Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL8551

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
06/460429-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij schadevergoeding aan het slachtoffer betalen. De rechtbank acht poging tot doodslag bewezen. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke zaken zijn opgelegd en komt tot de oplegging van een lagere straf dan de vijf jaar die de officier van justitie had geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460429-09

Uitspraak d.d.: 23 maart 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1976],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Raadsman: mr. J.H. Hofstede te Doetinchem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 november 2009 te Doetinchem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal, (met) een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de rug

en/of de schouder en/of de (rechter) hand heeft gestoken en/of geduwd en/of

geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 25 november 2009 te Doetinchem

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((drie) (diepe) (steek- of

snij)wond(en) in de rug en/of schouder en/of een klaplong en/of (een)

blijvend(e) litteken(s) in/op de rug en/of in/op de (rechter) hand), heeft

toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met) een mes,

althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de rug en/of de schouder en/of

de (rechter) hand te steken en/of te duwen en/of te slaan en/of te snijden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 25 november 2009 te Doetinchem ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, althans een (scherp en/of puntig)

voorwerp, in de rug en/of de schouder en/of de (rechter) hand heeft gestoken

en/of geduwd en/of geslagen en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding

Op 25 november 2009, omstreeks 13.53 uur, werd er bij de meldkamer van de regiopolitie telefonisch melding gedaan van een vechtpartij op het adres [adres te plaats]. Er is een politie-eenheid ter plaatse gestuurd. Verbalisanten werden in de woning binnengelaten door de bewoner [bewoner]. In de woning werd [slachtoffer] aangetroffen die enkele wonden op zijn rug bleek te hebben en een snijwond aan zijn rechter pols/hand. Hij is met spoed overgebracht naar het ziekenhuis, alwaar hij een aantal dagen opgenomen is geweest, waarvan twee dagen op de intensive care in verband met een klaplong. [slachtoffer] heeft de politie verteld dat het letsel was veroorzaakt door verdachte. Verdachte is op 25 november 2009, omstreeks 21.15 uur, aangehouden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Hij heeft aangevoerd dat het feit bewezen kan worden verklaard op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen (pag. 27) waaruit blijkt dat de verbalisanten hebben geconstateerd dat de verwondingen bij [slachtoffer] vermoedelijk door een scherp voorwerp zijn toegebracht;

- de verklaring van de forensisch arts Van Douveren, (pag. 43-45) die een

snijverwonding aan de rechterhand heeft waargenomen, een wond op de schouder en twee verwondingen op de rug. Volgens de arts zou dit kunnen passen bij een snijdend voorwerp met twee snijvlakken.

- het onderzoek van de kleding van het slachtoffer en de foto's (foto's 15-21 en 23-26). De uiteinden van de beschadigingen zijn scherp, hetgeen volgens de officier van justitie er op duidt dat de kleding met een scherp voorwerp is doorboord.

Naar mening van de officier van justitie zijn de verwondingen tijdens een vechtpartij tussen verdachte en [slachtoffer] ontstaan. Hij heeft, onder verwijzing naar diverse bewijsmiddelen, een aantal mogelijke scenario's van het gebeurde geschetst en heeft geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk, zo niet uitgesloten, is dat de verwondingen bij [slachtoffer] zijn ontstaan doordat hij, verwikkeld in een vechtpartij met verdachte, ergens tegenaan is gebotst. Aangenomen kan worden dat [slachtoffer] is gestoken met een scherp voorwerp. Dit is niet gebeurd met een van de voorwerpen die op de plaats van het delict zijn aangetroffen. Het voorwerp waarmee is gestoken, is niet gevonden. Voorts heeft de officier van justitie uitgesloten dat [bewoner] [slachtoffer] heeft gestoken of dat [slachtoffer] zichzelf tijdens de vechtpartij (onbedoeld) heeft gestoken. Dit leidt in zijn visie tot de conclusie dat [slachtoffer] is gestoken door verdachte. Toen de vechtpartij begon, was [slachtoffer] nog niet verwond. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte na de vechtpartij iets van de vloer opraapte. Door tijdens de worsteling meermalen met een scherp voorwerp in het bovenlichaam te steken of te duwen, heeft verdachte geprobeerd [slachtoffer] te doden. Deze handelwijze gaat verder dan voorwaardelijk opzet en is boos opzet. Verdachte zou na de vechtpartij hebben geschreeuwd "die jongen moet dood" en ook gezegd "hij moet dood", hierbij doelend op [slachtoffer].

Dit alles dient in de visie van de officier van justitie te leiden tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat verdachte niet ontkent dat hij op 25 november 2009 heeft gevochten met [slachtoffer]. Verdachte ontkent dat hij een mes en/of een steekwapen bij zich heeft gehad en dat hij [slachtoffer] zou hebben gestoken. [slachtoffer] en [bewoner] hebben verklaard dat zij niets in de handen van verdachte hebben gezien. Niet uitgesloten dient te worden dat de verwondingen zijn ontstaan door een andere oorzaak, bijvoorbeeld tijdens de val, waarover alle drie verklaren. Van de beschadigingen aan de kleding is niet met zekerheid te zeggen dat deze zijn veroorzaakt door een mes of een ander steekvoorwerp. Indien deze door een mes of steekvoorwerp zijn ontstaan, dan is het de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is. Een andere niet uit te sluiten mogelijkheid is dat het een en ander is gebeurd tijdens de val of de worsteling op de overloop. Daarbij heeft de raadsman aangegeven dat getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en diens vriendin, de getuige [getuige]. Verdachte dient van alle feiten vrijgesproken te worden. Verdachte heeft geen opzet gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven, hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of een poging daartoe te ondernemen.

Subsidiair is aangevoerd dat het de vraag is of er sprake is van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu niet bewezen kan worden dat de klaplong veroorzaakt is door een steekvoorwerp, maar dat deze waarschijnlijk een andere oorzaak heeft. Verder is er geen blijvend letsel te verwachten. Verdachte heeft niet de intentie en opzet gehad [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel een poging daartoe te ondernemen. Nu de opzet niet bewezen kan worden dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 25 november 2009 naar de woning van [bewoner] in Doetinchem is gegaan. Hij hoorde dat [slachtoffer] op de bovenverdieping van de woning was. Hij is achter [bewoner] aangelopen en naar boven gegaan omdat hij met [slachtoffer] wilde praten over diens contacten met verdachtes ex-vriendin. Hij wilde verhaal halen bij [slachtoffer]. Op het moment dat hij boven kwam en [slachtoffer] zag zitten, is hij emotioneel geworden en heeft hij dingen tegen hem geroepen. Vervolgens stond [slachtoffer] op en ontstond er een vechtpartij op de overloop, waarbij zij ook op de grond zijn beland. [slachtoffer] zat op hem, maar heeft hem op een bepaald moment losgelaten. Verdachte kon toen opstaan. Hij had zijn eigen hand kapot en er zat bloed op zijn jas. Het is hem niet opgevallen dat er bloed op [slachtoffer] zichtbaar was. Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat [bewoner] zich nergens mee heeft bemoeid. [bewoner] en [slachtoffer] hebben niet gevochten2.

[slachtoffer] heeft verklaard3 dat hij op 25 november 2009 in de woning van [bewoner] was. Hij was boven. Op een gegeven moment kwam verdachte de kamer binnen. Er ontstond een vechtpartij waarbij [slachtoffer] verdachte op de overloop tegen de grond werkte. Verdachte probeerde hem te stompen. Toen verdachte zei dat hij rustiger zou worden heeft hij hem losgelaten en zijn ze opgestaan. [bewoner] zei op dat moment dat alles onder het bloed zat. De verdachte pakte op dat moment iets dat op de grond van de overloop lag. [slachtoffer] zag kort daarna dat hij een gat in zijn onderarm had, dat alles onder het bloed zat en hij voelde dat er iets van zijn rug druppelde. Hij heeft met zijn hand op de rug gevoeld en zag dat het bloed was. Hij had hevige pijn en kreeg bijna geen lucht meer. Hij heeft 112 gebeld. Kort daarna kwam de politie en even daarna een ambulance.

[bewoner] heeft verklaard4 dat [slachtoffer] op 25 november 2009 bij hem op bezoek kwam en dat kort daarna verdachte ook kwam. Verdachte wist op dat moment dat [slachtoffer] er ook was. Verdachte ging door het lint, had het wit op zijn lippen staan en ging naar boven. Terwijl hij de trap op stormde riep hij tegen [slachtoffer] "Ik maak je kapot" en "Ik zal je leven kapot maken". Hij vloog [slachtoffer] aan. Ze gingen worstelen en vielen op de overloop. Opeens bloedde [slachtoffer] heel erg, maar hij heeft niet gezien hoe het kwam. Hij heeft geen wapen gezien. Hij is vervolgens achter verdachte aangelopen, die naar buiten liep. Hij heeft gezien dat verdachte bloedspetters op zijn broek en handen had en dat verdachte naar het bloed op zijn handen keek.

De technische recherche van het Team Forensische Opsporing heeft een onderzoek naar sporen5 verricht op de plaats waar de vechtpartij heeft plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek in de woning zijn in de slaapkamer en op de overloop van de eerste verdieping op geen enkele plaats scherpe uitstekende delen aangetroffen. Ook zijn er in de woning geen scherpe voorwerpen aangetroffen met bloed daarop.

Uit de geneeskundige verklaring6 blijkt dat er bij onderzoek van [slachtoffer] op 25 november 2009 uitwendig letsel is waargenomen. Er waren 3 messteekwonden, waarvan twee in de rug en één in de rechter pols. Ook is pneumothorax, een klaplong, geconstateerd.

De forensisch arts heeft geconstateerd7 dat er bij [slachtoffer] sprake was van een snijwond aan de basis van de rechterduim en -pols, waarvan de randen aaneen waren gesloten met vijf hechtingen. Er waren een drietal verwondingen op de rug. Eén daarvan was op de linkerzijde op ongeveer één centimeter van de ruggenwervels. De lengte van de wond was twee centimeter. Een andere wond lag op een afstand van vierenhalf centimeter van de ruggenwervels. Ook deze had een lengte van twee centimeter. De derde verwonding lag tussen de ruggenwervels en voor het benige deel van het schouderblad.

Afgeleid kan worden dat de verwonding in de rechter borstkashelft waarschijnlijk de oorzaak was van de klaplong. Er was een penetrerende wond veroorzaakt, bijvoorbeeld met een mes, die de wand van de huid, spieren, ribben, het borstvlies en het longvlies doorboord heeft.

Uit vorenstaande bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] vóór aanvang van de vechtpartij geen verwondingen had en niet onder bloed zat. Direct na beëindiging van de vechtpartij was daar wel sprake van. De verwondingen waren penetrerende wonden. Er is gebleken dat er geen scherpe voorwerpen, bijvoorbeeld uitstekende scherpe delen aan de behangtafel, op de overloop aanwezig waren die het geconstateerde letsel tijdens de vechtpartij hebben kunnen veroorzaken. Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat [bewoner] bij de vechtpartij was betrokken en verdachte heeft expliciet verklaard dat [bewoner] zich niet met de vechtpartij heeft bemoeid. In aanmerking genomen dat niet is gebleken dat er ten tijde van de vechtpartij een vierde persoon aanwezig was en het op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de geconstateerde verwondingen op zijn rug bij zichzelf heeft toegebracht, kan het niet anders dan dat verdachte met een scherp voorwerp de verwondingen aan de rug van [slachtoffer] heeft toegebracht. [bewoner] en [slachtoffer] hebben niet gezien dat verdachte tijdens de vechtpartij iets in de handen heeft gehad, maar [slachtoffer] heeft wel gezien dat verdachte na de vechtpartij - terwijl hij vertrok - iets van de grond heeft gepakt. Hoewel er geen wapen/scherp voorwerp is gevonden, heeft de rechtbank gelet op het vorenoverwogene de overtuiging gekregen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] tijdens de vechtpartij meerdere keren met een scherp voorwerp heeft gestoken. Ten aanzien van de wond aan de rechterhand van [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is hoe deze is ontstaan, zodat verdachte van dit onderdeel vrijgesproken zal worden.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van de gebeurtenissen en voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten dan dat verdachte zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven. Verdachte was kwaad op [slachtoffer]. Hij raakte opgefokt en heeft zelf de confrontatie met hem opgezocht. Hij heeft bedreigingen geuit, is gaan vechten met [slachtoffer] en heeft hem tijdens die vechtpartij meerdere malen met een scherp voorwerp in de rug gestoken. Dat had heel anders kunnen aflopen dan nu het geval is geweest.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 25 november 2009 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of de schouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een trajectconsult rapport8 uitgebracht. Er is geen psychiatrische stoornis in engere zin, noch een verstandelijke beperking aantoonbaar, welke van invloed zou kunnen zijn op de ontkennende houding van verdachte. Hierdoor kan niet worden geadviseerd met betrekking tot het ten laste gelegde. Wel is er sprake van jarenlange verslavings- en persoonlijkheidsproblemen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter toelichting op zijn eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] het leven te ontnemen door hem aan te vliegen en meerdere malen met een scherp voorwerp te steken. Bij dit soort gedrag past alleen een gevangenisstraf van langere duur.

De raadsman heeft naast de primair bepleite vrijspraak geheel subsidiair verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, met in achtneming van hetgeen de reclassering heeft geadviseerd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte bij eindvonnis onmiddellijk in vrijheid te stellen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict. Hij wilde met [slachtoffer] praten over diens contacten met verdachtes ex-vriendin. Verdachte was op dat moment erg opgefokt en verbaal agressief. Desondanks heeft hij de confrontatie opgezocht. In de vechtpartij die vervolgens ontstond heeft hij [slachtoffer] meerdere malen met een scherp voorwerp in de rug gestoken. Verdachte heeft ernstig letsel opgelopen gedurende de vechtpartij, waarvan de gevolgen veel ernstiger hadden kunnen zijn.

Ten voordele van verdachte weegt dat hij blijkens zijn strafblad9 niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande een gevangenisstraf op zijn plaats. Rekening houdend met straffen die voor soortgelijke feiten zijn opgelegd, is zij van oordeel dat een kortere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, is aangewezen.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. De rechtbank zal hiervan 12 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Hiermee wordt beoogd verdachte er van te weerhouden in de toekomst nogmaals een strafbaar feit te plegen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het risico op een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer mogelijk zal blijven bestaan, nu het slachtoffer een relatie heeft met de ex-vriendin van verdachte, met wie verdachte een dochter heeft.

Gelet op de op te leggen straf zal het door de raadsman gedane verzoek om verdachte bij eindvonnis onmiddellijk in vrijheid te stellen, worden afgewezen.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder verdachte in beslag genomen messen niet in verband gebracht kunnen worden met hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd. Hij heeft gevorderd deze aan verdachte terug te geven. Ten aanzien van de kleding heeft hij de teruggave daarvan aan het slachtoffer gevorderd.

De raadsman heeft zich niet over de inbeslaggenomen voorwerpen uitgelaten.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde en het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.140,55 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

Ook wordt de wettelijke rente gevorderd met ingang van de schadedatum. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wegens de door hem bepleite vrijspraak afgewezen dient te worden.

Subsidiair heeft hij aangevoerd zich terzake bij de officier van justitie aan te sluiten en voorts dat de vordering aanzienlijk gematigd dient te worden omdat het slachtoffer een groot aandeel in het gebeurde zou hebben. Er is ook geen ruimte voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand, omdat de noodzaak daartoe niet aanwezig was.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Het is een ervaringsgegeven dat een slachtoffer door een dergelijk handelen schade ondervindt. Zulks is uit de aangifte en de slachtofferverklaring ook gebleken. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 1.500,--. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van de pleegdatum van het feit, namelijk 25 november 2009.

De benadeelde partij zal voor de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan derhalve dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat benadeelde partij terzake het bedrag van € 523,60, alsmede het voorts gevorderde bedrag van € 1.295,95 niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering op deze onderdelen onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan derhalve ook dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Poging tot doodslag.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

* gelast de teruggave van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: 4 messen;

* gelast de teruggave van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan [slachtoffer], te weten: 6 stuks kleding;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.500,--, met veroordeling in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2009.

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.500,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* wijst af het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling.

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Van der Hooft en Troost, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2010.

Mr. Troost is buiten staat mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0634/08-206979, gesloten en ondertekend 22 augustus 2008.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 69-73

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], pag. 34-39

4 Processen-verbaal van verhoor van [bewoner], pag. 88-91 en 94-99

5 Proces-verbaal van sporenonderzoek, genummerd 2009096405-17

6 Geneeskundige verklaring Menting van 26 november 2009, pag. 42

7 Letselbeschrijving door H.H.Q.P. van Douveren, forensisch arts, pag. 43-45

8 Trajectconsult rapport door J.H. Verhoef, psychiater van het NIFP d.d. 14 december 2009

9 Uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 november 2009