Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM2499

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
06/580471-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeelt terzake poging tot afpersing tot een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580471-09

Uitspraak d.d.: 27 april 2010

tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats op 1962],

wonende te [plaats, adres].

Raadsvrouw: mr. B. Molleman, advocaat te Amersfoort

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 april 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 juni 2009 te Harderwijk, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van

150.000 euro of 200.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed,

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft/hebben hij, verdachte,

en/of zijn mededader(s):

- zich begeven naar de woning van die [slachtoffer], en/of

- zich bij die [slachtoffer] aangediend als (aspirant-)lid van de Hells

Angels, althans jegens die [slachtoffer] de schijn gewekt

(aspirant-)lid van de Hells Angels te zijn, en/of

- zich (vervolgens) voorgesteld als [naam1], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij/zij gestuurd was/waren door

[naam2], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat [naam2] de voorzitter van

de Hells Angels was zodat hij wist met wie hij te maken had, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze centjes kwamen halen, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij/zij (ook) gestuurd was/waren

door [medeverdachte A], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij moest bellen naar het nummer

06-[nummer], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "ik geef je één week anders maken we

er een eind aan", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 7 juni 2009 te Harderwijk, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s):

- zich begeven naar de woning van die [slachtoffer], en/of

- zich bij die [slachtoffer] aangediend als (aspirant-)lid van de Hells

Angels, althans de schijn gewekt (aspirant-)lid van de Hells Angels te zijn,

en/of

- zich (vervolgens) voorgesteld als [naam1], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij/zij gestuurd was/waren door

[naam2], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat [naam2] de voorzitter van

de Hells Angels was zodat hij wist met wie hij te maken had, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze centjes kwamen halen, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij/zij (ook) gestuurd was/waren

door [medeverdachte A], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij moest bellen naar het nummer

06-[nummer], en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "ik geef je één week anders maken we

er een eind aan", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde geconcludeerd. Echter heeft hij partieel vrijspraak, te weten van het bestanddeel medeplegen gevorderd.

B. Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit, nu het (voorwaardelijk) opzet op de bedreiging ontbreekt. Evenmin is naar het oordeel van de verdediging sprake van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling.

C. Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat op zondag 7 juni 2009 omstreeks 9.00-9.15 uur een grote groene Amerikaanse auto (met het kenteken [kenteken]) voor zijn huis aan [adres te plaats] stopte.1 [slachtoffer] lag nog in bed, maar zijn vrouw en zoontje waren al beneden. [slachtoffer] werd wakker omdat er hard gepraat werd. Zijn vrouw stond in de woonkamer, voor het geopende raam, te praten met twee mannen. Eén van die mannen noemde zich [naam1].2 Hij zei dat hij gestuurd was door [naam2] en dat ze centjes kwamen halen.3 [medeverdachte C] zei dat [naam2] de voorzitter was van de Hells Angels. Hierop vroeg aangever wat hij met de Hells Angels te maken had. [medeverdachte C] antwoordde dat ze gevraagd waren om bij [slachtoffer] langs te gaan door [medeverdachte A].4 [medeverdachte C] vertelde [slachtoffer] dat hij naar het telefoonnummer 06 - [nummer] moest bellen. Toen [slachtoffer] zei dat hij dat nummer niet ging bellen, zei [medeverdachte C]: "Ik geef je één week anders maken we er een eind aan."5

[slachtoffer] heeft verklaard begrepen te hebben dat ze hem dood zouden maken; dat het om hele zware jongens ging en volgens hen om veel geld . Deze mannen probeerden door middel van intimidatie en bedreigingen hem ertoe te zetten om 150.000 euro te betalen.6 Toen de naam [naam2] en Hells Angels werden genoemd, dacht aangever: "Oh mijn god, nu gaat het gebeuren". Hij dacht dat zij hem en zijn gezin iets zouden aandoen.7

Getuige [getuige A], de echtgenote van [slachtoffer], heeft verklaard dat op zondagochtend 7 juni 2009 twee ongure types voor de deur stonden en dat ze de deur niet open durfde te doen.8 Ze liep naar het raam. Eén man zei dat hij [naam1] was en dat ze voor [slachtoffer] kwamen en dat ze zaakjes moesten oplossen. Ze zeiden dat ze namens [naam2] kwamen en later hoorde zij de naam '[medeverdachte A]'. De man zei dat ze centjes kwamen halen en één van de mannen zei dat [slachtoffer] zo spoedig mogelijk contact op moest nemen met [medeverdachte A]. Het geld moest zo snel mogelijk geregeld worden, anders werd het anders opgelost.9 Later hoorde zij van haar man dat de mannen over een week terug zouden komen en hem wat zouden aandoen.10 [getuige A] is bang dat de mannen over een week terugkomen om haar man te vermoorden.11 [getuige A] voelde zich onveilig en machteloos.12

Getuige [getuige B], de buurman van de familie [slachtoffer], heeft verklaard dat hij op 7 juni 2009 omstreeks 8.15-8.30 uur zat te ontbijten. Op een gegeven moment zag hij een groene auto langs rijden met daarin twee mannen. Hij vond de mannen er nogal onguur uitzien. De bestuurder stapte uit en liep direct in de richting van de voordeur van de woning van [slachtoffer]. De bijrijder stapte uit en bleef op de oprit staan. [getuige B] had het gevoel dat de bijrijder op de uitkijk stond.13 Aan het eind van de ochtend kwam [slachtoffer] bij [getuige B] thuis. Hij vertelde dat hij van de man een week later een half miljoen moest betalen en dat hij een 06-nummer moest bellen. Het kwam er op neer dat als [slachtoffer] het geld niet zou betalen, hij afgemaakt zou worden.14 [getuige B] zag dat [slachtoffer] en [getuige A] erg geschrokken waren. [slachtoffer] zat met zijn hele lichaam te beven; hij kon zijn koffiekopje nog niet vasthouden.15

Getuige [getuige C] heeft verklaard dat zij op 7 juni 2009 omstreeks 09.30 uur haar hond uitliet en op de oprit van de familie [slachtoffer] een man zag staan. De man sprak met de vrouw des huizes door een geopend raam. Toen [getuige C] opnieuw het huis passeerde, had zij door de lichaamstaal die de man en [slachtoffer] uitstraalden het idee dat het gesprek meer 'verhit' was dan de eerste keer toen zij langs de woning liep.16

Getuige [getuige D], de broer van aangever, heeft op 31 juli 2009 verklaard dat [slachtoffer] hem een paar weken geleden op een zondag belde en zei dat er een paar gasten bij hem aan de deur waren geweest. Hij vertelde dat het Hells Angels waren.17 Ze waren met z'n tweeën en ze hadden gezegd dat [slachtoffer] nog een week had om te betalen en [naam2] moest bellen. Die gasten zeiden dat ze zich nu nog rustig hielden omdat de zoon van [slachtoffer] erbij stond.18

De tenaamgestelde van de auto voorzien van het kenteken [kenteken] stond ingeschreven op [adres te plaats].19 Op 7 juni 2009 omstreeks 10.30 uur gingen verbalisanten ter plaatse. Zij zagen daar een man die zei op voornoemd adres te wonen en zojuist met zijn auto in Harderwijk te zijn geweest. De man gaf op te zijn: [verdachte B], geboren op

[1962 te plaats].20 Verbalisanten vroegen [verdachte B] wat er eerder die ochtend in Harderwijk was gebeurd. Hierop verklaarde [verdachte B] dat hij in opdracht van [naam2] en [medeverdachte A] naar Harderwijk was gegaan om daar een manspersoon te helpen herinneren dat hij nog 200.000 euro verschuldigd was aan de motorclub Hells Angels.21 [verdachte B] heeft voorts verklaard dat er een tweede man met hem mee was gegaan. [verdachte B] heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een probleem zou krijgen als hij het verschuldigde geldbedrag niet zou betalen.22

[verdachte B] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte A] hem heeft gevraagd in Harderwijk bij [slachtoffer] langs te gaan.23 Hij had een schuld van 200.000 euro en [verdachte B] moest vragen wanneer [slachtoffer] een betalingsregeling voor die schuld ging treffen en dat [slachtoffer] contact moest opnemen. Volgens [medeverdachte A] wist [slachtoffer] dan wel met wie hij contact moest opnemen; zijn ex-werkgever.24 [verdachte B] had een papiertje van [medeverdachte A] gekregen met daarop de naam, het adres en het telefoonnummer van [slachtoffer].25 Dat papiertje had hij gekregen weken nadat [medeverdachte A] hem had gevraagd langs te gaan. Hij heeft tegen [verdachte B] gezegd dat hij absoluut niet moest bedreigen of iets dergelijks.

Op 7 juni 2009 is [verdachte B] samen met [medeverdachte C] in de groene Pontiac van zijn vrouw naar de woning van [slachtoffer] gereden.26 [verdachte B] stelde zich aldaar voor als [naam1] . Hij zei een paar keer tegen de vrouw dat zij [slachtoffer] moest roepen, maar dat wilde zij niet doen. [verdachte B] zei dat hij was gestuurd en dat [slachtoffer] contact moest opnemen met de mensen aan wie hij nog geld verschuldigd is. Voorts heeft [verdachte B] zijn telefoonnummer 06 - [nummer] aan [slachtoffer] gegeven.27 [verdachte B] vond dat [slachtoffer] angstig was.28 [verdachte B] heeft voorts verklaard dat hij één, twee of drie weken nadien tegen [medeverdachte A] heeft gezegd dat hij bij [slachtoffer] was langs geweest.29

Ter terechtzitting heeft [verdachte B] verklaard bij zijn verklaringen afgelegd bij de politie te blijven en heeft hij onder andere bevestigd gebruik te hebben gemaakt van de naam [naam1] en zijn telefoonnummer aan [slachtoffer] te hebben gegeven. Ook heeft hij verklaard dat hij de naam van [naam2] heeft genoemd en dat [medeverdachte A] had gezegd dat [verdachte B] ter plaatse geen geweld moest gebruiken.30 Ter terechtzitting heeft [verdachte B] verklaard dat hij niet uitgesloten acht dat hij tegen [medeverdachte C] heeft gezegd dat hij dacht dat [slachtoffer] wel binnen veertien dagen zou betalen.31

Medeverdachte [medeverdachte C] heeft verklaard dat hij op een zondagochtend met een vriend, te weten [verdachte B], naar Harderwijk is gereden in een groene Pontiac.32 [verdachte B] vertelde hem de dag daarvoor dat hij geld moest ophalen bij iemand in Harderwijk en hij vroeg of [medeverdachte C] mee wilde gaan.33 Hij wist dat die man een schuld had. [medeverdachte C] stond halverwege het einde van de tuin; ongeveer vier-vijf meter van de personen af. Toen [verdachte B] en [medeverdachte C] in de auto stapten, zei [verdachte B]: "Ik denk dat die man wel binnen veertien dagen zal betalen".34

Middels de community Hyves.nl is onderzoek ingesteld naar [medeverdachte C] uit Hilversum.35 Een aldaar aangetroffen foto van [medeverdachte C] is bij een fotobewijsconfrontatie aan aangever [slachtoffer] getoond.36 [slachtoffer] reageerde bij foto nummer 10 onmiddellijk: "Ja, ja dat is hem, dat is meneer 2 die achter bij de auto stond". Verdachte [medeverdachte C] stond afgebeeld op foto 10.37

[medeverdachte A] heeft verklaard dat hij aan [naam3] heeft gevraagd om bij [slachtoffer] in Harderwijk langs te gaan. De reden dat hij [naam3] vroeg langs te gaan, was dat die vrouw met die kinderen niet overstuur zouden raken als ze [medeverdachte A] weer zouden zien.38 [medeverdachte A] had daarvoor meermalen telefonisch contact gehad met [slachtoffer] en had zijn woning meermalen bezocht.39 [naam3] gaf geen gevolg aan het verzoek van [medeverdachte A].

Daarna heeft hij [verdachte B] gevraagd de dag erna langs te gaan bij [slachtoffer] omdat [naam3] niet ging.40 [verdachte B] moest aan [slachtoffer] vragen wanneer hij zich zou gaan melden bij zijn ex-baas.41 Hij had een schuld van 200.000 euro bij [naam4], zijn ex-baas.42 Diezelfde zaterdag gaf [medeverdachte A] [verdachte B] een briefje met daarop het adres van [slachtoffer].43 [medeverdachte A] heeft tegen [verdachte B] gezegd dat hij geen geweld moest gebruiken en geen stennis moest schoppen.44 [medeverdachte A] wilde bereiken dat [slachtoffer] contact zou opnemen met [naam4].45

Getuige [naam3] heeft verklaard dat [medeverdachte A] aan hem heeft gevraagd bij [slachtoffer] langs te gaan, hetgeen hij niet heeft gedaan.46 Later heeft [medeverdachte A] [verdach[verdachte B] gevraagd om langs te gaan. [verdachte B] moest van [medeverdachte A] aan [slachtoffer] vragen of hij zijn baas wilde bellen. [verdachte B] zei dat hij langs zou gaan, maar niet wanneer.47

Overwegingen ten aanzien van het opzet

Voor zover de raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte geen opzet had, wordt dit verweer verworpen. Tegen [verdachte B] was gezegd dat [slachtoffer] een schuld van 200.000 euro bij zijn ex-werkgever had. Ter plaatse heeft [verdachte B] zich voorgedaan als [naam1] en heeft hij '[naam2]' en 'Hells Angels' genoemd. Daarnaast zei hij dat ze geld kwamen halen. Mede gelet op deze feitelijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet had; [verdachte B] wilde [slachtoffer] immers dwingen tot betaling. Daarbij komt dat [medeverdachte C] [verdachte B], toen deze weer in de auto stapte, heeft horen zeggen dat die man ([slachtoffer]) wel binnen veertien dagen zou betalen.

Overwegingen ten aanzien van het oogmerk

Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte geen oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling had. Dit verweer wordt eveneens verworpen, nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank moet hebben beseft dat hij door zijn handelwijze de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre overschreed. Verdachte had kunnen begrijpen dat het beoogde gevolg door zijn handelen noodzakelijkerwijs zou intreden. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het oogmerk niet gericht hoeft te zijn op eigen bevoordeling, zoals door de raadsvrouw is gesteld.

Overwegingen ten aanzien van het medeplegen

Voorts overweegt de rechtbank dat het feit niet tezamen en in vereniging is gepleegd en zal zij verdachte daarvan vrijspreken. [medeverdachte C] wist de dag daarvoor weliswaar 'dat ze geld gingen halen', is vervolgens meegegaan naar de woning en heeft aldaar op de oprit gewacht, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van medeplegen.48

Gelet op de rol van [medeverdachte A] is evenmin sprake van medeplegen.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bestanddeel medeplegen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 7 juni 2009 te Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 150.000 euro of 200.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer], immers heeft hij, verdachte,

- zich begeven naar de woning van die [slachtoffer] en

- zich vervolgens voorgesteld als [naam1] en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij gestuurd was door [naam2] en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat [naam2] de voorzitter van de Hells Angels was zodat hij wist met wie hij te maken had en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze centjes kwamen halen en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij (ook) gestuurd was door [medeverdachte A] en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij moest bellen naar het nummer 06-[nummer] en

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "ik geef je één week anders maken we er een eind aan", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: poging tot afpersing

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest.

2. Door en namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

4. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen

-en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte op de vroege zondagochtend heeft aangebeld bij de woning van [slachtoffer] om hem te laten weten dat hij zijn schuld moet betalen. Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van een valse naam, maar ook de namen [medeverdachte A], [naam2] en Hells Angels genoemd, waardoor -mede door het gebruik van de laatste twee- vrees bij [slachtoffer] is aangejaagd. Voorts waren de vrouw en kinderen van [slachtoffer] ook in de woning aanwezig en was het zoontje getuige van de bedreiging door [verdachte B].

5. De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten.

6. De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de reclassering van 20 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte aangeeft in sommige situaties impulsief te handelen en een kort lontje te hebben. Verdachte heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in de reclassering. Gelet op de ontkenning van het ten laste gelegde heeft de reclassering zich onthouden van een strafadvies. Verplicht reclasseringscontact is niet geïndiceerd.

7. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank het niet wenselijk een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Om die reden zal de rechtbank afwijken van de eis van de officier van justitie. Echter zal de rechtbank naast de (on)voorwaardelijke gevangenisstraf ook een werkstraf opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,-- wegens immateriële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tot hoofdelijke toewijzing van de vordering geconcludeerd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu de raadsvrouw vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit, heeft zij eveneens afwijzing van de vordering benadeelde partij bepleit.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van € 500,--. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat voor een hoofdelijke veroordeling geen aanleiding bestaat, omdat de door verdachte gepleegde onrechtmatige daad als op zichzelf staand moet worden beschouwd. Voor het overige zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren nu deze van niet zo eenvoudige aard is dat deze kan worden afgedaan in het strafproces.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

* een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres, plaats] (rekeningnummer onbekend), van een bedrag van € 500,--, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], voornoemd, een bedrag te betalen van € 500,--, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan deze benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, Van Valderen en Davids, rechters, in tegenwoordigheid van 27 april 2010, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van mr. Van Soest.

Voetnoten:

1 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 83 en 84).

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 84).

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 84).

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 84).

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 84).

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (pagina 84).

7 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] (pagina 97 en 98).

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (pagina 521).

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (pagina 521).

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (pagina 521).

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (pagina 522).

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (pagina 526).

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (pagina 533).

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (pagina 534).

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (pagina 534).

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (pagina 543).

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] (pagina 538).

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] (pagina 538).

19 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 86).

20 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 87).

21 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 87).

22 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 87).

23 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 612).

24 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 612).

25 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 613).

26 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 613 en 628).

27 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 614).

28 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 614).

29 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte B] (pagina 640).

30 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

31 Verklaring verdachte [verdachte B] ter terechtzitting.

32 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte C] (pagina 572 en 575).

33 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte C] (pagina 572 en 575).

34 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte C] (pagina 583).

35 Proces-verbaal internet onderzoek (pagina 305).

36 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 315).

37 Proces-verbaal, ambtelijk verslag (pagina 320).

38 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 665-666).

39 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 665).

40 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 666).

41 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 666).

42 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 677).

43 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 666).

44 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 672 en 680).

45 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (pagina 681).

46 Proces-verbaal van bevindingen (pagina 557).

47 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam3] (pagina 555).

48 Zie ook Hoge Raad 22 december 2009, LJN BK 3356.