Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM3151

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
98035 CIRK 08-70 en 98039 CIRK 08-72
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaderschap; nietigheid erkenning; ontkenning vaderschap; alsnog erkenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummers 98035 CIRK 08-70 en 98039 CIRK 08-72

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 april 2010

in de zaken tussen:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. S.S. Ilahi te Groningen,

en

[verweerster],

wonende te [plaats],

verweerster, hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. Y.M. Prins te Groningen,

met als bijzonder curator mr. S.P. ter Linden te Apeldoorn.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 26 februari 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Ilahi van 7 augustus 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Ilahi van 21 augustus 2009;

- de brief met bijlage van mr. Ilahi van 19 september 2009;

- het faxbericht van mr. Prins van 22 september 2009;

- de brief van mr. Prins van 11 februari 2010 met als bijlage het verweerschrift;

- het faxbericht van mr. Ilahi van 30 maart 2010.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen zij in voormelde tussenbeschikking heeft overwogen en beslist en volhardt daarin.

In voormelde tussenbeschikking heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en bepaald dat de vader nadere schriftelijke informatie diende over te leggen ten aanzien van zijn stelling dat de echtgenoot van de moeder nog in leven is en tevens zijn stellingen ten aanzien van de nationaliteit van de moeder nader diende te onderbouwen. Daarbij is overwogen dat dit laatste van belang is voor de vraag welk recht van toepassing is ter beoordeling van de vraag of de kinderen [kind1], geboren op [2001] te [plaats], en [kind2], geboren op [2003], in familierechtelijke betrekking staan met de echtgenoot van de moeder, van wie de vader stelt dat deze ten tijde van de geboorte van de kinderen nog in leven was.

De vader heeft zijn conclusie dat de echtgenoot van de moeder nog leefde ten tijde van de geboorte van de minderjarige kinderen en zijn conclusie dat de moeder niet de Afghaanse nationaliteit heeft, zoals zij stelt, gedeeltelijk gebaseerd op dezelfde stellingen. Deze stellingen komen op het volgende neer.

Uit het rapport van eerste gehoor van de moeder (overgelegd bij brief van mr. Ilahi van 21 augustus 2009) blijkt dat de moeder in het kader van haar asielaanvraag heeft verklaard dat zij in [plaats], Sovjet-Unie, (provincie Tsjetsjenië), is geboren en door naturalisatie de Afghaanse nationaliteit heeft verkregen. Daarbij heeft zij tevens verklaard dat haar ouders beiden de Russische nationaliteit hebben. In 1991 is de moeder volgens haar verklaring naar Afghanistan vertrokken. Toen heeft zij haar moeder, [moeder van de moeder], geboren op [1950] te [plaats], voor het laatst hebben gezien. Haar echtgenoot, [echtgenoot v. de moeder], is op [1998] door de taliban vermoord. In de verklaring spreekt zij ook over haar broer, [broer van de moeder], geboren op [1979]. Als haar adres in het land van herkomst heeft zij opgegeven [adres]. Zij is op 3 oktober 1999 uit Afghanistan vertrokken en op 28 oktober 1999 Nederland binnengekomen.

De vader stelt dat de verklaring van de moeder op verschillende punten onjuist is. De echtgenoot van de moeder is niet vermoord. Hij is nog in leven. De vader heeft telefonisch met hem gesproken. Zijn voornaam is [naam]. Hij heeft aan de vader verklaard dat hij de moeder in Kazachstan heeft leren kennen, dat de moeder niet in Afghanistan heeft gewoond en dat zij ook niet de Afghaanse nationaliteit heeft. Ook beschikt de vader over een kopie van het paspoort van de moeder van de moeder waaruit blijkt dat haar achternaam [achternaam] is, dat zij in [plaats] (thans [plaats], Kazachstan, noot rechtbank) is geboren en de Azerbeidjaanse nationaliteit heeft. De moeder is samen met haar moeder ([moeder van de moeder]) en haar dochter [dochter van de moeder], die volgens verklaring van de moeder is geboren in [plaats] op [1992], op een foto te zien, die volgens de vader in [plaats] is genomen. Dit komt in strijd met de verklaring van de moeder dat zij haar moeder na 1991 niet meer heeft gezien.

Ter nadere onderbouwing van zijn stelling heeft de vader onder meer een weigeringsbeschikking overgelegd die betrekking heeft op een visumaanvraag voor [moeder van de moeder], alsmede een verklaring borgstelling op naam van [n[naam1] die betrekking heeft op [moeder van de moeder] en [naam]. Voorts is kopie van een brief overgelegd met de volgende inhoud:

“Beste [naam1],

U denkt dat mijn moeder naar Nederland komt om hier te wonen, maar dat is niet zo. Mijn moeder wil hier alleen op vakantie komen om haar kleinkinderen te zien die zij al 10 jaar niet gezien heeft. Ik geef u mijn woord dat zij hier alleen maar 3 maanden zal verblijven en na die 3 maanden weer vertrekt. Ik hoop dat u mij gelooft en dat deze brief zal dienen als een bewijsstuk dat mijn moeder hier alleen maar op vakantie komt.

06-04-2009 (handtekening)

[de moeder]”

Ook heeft de vader een kopie van het Kazachstaanse paspoort van [moeder van de moeder] overgelegd, waaruit blijkt dat zij op [1950 in plaats] is geboren, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de zoon van [moeder van de moeder], [broer van de moeder], geboren op [1979].

In vervolg hierop heeft de vader onder meer een schriftelijke verklaring op naam van [naam2] overgelegd, waarin kort gezegd wordt verklaard dat [echtgenoot van de moeder] echtgenoot van [de moeder] was. Daarnaast heeft de vader een kopie van een foto overgelegd waarop volgens hem zowel [echtgenoot van de moeder] als de heer [naam2] is afgebeeld.

In de brief van 21 augustus 2009 heeft de vader zijn verzoek uitgebreid met een verzoek om vervangende toestemming om de kinderen te erkennen.

Bij haar verweerschrift heeft de moeder onder meer een verklaring van [naam3], [naam4], [naam5] en [naam6] overgelegd, die in vertaling onder meer het navolgende inhoudt:

“Wij (…) verklaren hierbij dat [echtgenoot van de moeder], zoon van [naam7], in het jaar 1991 (…) is getrouwd met een vrouw genaamd [de moeder] in de stad [stad]. Wij woonden allemaal als buren samen in [adres]. Het moet niet onvermeld blijven dat [echtgenoot van de moeder], zoon van [naam7], in het appartement nummer 105 woonde. In de tijd van de Taliban hoorden wij dat [echtgenoot van de moeder], zoon van [naam7], door de Taliban was vermoord. Wij hadden daarna geen nieuws over hun familie gehoord. Wij verklaren hierbij dat wij de vader van [echtgenoot van de moeder] kennen en wij bevestigen zijn bewering dat de echtgenote van [echtgenoot van de moeder] in Nederland woont.”

De moeder heeft voorts aangevoerd dat uit de stukken die de vader heeft overgelegd niet blijkt dat zij familie is van [de familie]. [moeder van de moeder] is een vriendin van haar, die zij in het asielzoekerscentrum in Nederland heeft leren kennen. Zij heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de als prod. 2 ter zitting overgelegde verklaring van [moeder van de moeder] van 29 september 2008. De foto’s van de moeder met [moeder van de moeder] en [dochter van de moeder] zijn gemaakt in Duitsland. [dochter van de moeder] was toen 7 jaar oud. De moeder betwist dat zij de door de vader overgelegde brief op haar naam aan de heer [naam1] heeft geschreven. Haar Nederlands is daartoe ook niet goed genoeg. Overigens zou de heer [naam1] een Nederlandstalige brief ook niet begrijpen, nu hij een Rus is, en als de moeder - zoals de vader stelt - Russische zou zijn, zou het voor de hand liggen dat de brief in het Russisch was opgesteld. De brief is volgens de moeder vervalst door de vader. Voor zover op de moeder bewijslast rust, biedt zij getuigenbewijs aan.

De vader heeft aangevoerd dat [dochter van de moeder] op de foto 5 jaar oud is. [dochter van de moeder] is degene die de brief aan de heer [naam1] heeft opgesteld.

De rechtbank overweegt als volgt. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan, dient te worden vastgesteld wat het belang van de vader bij de onderhavige procedures is. Hij wenst uiteindelijk te komen tot erkenning van de minderjarige kinderen [kind1] en [kind2]. Deze erkenning heeft reeds plaatsgevonden, maar de vader vreest dat indien op enig moment zou blijken dat de moeder gehuwd was met een andere man, de erkenning nietig zal worden geacht. De moeder betwist de stellingen van de vader. Gelet op haar verblijfsstatus hier te lande heeft zij geen enkele reden om een andere verklaring af te leggen en behoeft de vader daarvoor niet te vrezen. Niettemin heeft hij belang bij de onderhavige procedures, nu afstammingsrecht en huwelijksrecht onderwerpen zijn die niet ter vrije bepaling van partijen staan, maar van openbare orde zijn. Indien derhalve op enig moment zou blijken van de onjuistheid van de verklaring van de moeder, zal dit onherroepelijk gevolgen hebben voor de status van de vader als vader. Daar staat tegenover dat indien zijn stellingen juist blijken, de kinderen mogelijk een onjuiste achternaam hebben, hetgeen voor hen wellicht een onwenselijke consequentie is. Bovendien raakt de moeder dan mogelijk haar verblijfsstatus in Nederland kwijt, in welk geval aannemelijk is (zeker gelet op het feit dat de vader geen gezag over de kinderen heeft) dat zij met de kinderen naar Kazachstan zal vertrekken. Daarvan kan nog minder worden vastgesteld dat dit in het belang van de kinderen is. Niettemin dient de rechtbank, nu aangenomen moet worden dat de vader deze consequenties onder ogen heeft gezien, en niet gezegd kan worden dat hij daarbij geen belang heeft, het verzoek van de vader inhoudelijk te beoordelen. Opmerking verdient daarbij dat de rechtbank zich binnen de door partijen getrokken kaders en overgelegde stukken vrij acht daarvan volledig gebruik te maken en niet geheel lijdelijk is, in die zin dat zij zich niet slechts tot de specifieke stellingen van partijen beperkt, nu de openbare orde in het geding is.

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten. Nu de man stelt dat de erkenning van de kinderen door hem nietig is, dient hij de stellingen ter onderbouwing daarvan bij betwisting te bewijzen. De stellingen kunnen daarbij in twee onderdelen worden gevat. Allereerst stelt de vader dat de moeder aantoonbaar onjuist heeft verklaard over een aantal andere zaken in haar asielrelaas, dat [moeder van de moeder] de moeder van de moeder is, en dat daarmee reeds de geloofwaardigheid van haar verklaring dat haar echtgenoot in 1998 is overleden onder druk komt te staan. Daarnaast stelt de vader dat hij bewijs heeft dat de echtgenoot nog leeft. Via (een combinatie van) beide wegen zou de man tot bewijs van zijn hoofdstelling dat de erkenning nietig is kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat de vader ten aanzien van het eerste onderdeel reeds zoveel heeft aangedragen dat hij voorshands geslaagd moet worden geacht in het bewijs daarvan. Daarbij wordt het navolgende meegewogen.

De voornamen van [moeder van de moeder] en haar zoon [broer van de moeder] (kennelijk staat niet ter discussie dat [broer van de moeder] de zoon van [moeder van de moeder] is) en hun geboortedata ([1950], respectievelijk [1979]) verschillen opvallend weinig van die van de door de moeder in haar eerste gehoor genoemde moeder [moeder van de moeder], geboren op [1950], en [broer van de moeder], geboren op [1979]. Weliswaar zou voorstelbaar kunnen zijn dat de moeder het onwenselijk vond de werkelijke namen en geboortedata van haar familie bekend te maken en dat zij uit haar vrienden- of kennissenkring had geput (een niet geheel onbekend verschijnsel bij vreemdelingen, min of meer vergelijkbaar met hetgeen de vader heeft gesteld over de naam [echtgenoot v. de moeder], die uit verschillende namen zou zijn opgebouwd), maar daarvan kan in dit geval geen sprake zijn, nu de moeder heeft verklaard dat zij [moeder van de moeder] eerst nadien heeft leren kennen. Daarmee staat weliswaar nog niet vast dat [moeder van de moeder] de moeder van de moeder is, maar de vader heeft tevens verwezen naar de hiervoor genoemde brief die zou zijn gestuurd aan de heer [naam1], van wie voldoende is komen vast te staan dat deze bereid was borg te staan voor de komst van [moeder van de moeder] naar Nederland in 2009. De moeder heeft betwist dat deze brief door haar is geschreven, maar voorshands wordt de stelling van de vader dat deze is geschreven door dochter [dochter van de moeder] aannemelijk geacht. Daarbij wordt overwogen dat het handschrift in de brief aan de heer [naam1] buitengewoon veel overeenkomsten vertoont met het handschrift in de namens de moeder overgelegde brief waarvan zij zelf heeft verklaard dat deze van haar dochter [dochter van de moeder] afkomstig is (prod. 3 bij de brief van mr. Prins van 14 januari 2009). Voor zover in de betwisting namens de moeder tevens een betwisting van de authenticiteit van het stuk en/of de handtekening moet worden gelezen, wordt de vader uitgenodigd de originele brief bij de rechtbank in depot te brengen, zodat deze door de moeder en de rechtbank kan worden ingezien. De tekst van de brief als zodanig acht de rechtbank echter reeds voldoende om op voorhand te concluderen dat de moeder van [plaats] naar Nederland wenste te komen en nu de moeder geen andere verklaring heeft gegeven, moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat die tekst inderdaad ziet op [moeder van de moeder].

Aan het vorige wordt nog iets toegevoegd. De foto waarover partijen spreken waarop [moeder van de moeder], de moeder en [dochter van de moeder] te zien zouden zijn bevindt zich niet in het rechtbankdossier. Tussen partijen staat echter vast dat deze foto bestaat. De moeder heeft aangevoerd dat [dochter van de moeder] op de foto 7 jaar oud was, de vader houdt het op 5 jaar. Uitgaand van de geboortedatum van [dochter van de moeder] zou de foto als zij 7 jaar oud was echter evenzeer vóór als ná aankomst in Nederland kunnen zijn gemaakt. [dochter van de moeder] was ten tijde van de aankomst in Nederland immers 7 jaar oud. De moeder heeft vooralsnog nagelaten meer specifiek aan te geven waar de foto is gemaakt. Zij moet in staat worden geacht exacte opgave te doen van de locatie (in ieder geval land en stad, en zo mogelijk straatnaam of ander kenmerk), de gelegenheid en voor zover mogelijk (in ieder geval zoveel mogelijk bij benadering) de datum. Haar stelling dat de foto “in Duitsland” is gemaakt “toen [dochter van de moeder] 7 jaar was” is veel te algemeen. Als zij nalaat deze exacte opgave te doen, wordt dit als een bevestiging van de juistheid van de stellingen van de vader beschouwd. Wel dient de vader de foto alsnog (in origineel in depot, dan wel in kleurenkopie bij brief) in het geding te brengen.

Ten aanzien van de stelling dat de echtgenoot van de moeder nog leeft (althans nog leefde toen de minderjarigen werden geboren) heeft de man nog niet voldoende aangevoerd. Indien echter zou blijken dat de moeder onjuist heeft verklaard over haar familie en haar nationaliteit, ontstaat daarmee ook twijfel over de juistheid van haar verklaring ten aanzien van het overlijden van haar echtgenoot. Hoewel de vader als hoofdregel dient te bewijzen dat de echtgenoot ten tijde van de geboorte van de minderjarige kinderen van partijen nog leefde, zou een omkering van de bewijslast in de rede kunnen liggen. Voordat hierover kan worden beslist, dient de moeder echter te worden toegelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [moeder van de moeder] haar moeder is.

De moeder heeft aangeboden een anonieme getuige te horen, alsmede [moeder van de moeder], die in Kazachstan woont.

Ten aanzien van de anonieme getuige overweegt de rechtbank dat naar de letter genomen anonieme getuigenverklaringen gewoonlijk niet voldoen aan de formaliteiten die in de wet aan getuigenverklaringen zijn gesteld, al was het maar omdat de personalia vermeld in artikel 177 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet worden vermeld. Nu echter bewijs door alle middelen rechtens kan worden geleverd, staat het de moeder vrij het tegenbewijs (mede) door het horen van een anonieme getuige te leveren. De waarde die aan een dergelijke verklaring kan worden gehecht hangt af van de wijze waarop een en ander vormgegeven wordt en van de mogelijkheid om ook de vader vragen te laten stellen, bijvoorbeeld doordat op een te bepalen verhoor zijn raadsvrouw aanwezig kan zijn. Nu de rechtbank thans onvoldoende informatie heeft over de wijze waarop de moeder het verhoor wenst te laten plaatsvinden (waarbij de rechtbank met name doelt op de praktische uitvoering van een en ander) zal zij in de gelegenheid worden gesteld zich nader uit te laten over de vraag of zij de wens tot het horen van de anonieme getuige handhaaft en over de plaats waar en wijze waarop dit zou kunnen plaatsvinden.

Wat de in Kazachstan te horen getuige betreft overweegt de rechtbank dat er geen rechtshulpverdrag tussen Nederland en Kazachstan bestaat. Gelet daarop wordt teruggevallen op de regel van artikel 176 Rv. Daarin is onder meer vermeld dat de rechter aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft kan verzoeken het verhoor te houden of het verhoor kan opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort. De moeder wordt uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of zij [moeder van de moeder] op deze wijze wenst te laten horen en indien dit het geval is over de wat haar betreft te stellen vragen. De vader zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld eveneens schriftelijk vragen in te dienen, waarna de rechtbank, met inachtneming van de door partijen voorgestelde vragen, contact met de lokaal bevoegde autoriteit in Kazachstan zal zoeken.

Indien de moeder naast genoemd getuigenbewijs nog meer bewijs wenst aan te dragen, dient zij voor zover het daarbij stukken betreft, deze over te leggen en voor zover het nadere getuigen betreft, dit kenbaar te maken op de hierna te noemen pro forma datum.

In afwachting van de nadere uitlating door partijen wordt iedere beslissing aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

laat de moeder toe tot tegenbewijs tegen de stelling van de vader dat [moeder van de moeder] haar moeder is;

houdt de behandeling van de zaak aan tot de pro forma terechtzitting van donderdag 3 juni 2010;

bepaalt dat indien en voor zover de moeder schriftelijk bewijs wenst bij te brengen, zij dit op voormelde pro forma datum in het geding dient te brengen;

bepaalt dat indien en voor zover de moeder getuigenbewijs wenst bij te brengen, zij zich nader dient uit te laten over de te horen getuigen, de wijze waarop zij de anonieme getuige wenst te laten horen en indien zij [moeder van de moeder] als getuige wenst te laten horen de aan haar te stellen vragen;

bepaalt dat indien de moeder getuigen door de rechtbank wenst te laten horen, zij opgave dient te doen van de verhinderdata van beide zijden over de maanden juni tot en met oktober 2010;

bepaalt dat in dat geval getuigen zullen worden gehoord op een nader te bepalen datum in het gerechtsgebouw aan de Martinetsingel 2 te Zutphen ten overstaan van mr. R.A. Eskes;

bepaalt dat indien de moeder [moeder van de moeder] als getuige wenst te laten horen, de zaak vervolgens pro forma zal worden aangehouden teneinde de vader in de gelegenheid te stellen zich eveneens uit te laten over de aan haar te stellen vragen;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.