Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL8525

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
09/334
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BN8815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opbrengst van reclamebelasting wordt gebruikt voor subsidieverstrekking aan Stichting Ondernemersfonds Doetinchem ten behoeve van activiteiten en voorzieningen ter promotie en verbetering van het verblijfsklimaat in het centrum van Doetinchem. Dit bestedingsdoel maakt niet dat de reclamebelastingverordening onverbindend is. Nu de opbrengst wordt gebruikt voor versterking van het centrum, heeft de raad het belastinggebied mogen beperken tot het centrum. Ontbreken van tariefsdifferentiatie leidt niet tot onredelijke en willekeurige belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0836
Belastingblad 2010/659

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nr.: 09/334

Uitspraak in het geding tussen:

[naam BV]

gevestigd te Heerhugowaard,

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem

verweerder.

1. Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 30 juni 2008 (nummer [nummer]) heeft verweerder aan eiseres een aanslag in de reclamebelasting opgelegd voor het jaar 2008 ten bedrage van € 474,-.

Bij uitspraak op bezwaar van 11 februari 2009 heeft verweerder het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 december 2009. Voor eiseres zijn verschenen

P.C. Walraven en J.C. van Ofwegen, beide werkzaam bij de Raad Nederlandse Detailhandel (RND). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.G. Borghols en

A.G.J.D. Tenten.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres is gebruiker van het winkelpand aan de [adres], gelegen in het centrum van Doetinchem.

2.2. Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.

2.3. Op 13 december 2007 heeft de raad van de gemeente Doetinchem de Verordening reclamebelasting 2008 (hierna: de verordening) vastgesteld. Artikel 3 van de verordening bepaalt dat ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting kan worden geheven. In artikel 2 van de verordening is het belastinggebied beperkt tot het centrum, zoals aangegeven op de bij de verordening behorende kaart. In artikel 5 van de verordening is het tarief bepaald op een vast bedrag van € 474,- voor één of meer aankondigingen die worden aangetroffen per roerende of onroerende zaak.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het winkelpand van eiseres is gelegen in het gebied waarbinnen de verordening van toepassing is. Evenmin is in geschil dat sprake is van een openbare aankondiging die vanaf de openbare weg zichtbaar is. Partijen houdt verdeeld of de verordening verbindend is. Meer in het bijzonder betreft het de volgende geschilpunten:

(a) of de raad bevoegd was de verordening vast te stellen (2.5);

(b) of de raad het belastinggebied heeft mogen beperken tot het centrum (2.6);

(c) of de belastingheffing leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing (2.7).

2.5. Eiseres stelt in de eerste plaats dat de onderhavige reclamebelasting moet worden aangemerkt als een heffing ter bestrijding van niet-overheidsuitgaven op verzoek van de Ondernemersvereniging Doetinchem (OVD). Volgens eiseres is geen sprake van een op grond van de Gemeentewet toegelaten heffing, maar van het verplicht contributie betalen voor het lidmaatschap van de OVD.

2.5.1. Uit het raadsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de reclamebelasting in het centrum van Doetinchem (hierna: het voorstel), blijkt dat de OVD hierom heeft verzocht om aan het zogenaamde centrummanagement (zoals onder meer het organiseren van evenementen, citymarketing en de aankleding van het centrum) invulling te geven, waarmee tevens het zogenaamde ‘free riders’-gedrag moet worden voorkomen. Ter uitvoering van het centrummanagement en alle bijbehorende taken is de Stichting Ondernemersfonds Doetinchem opgericht (hierna: de stichting). Deze stichting ontvangt de opbrengst van de reclamebelasting, na aftrek van de perceptiekosten, als subsidie om het centrum te versterken, aldus het voorstel.

2.5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder niet te volgen in zijn stelling dat het gerechtvaardigd is dat de opbrengsten van de reclamebelasting worden gebruikt ten behoeve van de ontwikkeling (van het centrummanagement) van het centrum van Doetinchem. De reclamebelasting is een algemene belasting die een gemeente op basis van artikel 227 van de Gemeentewet kan heffen, waarvan de opbrengst in de algemene middelen vloeit en vrij besteedbaar is. Het staat de raad vrij om de opbrengst uit de reclamebelasting aan te wenden op de wijze die het beste past bij het gemeentelijk beleid. In dit geval heeft de raad besloten dat de opbrengst van de reclamebelasting in de vorm van een subsidie aan de stichting wordt verstrekt ten behoeve van het financieren van activiteiten en voorzieningen voor de promotie en verbetering van het verblijfsklimaat in het centrum van Doetinchem. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeentelijke wetgever hiermee niet buiten zijn bevoegdheden getreden.

2.5.3. Dat eiseres het niet eens is met de wijze van besteding van de opbrengst van de reclamebelasting en – zoals zij stelt – haar eigen landelijke marketingactiviteiten onderneemt en hierbij niet is gecharmeerd van enige bemoeienis van de gemeente Doetinchem, kan – gelet op 2.5.2 – aan de verbindendheid van de verordening niet afdoen. Aan de verbindendheid van de verordening doet evenmin af dat de raad – zoals uit het voorstel blijkt

– de reclamebelasting uitsluitend heft omwille van haar opbrengst ten behoeve van de stichting en niet om openbare aankondigingen terug te dringen. Voorts is de rechtbank van

oordeel dat de stelling van eiseres dat zij wordt verplicht contributie te betalen voor het lidmaatschap van de OVD feitelijke grondslag mist.

2.6. Eiseres betoogt voorts dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de heffing uitsluitend is beperkt tot het centrum van de gemeente Doetinchem.

2.6.1. De rechtbank stelt voorop dat de gemeentelijke autonomie ten aanzien van het invoeren van lokale belastingen, zoals afgebakend in de Gemeentewet, het mogelijk maakt dat een belasting zoals de reclamebelasting slechts in een deel van de gemeente wordt ingevoerd, mits daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat.

2.6.2. Uit het voorstel komt naar voren dat de raad voor de invoering in uitsluitend het centrum als beweegreden heeft dat de opbrengst van de reclamebelasting in de vorm van een aan de stichting te verstrekken subsidie uitsluitend ter versterking van het centrumgebied wordt ingezet. Het zogenaamde centrummanagement ziet – zo blijkt uit het voorstel – onder meer op het organiseren van diverse evenementen in het centrum (zoals bijvoorbeeld stadsfeesten, pleinconcerten en een ijsbaan), de promotie van het centrum, koopstroomonderzoeken, de aankleding van het centrum en het aanbrengen van feestverlichting. De opbrengst van de belasting valt volgens verweerder dus niet ten gunste van ondernemers of particulieren die buiten het centrum zijn gevestigd.

2.6.3. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn opvatting dat juist de in het centrumgebied gevestigde belastingplichtigen op enigerlei wijze profijt hebben van een levendig ‘aangekleed’ centrum met aantrekkelijke activiteiten en voorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de door de raad gehanteerde overwegingen een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen om de heffing van reclamebelasting in geografische zin te beperken tot het centrumgebied van Doetinchem.

2.7. Eiseres stelt verder dat sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing, aangezien met enkele aankondigingen ‘[naam BV]’ op de voorgevel echt geen jaarlijks voordeel wordt behaald van € 474,-. Daarnaast heeft de gemeente ten onrechte geen tariefsdifferentiatie in de verordening opgenomen, aldus eiseres. Eiseres verwijst in dit verband naar de gemeenten Amsterdam en Rotterdam die dit wel hebben gedaan. Ook meent eiseres dat een openbare aankondiging in een centrumgebied met veel reclame juist minder effectief is en minder profijt oplevert dan in de buitenwijken.

2.7.1. Verweerder heeft aangevoerd dat de reclamebelasting een algemene belasting is, die (mede) is gebaseerd op het profijtbeginsel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit echter niet betekent dat de individuele heffing moet worden gerelateerd aan het profijt dat een individu heeft bij zijn openbare aankondiging. Voorts overweegt de rechtbank dat de raad bij verordening keuzes heeft gemaakt met betrekking tot de invulling van de bij de Gemeentewet gegeven bevoegdheid reclamebelasting te heffen – zoals de keuze voor een uniform tarief en de hoogte daarvan – en dat de rechter deze keuzes slechts zeer

terughoudend kan toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het ontbreken van een tariefsdifferentiatie in dit geval niet tot een onredelijke of willekeurige belastingheffing en staat het verweerder derhalve vrij een uniform tarief te hanteren. De stelling van eiseres dat

een openbare aankondiging juist minder profijt oplevert in het centrumgebied dan in de

buitenwijken – wat daar verder ook van zij – maakt het voorgaande niet anders.

2.8. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank van onverbindendheid van de verordening geen sprake.

2.9. Voor zover eiseres ten slotte ter zitting nog heeft betoogd dat de gemeente in dit geval gebruik had moeten maken van een zogenaamde BIZ-heffing, merkt de rechtbank op dat de wet die het gebruik van deze heffing mogelijk maakt, in het onderhavige belastingjaar 2008 nog niet in werking was getreden en dat het bovendien aan de raad van de gemeente Doetinchem is te besluiten welke heffing wordt ingevoerd.

2.10. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mr. K. van Duyvendijk en

mr. R.P. van Baaren, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.