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied brengen van 557 gram cocaïne, 6889 gram hennep en 3134 gram hasjiesj. Deze drugs zijn in ieder geval ten dele- verslavende verdovende middelen en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Het gebruik ervan zorgt ook voor veel overlast voor de samenleving, aangezien veel gebruikers hun verslaving financieren door het plegen van criminele activiteiten.

23. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de reclassering, d.d. 19 mei 2010, waarin wordt gesteld dat er geen contra-indicaties aanwezig zijn voor het opleggen van een werkstraf. Voorts blijkt uit het rapport dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Tot slot zijn reclasseringstoezicht en interventies/ behandelingen niet geïndiceerd.

24. De rechtbank houdt rekening met verdachtes persoonlijke omstandigheden. Haar zoon is gehandicapt. Hij heeft constant toezicht nodig. Hij wordt in een psychiatrische instelling behandeld voor de gevolgen van een verkeersongeluk. Verder heeft verdachte hulp gezocht in de vorm van ouderbegeleiding. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte niet de grootste rol heeft gehad in het geheel. Deze persoonlijke omstandigheden maken, naar het oordeel van de rechtbank, dat niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een forse werkstraf in deze situatie op zijn plaats is.

25. Het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, subsidiair 100 (honderd) dagen vervangende hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

26. Voorts zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat zij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14d, 22c. 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1, primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet;

Feit 2, primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Prisse en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee-ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2010.

Mr. Prisse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL261R 2010006116-1, Korps Landelijke Politiediensten, verkeerspolitie, Unit Wolfheze, gesloten en ondertekend op 17 februari 2010.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 95.

3 Proces-verbaal van bevinding en overdracht, p. 109 en 109A.

4 Proces-verbaal van bevindingen, als bijlage opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL261R 2010006116-1, Korps Landelijke Politiediensten, verkeerspolitie, Unit Wolfheze, gesloten en ondertekend op 23 maart 2010, p. 9 en10.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 45 en 46.

6 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [naam A], p. 113 tot en met 116 en proces-verbaal van bevindingen, als bijlage opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL261R 2010006116-1, Korps Landelijke Politiediensten, verkeerspolitie, Unit Wolfheze, gesloten en ondertekend op 23 maart 2010, p. 48 en 49.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 45 en 46.

8 Rb. Rotterdam 5 september 2005, NJFS 2005, 15.

9 HR 26 juni 1990, NJ 1991, 156.