Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM4998

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
10/735 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Tijdelijke sluiting van een coffeeshop op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van 3 maanden. Niet is in geschil dat verzoekster meer dan de maximaal toegestane handelsvoorraad in huis had. Vast staat dat de aan verzoekster verleende gedoogbeschikking is geëxpireerd. Verweerder heeft ten gunste van verzoekster afgeweken van zijn coffeeshopbeleid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster tweemaal eerder een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen. Gelet op het coffeeshopbeleid is de burgemeester dan bevoegd over te gaan tot tijdelijke sluiting. Dat de overtredingen in verschillende handhavingscategorieën zijn opgenomen, doet daar naar voorlopig oordeel niet aan af. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 10/735 WET

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], handelend onder de naam Koffieshop Diamond,

te Doetinchem,

verzoekster,

en

de burgemeester van de gemeente Doetinchem

verweerder.

1. Overwegingen

1.1 Bij besluit van 27 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de door verzoekster geëxploiteerde Koffieshop Diamond (hierna: de coffeeshop), gevestigd aan de Dr. Hubert Noodtstraat 16 te Doetinchem, met ingang van 28 april 2010 voor de duur van

3 maanden voor het publiek gesloten.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 mei 2010, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr.drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht. Namens verweerder zijn verschenen mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, en R.P.J. Hengeveld.

1.2 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

1.3 De burgemeester heeft de coffeeshop tijdelijk gesloten met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet.

Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van die wet wordt verkocht, geleverd of gebruikt dan wel daartoe aanwezig is.

1.4 De wijze waarop verweerder gebruik maakt van deze bevoegdheid is neergelegd in de op 9 april 2002 vastgestelde notitie “Coffeeshopbeleid van de gemeente Doetinchem 2002” (hierna het beleid). In het beleid zijn voorwaarden opgenomen voor het toestaan van een coffeeshop, is verwezen naar de AHOJ-G criteria en staat vermeld dat is gekozen voor het werken met gedoogbeschikkingen.

Met betrekking tot bestuursrechtelijke handhaving is in paragraaf 9 van het beleid een handhavingsarrangement opgenomen, bestaande uit een vijftal categorieën. Het niet naleven van de AHOJ-G-criteria (categorie 1) dan wel van de voorwaarden van het coffeeshopbeleid (categorie 3) wordt bij een eerste overtreding gevolgd door een schriftelijke waarschuwing, bij een tweede overtreding door een tijdelijke sluiting van de coffeeshop en bij een derde overtreding door intrekking van de gedoogbeschikking. De exploitatie van een coffeeshop zonder gedoogbeschikking leidt tot (tijdelijke) sluiting van de inrichting (categorie 5).

1.5 Tussen partijen is niet in geschil dat paragraaf 9 van het beleid van toepassing is, in het bijzonder de categorieën 1 en 3. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat strikt genomen categorie 5 op de onderhavige sluiting van toepassing is, aangezien de aan verzoekster verleende gedoogbeschikking van 30 december 2009 per 1 april 2010 is geëxpireerd. Het staat verweerder evenwel vrij af te wijken van zijn beleid ten gunste van verzoekster. Verweerder heeft daartoe in het onderhavige geval aanleiding gezien.

1.6 In het kader van het handhavingsarrangement is tussen partijen in geschil of, voorafgaand aan de in het bestreden besluit vermelde overtreding, die heeft geleid tot de tijdelijke sluiting, verzoekster eerder in verband met een overtreding schriftelijk is gewaarschuwd als bedoeld in het beleid.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster eerder driemaal is gewaarschuwd en wel bij brieven van 17 februari 2010, van 23 november 2004 en van

11 september 2000. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent als volgt.

De brief van 17 februari 2010 kan, gelet op de tekst daarvan, niet als een zodanige waarschuwing worden aangemerkt.

Gelet op de brief van 23 november 2004 is naar voorlopig oordeel sprake geweest van een overtreding van een voorwaarde van het coffeeshopbeleid als bedoeld in categorie 3. Verweerder kan worden gevolgd dat naleving van voorschrift H van de toen geldende gedoogbeschikking van 8 januari 2003 met zich bracht dat ook toegang moest worden verleend tot de kluizen om de handelsvoorraad te controleren. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat deze brief (overigens) een waarschuwing als bedoeld in het beleid behelst.

Voor wat betreft de brief van 11 september 2000 overweegt de voorzieningenrechter dat er naar voorlopig oordeel onvoldoende aanknopingspunten zijn dat de in die brief vermelde overtreding van de AHOJ-G-criteria niet gebaseerd is op voldoende objectieve en controleerbare gegevens.

De voorzieningenrechter volgt voorts niet verzoeksters standpunt dat, aangezien zij zich niet kan herinneren deze schriftelijke waarschuwing te hebben ontvangen, het aan verweerder is de verzending hiervan aan te tonen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 24 oktober 2007 (LJN: BB6318) dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde besluiten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst als dat gebeurt, is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan door de geadresseerde aannemelijk te maken.

De brief van 11 september 2000 is niet aangetekend verzonden. Op deze brief is met een stempel de tekst “verzonden 12 september 2000” geplaatst. Verder is ter zitting bevestigd dat in de aanhef van de brief het correcte adres van verzoekster is vermeld. Verweerder heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de brief aan verzoekster is verzonden. De enkele ontkenning van verzoekster dat zij deze heeft ontvangen, kan niet worden aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst in evenbedoelde zin.

1.7 De conclusie is dat voorafgaand aan de in het bestreden besluit vermelde overtreding twee waarschuwingen in de zin van het handhavingsarrangement zijn gegeven. Daaruit volgt dat de coffeeshop tijdelijk mocht worden gesloten. Dat de overtredingen in verschillende categorieën (te weten categorie 1 en 3) zijn opgenomen, doet daar naar voorlopig oordeel niet aan af.

Bij afweging van alle betrokken belangen acht de voorzieningenrechter voorts een sluiting voor de duur van 3 maanden op voorhand niet kennelijk onredelijk, gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs van 2 kilo.

Daarbij is de voorzieningenrechter niet gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat de verweerder diende af te zien van het gebruik van zijn bevoegdheid.

1.8 Gezien het voorgaande is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

2. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.