Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM1690

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
98875 - HA ZA 08-1452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deskundigenbenoeming; IWMD-vraagstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 98875 / HA ZA 08-1452

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. J.F. Schultz te Emmen,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 augustus 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2009

- de akte uitlatingen van [eiseres]

- de akte uitlaten deskundige van Allianz

- de antwoordakte van [eiseres]

- de antwoordakte van Allianz.

-

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 24 juni 2004 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij [eiseres] van achter is aangereden door een bij Allianz (WAM) verzekerd motorvoertuig.

2.2. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval en de schadeplichtigheid voor de als gevolg van het ongeval veroorzaakte schade erkend.

2.3. Na het ongeval is [eiseres] onder meer onder behandeling geweest van revalidatiecentrum ‘De Hoogstraat’ te Utrecht, Gezondheidscentrum ‘De Loswal’ te Bunnik en een osteopaat.

2.4. Ter bepaling van de gevolgen van het ongeval zijn rapportages opgesteld door drs. R.S.H.M. Beijersbergen, neuroloog, dr. J. Bruins, neuropsycholoog, en H.R. Betten, arbeidsdeskundige.

Beijersbergen heeft op de vraag “Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen?” onder meer het volgende geantwoord: “Alles tezamen heeft betrokkene nog vrij aanzienlijke restklachten, die haar belemmeren op diverse terreinen van het leven en die deels wijzen op het bestaan van een licht chronisch laat postwhiplashsyndroom, maar anderzijds ook op het bestaan van verwerkingsproblematiek, zich uitend in een matige depressie en angstproblematiek. Eén en ander heeft uiteraard een zeer negatieve invloed op haar mogelijkheid tot functioneren en het hernemen van activiteiten.”

Op de vraag: “Wat zijn de bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?” is onder meer het volgende geantwoord: “Daarnaast achtten wij een aanvullend neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 25.06.2007. Betrokkene heeft aanvankelijk de rapportage geblokkeerd, doch heeft zij deze op 12.10.2007 gedeblokkeerd. De reden ligt vermoedelijk in de bevinding, dat er feitelijk geen objectieve cognitieve functiestoornissen kunnen worden vastgesteld, doch wel dat er sprake is van psychogene[n] problematiek. Dit spoort uiteraard niet met het verwachtingspatroon van betrokkene zelf. (…) Wel wordt bevestigd dat er aanzienlijke psychogene problematiek is in de vorm van een matig ernstige depressie en angstproblematiek. Deze op zich kunnen al een verklaring vormen voor de door betrokkene ervaren subjectieve problemen op cognitief niveau.”

De diagnose heeft Beijersbergen gesteld op: “Bij het haar overkomen ongeval liep betrokkene een fors acceleratieletsel op van de nekstreek. Actueel toont zij een licht chronisch laat postwhiplashsyndroom (…). De nevendiagnose luidt dat zij onderhevig is aan een matig ernstige depressie en angstproblematiek.”

Bij de vraag naar de mate van functieverlies heeft Beijersbergen opgemerkt dat [eiseres] ook psychologische problemen ervaart die volgens de neuropsycholoog geduid kunnen worden als secundair gevolg van het haar overkomen letsel. Om de vraag te kunnen beantwoorden of de psychologische problemen tot een percentage invaliditeit leiden is een aparte psychologische beoordeling nodig.

De vraag of er nog verbetering of verslechtering is te verwachten heeft Beijersbergen beantwoord met: “(…) Het is echter wel duidelijk geworden uit het neuropsychologisch onderzoek dat er belangwekkende nevenschikkende verwerkingsproblemen zijn, die uiteraard bij een goede afwikkeling onder begeleiding van een psychotherapeut tot een aanzienlijk beter functioneren van betrokkene zou moeten kunnen leiden.”

Op de vraag “Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in haar huidige toestand (…)?” heeft Beijersbergen onder meer geantwoord: “Bij het lichamelijk onderzoek is er hypertonie van de musculatuur van de nek en van de schoudergordel met pijn bij bewegen naar de uiterste standen. Zij wordt hierom licht beperkt belastbaar geacht ten aanzien van nek- en schouderbelastende werkzaamheden zoals klimmen, klauteren, kruipen, langdurig gebogen zitten of staan en fors torderen. Daarnaast is het gebruik van de nek in statisch belastende en vooral van de neutrale stand afwijkende houding matig beperkt. Met name het omhoogkijken is beperkt. Dit geeft derhalve ook beperkingen bij zwaarder tillen en dragen. Daar stresserende omstandigheden een negatieve invloed hebben op de nek en schoudergordel, dient er ook geen sprake te zijn van een hoge werk- of tijdsdruk. (…)”

2.5. Altrecht geestelijke gezondheidszorg heeft aan de raadsman van [eiseres] bij brief van 11 augustus 2009 onder meer het volgende bericht:

“Hierbij bericht ik u dat cliënte eerder dit jaar op eigen initiatief de behandeling binnen ons centrum beëindigd heeft. Ze liet zich helaas niet motiveren haar besluit uit te stellen en nog een aantal weken te profiteren van ons aanbod. (…)

DSM-IV na intake:

As I : pijnstoornis gebonden aan zowel psychische factoren als een somatische aandoening

As II : uitgesteld

As III : chronische pijnklachten in bewegingsapparaat

Ass IV : problemen gebonden aan sociale omgeving, werkproblemen, financiele problemen, andere psychosociale problemen

Ass V : GAFscore: 50”

2.6. De (fictieve) arbeidsongeschiktheid van [eiseres] is per 27 juni 2006 vastgesteld op 55% (klasse 35 – 80%). Het door [eiseres] ingediende bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. H.F. Westerman, bezwaararbeidsdeskundige, concludeert op 14 februari 2007 (productie 4 bij brief van 22 oktober 2009) dat de re-integratievisie niet adequaat tot stand is gekomen en daardoor niet adequaat ingevuld. Het primaire team zal in samenspraak met cliënte een goede re-integratievisie op moeten stellen.

2.7. Voor het ongeval was [eiseres] in loondienst werkzaam bij het UMC Utrecht voor 5 uur per week als organist; tevens stelde zij de liturgie samen. Daarnaast gaf zij als zelfstandige pianolessen, zangles, dirigeerde zij een koor en verleende haar medewerking aan een muziekcursus. Tot slot beschilderde [eiseres] clavecimbels.

2.8. Tot 5 november 2009 heeft Allianz een bedrag van € 56.500,00 aan voorschotten betaald.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I zal verklaren voor recht dat Allianz aansprakelijk is jegens [eiseres] voor alle door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het haar overkomen verkeersongeval van 24 juni 2004, alsmede

II Allianz zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 575.165,40, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2004, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede

III Allianz zal veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke fiscale garantie, zoals omschreven onder punt 30 van de dagvaarding, alsmede

IV de veroordeling zal uitspreken onder voorbehoud dat de huidige WIA-uitkering blijft voortbestaan, alsmede

V Allianz zal veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening binnen genoemde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag volgens het gebruikelijke liquidatietarief.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Door de klachten als gevolg van het ongeval heeft [eiseres] schade geleden en zal zij in de toekomst schade lijden door verlies van arbeidsvermogen. Dit wordt totaal begroot op € 526.346,00. Overige materiële schade door het ongeval voor reiskosten en dergelijke begroot zij op € 15.000,00. Wegens redelijke kosten voor buitengerechtelijke rechtsbijstand vordert zij € 15.134,40. Door beperkingen als gevolg van het ongeval is zij niet meer in staat om bepaalde werkzaamheden in het huishouden en in de tuin te verrichten. Zij vordert ter zake hiervan in totaal € 8.685,00. De immateriële schade bedraagt € 20.000,00. De fiscale garantie wordt gevorderd ter voorkoming dat het risico van een belastingaanslag voor de ontvangen schadevergoeding op [eiseres] wordt afgewenteld. Het WIA-voorbehoud wordt gevorderd voor het geval de kwade kans zich realiseert dat de huidige WIA-uitkering van [eiseres] wordt verlaagd of beëindigd.

4. Het verweer

4.1. Allianz concludeert primair dat de rechtbank [eiseres] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen met haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met veroordeling van [eiseres] in de nakosten ad € 131,00 dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt ad € 199,00 en eventuele verdere executiekosten,

althans subsidiair, dat de rechtbank aan een eventueel toewijzend vonnis de uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal onthouden althans aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring de voorwaarde zal verbinden dat tot een door de rechtbank te bepalen bedrag door [eiseres] zekerheid wordt gesteld, een en ander met bepaling van de termijn:

a. waarbinnen de zekerheid moet worden aangeboden of gesteld op straffe van verval van de bevoegdheid en met het oog op welke uitoefening de zekerheid is geboden;

b. waarbinnen de geboden zekerheid door Allianz moet worden aanvaard of geweigerd, op straffe van verval van haar bevoegdheid om zekerheidsstelling te eisen,

kosten rechtens.

4.2. Op de verweren van Allianz zal - voor zover van belang - hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Het geschil tussen partijen gaat om de vraag welke gevolgen [eiseres] heeft ondervonden en nog ondervindt van het haar op 24 juni 2004 overkomen ongeval. Uit de rapportages komt het beeld naar voren van iemand die als gevolg van een achterop aanrijding klachten heeft ontwikkeld die medisch gezien niet hebben geleid tot objectiveerbare afwijkingen, maar die bij betrokkene maken dat zij niet in staat (b)lijkt te zijn om weer als vóór het ongeval te functioneren. Cruciaal is het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre de psychische problematiek van [eiseres] de gevolgen van het ongeval (mede) hebben bepaald.

5.2. De stellingen van Allianz dat er in het medisch dossier geen enkele indicatie is te vinden voor psychiatrische klachten door het ongeval en dat er pas aan een psychiatrisch onderzoek wordt toegekomen als daarvoor een medische indicatie bestaat, houden geen stand. Uit de rapportage van Beijersbergen, waarin de bevindingen van de neuropsycholoog zijn opgenomen, blijkt dat een zeer belangrijk deel van de subjectieve klachten van [eiseres] wordt bepaald door psychogene problematiek (zie rov. 2.4.). Gelet op de overweging van Beijersbergen (in het rapport van 30 november 2007) dat bij een goede afwikkeling onder begeleiding van een psychotherapeut [eiseres] tot een aanzienlijk beter functioneren zou moeten kunnen komen, is een psychiatrisch onderzoek eveneens van belang voor de beoordeling van de vraag in hoeverre, en op welke termijn, van [eiseres] had mogen worden gevergd dat zij haar muziekwerkzaamheden weer ter hand had genomen, dan wel mag worden gevergd dat ze weer werkzaamheden ter hand neemt. Dat eerst een uitdraai van het huisartsenjournaal over de periode van vijf jaar voor het ongeval beschikbaar moet zijn om tot een beter onderbouwde vraagstelling te komen, miskent dat een psychiater vanuit zijn expertise wellicht beter dan een medisch adviseur in staat moet worden geacht de bij behandelaars opgevraagde gegevens in een psychiatrische context te plaatsen en de relevante gegevens in het onderzoek te betrekken. Het lijkt er veeleer op dat Allianz in weerwil van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (LJN: BB5626) de beschikking wil krijgen over de medische informatie voorafgaand aan het ongeval, hetgeen tekort zou doen aan de strekking van het blokkeringsrecht van [eiseres]. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het in de procedure ingenomen standpunt van Allianz wat “onwillig” overkomt, nu in het buitengerechtelijke traject Allianz bij [eiseres] heeft aangedrongen op een psychiatrische expertise (productie 10 bij conclusie van antwoord), maar [eiseres] daaraan, anders dan ter comparitie van partijen, tot dan toe geen medewerking heeft willen geven.

5.3. Wat betreft de vraagstelling aan de psychiater heeft Allianz geen bezwaren aangevoerd tegen de door [eiseres] voorgestelde IWMD-vraagstelling, terwijl [eiseres] de voorgestelde vraagstelling van Allianz onder meer als niet adequaat heeft gekwalificeerd. Gelet hierop zal de deskundige de IWMD-vraagstelling (versie januari 2010) ter beantwoording worden voorgelegd. De rechtbank heeft de vraag “Is daarvoor nog behandeling op uw vakgebied nodig?” toegevoegd onder “Medische eindtoestand”.

De vraagstelling met toelichting luidt als volgt.

Algemene toelichting

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Aanbeveling 2.2.4. RMSR:

De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Aanbeveling 2.2.6 RMSR:

Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Aanbeveling 2.2.5 RMSR:

Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voorzover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.

Aanbeveling 2.2.7 RMSR:

Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Aanbeveling 2.2.8 RMSR:

Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Aanbeveling 2.2.15 RMSR:

Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Is daarvoor nog behandeling op uw vakgebied nodig?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

Aanbeveling 2.2.16 RMSR:

Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

3. OVERIG

Aanbeveling 2.2.11 RMSR:

Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij terzake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

5.4. Over de persoon van de deskundigen hebben de partijen geen eensluidend voorstel gedaan. De over en weer voorgestelde personen vinden geen genade in de ogen van de wederpartij. De rechtbank heeft dr. J.W.G. Meissner, psychiater, bereid gevonden tot het verrichten van het deskundigenbericht. Desgevraagd heeft hij verklaard vrij te staan ten opzichte van partijen en over de expertise te beschikken voor de beantwoording van de voorgestelde vragen.

5.5. Nu Allianz als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor de gevolgen van het aan [eiseres] overkomen ongeval, zal het voorschot als kosten ter vaststelling van de schade ten laste van Allianz worden gebracht.

5.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

beveelt een onderzoek door een psychiater en legt de deskundige de onder rechtsoverweging 5.3 opgenomen vragen voor,

benoemt tot deskundige :

dhr. dr. J.W.G. Meissner, psychiater

postadres: [adres, plaats]

werkadres: [adres, plaats]

e-mail: [e-mailadres]

bepaalt de hoogte van het voorschot, inclusief BTW, op het honorarium van de deskundige op € 1.325,00 inclusief BTW;

bepaalt dat de deskundige niet zal aanvangen met de werkzaamheden dan nadat Allianz het bedrag van € 1.325,00 ten behoeve van het voorschot op het honorarium van de deskundige heeft voldaan ter griffie van deze rechtbank op bankrekening nummer [nummer].726 t.n.v. Ministerie van Justitie (547), onder vermelding van: code 183, [eiseres] /Allianz, rolnummer 98875 HA ZA 08-1452, te betalen binnen twee weken na heden;

bepaalt dat de deskundige zo spoedig mogelijk nadat van de griffier het bericht is ontvangen dat Allianz het voorschot op het honorarium van de deskundige op de hiervoor aangegeven wijze heeft voldaan, tot het onderzoek zal overgaan;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden aanstonds dient te staken, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden eerst dient voort te zetten, nadat van de griffier het bericht is ontvangen dat partijen een aanvullend voorschot hebben betaald;

bepaalt dat de procesdossiers door partijen ter beschikking van de deskundige zullen worden gesteld;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijke bericht laat blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;

bepaalt dat de deskundige, voorafgaand aan toezending van zijn schriftelijke bericht aan de rechtbank, het concept van dit schriftelijke bericht eerst alleen aan [eiseres] zal toezenden opdat deze in de gelegenheid is te beslissen of van de inhoud van dit schriftelijke bericht aan de wederpartij en de rechtbank mededeling kan worden gedaan. Indien [eiseres] aan de deskundige heeft bericht geen beroep te willen doen op het haar toekomende recht om toestemming aan doorzending te onthouden, zal de deskundige het concept van de schriftelijke bericht aan partijen toezenden;

bepaalt dat de deskundige, voorafgaand aan toezending van zijn schriftelijke bericht aan de rechtbank, het concept van dit schriftelijke bericht aan partijen zal toezenden opdat partijen in de gelegenheid zijn om daarover opmerkingen te maken en dat de deskundige in het schriftelijke bericht doet blijken of partijen opmerkingen hebben gemaakt en wat zijn reactie daarop is geweest;

bepaalt dat de deskundige een met redenen omkleed schriftelijk rapport zal indienen ter griffie van deze rechtbank vóór 30 juni 2010, onder bijvoeging van een gespecificeerde rekening;

verzoekt de deskundige, indien [eiseres] van het recht om toestemming aan doorzending te onthouden gebruik maakt, dit schriftelijk aan de rechtbank mee te delen, onder bijvoeging van een gespecificeerde rekening;

bepaalt dat de zaak voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiseres], hetzij voor doorhaling zal worden uitgeroepen ter rolle van 4 augustus 2010;

bepaalt dat van doorhaling eerst sprake zal zijn nadat de definitieve nota van de deskundige door partijen zal zijn voldaan onder verrekening van het betaalde voorschot;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.