Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL7591

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
106574 FARK 09-1906
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek beëindiging partneralimentatie in verband met samenwoning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 106574 FARK 09-1906

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 16 maart 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. M.J. van Dijk te Zevenaar,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. L.Th.B. Grob te Doetinchem.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 25 september 2009;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 24 november 2009;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 14 december 2009;

- de brief met bijlagen van mr. Van Dijk van 27 januari 2010;

- de brief van mr. Grob van 29 januari 2010;

- de brief met bijlage van mr. Van Dijk van 4 februari 2010;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 9 februari 2010.

De feiten

Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2003 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 7 juli 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Zeist.

In deze beschikking is voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bijdrage dient te voldoen van € 1.000,-- per maand.

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair zal bepalen dat de alimentatieplicht van de man per 7 juli 2003 van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

- subsidiair zal bepalen dat er redenen zijn gelegen in het gedrag van de vrouw om de beschikking van 2 juli 2003 in die zin te wijzigen dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud met ingang van 7 juli 2003 wordt beëindigd;

- meer subsidiair dat de beschikking van 2 juli 2003 zal wijzigen in die zin dat de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw over de periode van 7 juli 2003 tot de datum van indiening van het verzoekschrift wordt vastgesteld op het bedrag dat in deze periode door de man aan de vrouw is betaald, en met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift op nihil wordt gesteld, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

kosten rechtens.

De man stelt primair dat zijn alimentatieverplichting is geëindigd op grond van artikel 1:160

BW, nu de vrouw in 2003 een affectieve relatie is aangegaan met [naam]. De vrouw is met deze nieuwe partner in haar woning gaan samenwonen, zij voerde met hem een gemeenschappelijke huishouding en er was sprake van wederzijdse verzorging. De vrouw heeft vanuit haar woning met [naam] een zakelijke onderneming gedreven, te weten [onderneming te plaats], Gelderland. De man is toen met de alimentatiebetaling aan de vrouw gestopt. De vrouw heeft dat geaccepteerd en zij heeft verder ook geen maatregelen ter invordering van de alimentatie getroffen, ook niet in de tijd dat op haar de wettelijke schuldsanering van toepassing was. De man biedt aan zijn stellingen met nader bewijs waaronder het horen van getuigen te onderbouwen.

Subsidiair stelt de man dat de vrouw en [naam] de man en zijn familie veelvuldig hebben lastig gevallen en belasterd. Ook hebben zij de zakenrelaties van de man lastig gevallen, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat de man gedwongen is geweest om zijn bedrijf te stoppen. De man had toen geen geld en geen inkomsten meer. De man is van mening dat het grievende gedrag van de vrouw dermate ernstig is dat van hem niet langer in redelijkheid kan worden verlangd dat hij alimentatie betaalt.

Meer subsidiair stelt de man de beschikking van 2 juli 2003 op grond van een wijziging van omstandigheden opgehouden heeft aan de wettelijke maatstaven te voldoen, nu de man door een aanzienlijke inkomensterugval niet meer in staat is de vastgestelde alimentatie te betalen. De man heeft daaraan toegevoegd dat partijen weliswaar ten tijde en ter gelegenheid van de echtscheiding een convenant hadden ondertekend, op grond waarvan hij aan de vrouw een bedrag van € 1.000,-- per maand zou betalen, maar dat hij mondeling met de vrouw had afgesproken dat hij aan de rechtbank verlaging van de alimentatie zou vragen. De man heeft deze procedure uiteindelijk niet meer in gang gezet omdat de vrouw in de zomer van 2003 ging samenwonen als ware zij gehuwd.

De man is in juli 2003 naar Spanje vertrokken, waar hij zijn bedrijf wilde voortzetten. Dit bedrijf is failliet gegaan. De man is begin 2004 met zijn nieuwe partner naar China gegaan, waar hij tot april 2005 heeft gewoond. Het is hem niet gelukt om daar inkomsten te verwerven. Hij is in april 2005 naar Nederland teruggekomen, waar hij een Wwb-uitkering heeft aangevraagd. De man is met een starterslening van de [gemeente] een eigen bedrijfje gestart, waarvoor hij een aflossing dient te betalen van € 1.258,33 per maand. Hij heeft dan ook geen draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

De man heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat er volgens hem overduidelijke bewijzen zijn, waaronder de verklaringen van de kinderen van partijen, dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd. Het feit dat [naam] nooit op het adres van de vrouw ingeschreven is geweest, staat daaraan niet in de weg. Uit een mailbericht van [naam] van 11 april 2004 geschreven van het mailadres van de vrouw blijkt dat [naam] nog op dat adres woonde en de computer van de vrouw gebruikte. Ook de inhoud van dat bericht duidt op een verstrengeling. De man heeft voorts aangegeven dat hij lang heeft geaarzeld om een procedure in gang te zetten, enerzijds omdat de alimentatieverplichting van rechtswege was geëindigd en anderzijds omdat hij de kinderen van partijen niet in deze zaak wilde betrekken.

Het verweer

De vrouw verzoekt dat de rechtbank de verzoeken van de man zal afwijzen.

De vrouw betwist dat zij met [naam] heeft samengewoond als ware zij gehuwd. Na het uiteengaan van partijen verkeerde zij in financiële moeilijkheden. De man betaalde geen alimentatie en zij kwam niet in aanmerking voor een uitkering. Na enige tijd is zij in contact gekomen met [naam] die haar enthousiast maakte om de wijngaard van zijn overleden vader te exploiteren. Later werd haar duidelijk dat [naam], van wie zij de wijngaard op haar naam moest zetten, haar als stroman had gebruikt. [naam] bleek een oplichter te zijn die zelfs in een uitzending van het tv-programma Opgelicht is geweest. De vrouw erkent dat [naam] vanaf juli 2003 enige tijd bij haar heeft gewoond, maar zij betwist dat zij samen met hem een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. De vrouw heeft [naam] in januari 2004 uit haar woning gezet. De vrouw ontkent voorts iets te maken te hebben gehad met de door de man gestelde gedragingen jegens hem, zijn familie of zakenrelaties.

De vrouw verzet zich tegen de stellingen van de man dat zij in juli 2003 afstand van de alimentatie zou hebben gedaan en dat de man een verlaging van zijn draagkracht zou vragen. Juist omdat tijdens het verblijf van de man in het buitenland geen incasso mogelijk was, heeft zij de vordering enige tijd laten rusten. Zij heeft de man bij brief van 4 november 2003 gesommeerd alimentatie te betalen. De man heeft daarop bij brief van zijn advocaat bericht dat hij geen draagkracht had. In die brief heeft hij er geen beroep op gedaan dat sprake zou zijn van samenleving als ware zij gehuwd.

De vrouw heeft de bewindvoerder in de schuldsanering op de hoogte gebracht van de bepalingen uit het convenant. Zo wist de bewindvoerder dat zij naast een bedrag van € 28.000,-- ook partneralimentatie tegoed had.

De vrouw voert tot slot aan dat de man, indien hij geen draagkracht meer had, eerder een verzoek tot wijziging bij de rechtbank had moeten indienen.

Ter terechtzitting heeft de vrouw herhaald dat er geen sprake was van een duurzame relatie, een gemeenschappelijke huishouding of wederzijdse verzorging. De vrouw was na de echtscheiding zeer labiel. Zij had financiële problemen en heeft in die tijd veel sollicitatiebrieven geschreven. Achteraf noemt de vrouw haar optreden erg naïef, maar zij was in die periode gevoelig voor de aandacht die zij van [naam] kreeg en er is gedurende een periode van twee à drie maanden sprake van een affectieve relatie geweest. In die tijd verbleef [naam] met enige regelmaat, maar niet dagelijks in haar woning. Hij sliep ook elders, maar zij weet niet waar. De vrouw heeft [naam] geld geleend, maar dat geld was bestemd voor de exploitatie van de wijngaard en is niet besteed aan levensonderhoud of kleding van [naam]. Na verloop van tijd kreeg zij door dat bepaalde zaken niet klopten en dat hij een oplichter was, die meer slachtoffers heeft gemaakt. [naam] heeft haar nog een tijd aan het lijntje gehouden. Volgens de vrouw heeft [naam] haar speciaal uitgezocht en misbruik gemaakt van haar situatie. De vrouw heeft aangifte gedaan en zij heeft [naam] sindsdien niet meer gezien. Het aan hem geleende geld heeft zij niet teruggekregen.

De vrouw heeft tot slot aangevoerd dat de man onvoldoende stukken heeft overgelegd voor de conclusie dat hij geen draagkracht heeft voor een bijdrage in haar levensonderhoud.

De beoordeling

De man dient te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat de vrouw heeft samengewoond met een ander als ware zij gehuwd. Daarvoor dient sprake te zijn van een duurzame effectieve relatie, samenwoning, een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Uit het feit dat de bewijslast bij de man ligt moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat deze criteria objectief beoordeeld dienen te worden. De bedoeling van de onderhoudsplichtige en de nieuwe partner kan slechts een beperkte rol spelen.

De man heeft aangevoerd dat [naam] rond mei 2003 bij de vrouw is ingetrokken. Zij hadden een affectieve relatie, er was sprake van een gezamenlijke huishouding en van wederzijdse verzorging, aldus de man.

De vrouw heeft bevestigd dat zij enige tijd een affectieve relatie met [naam] heeft gehad. In de kern heeft zij evenmin betwist dat zij met [naam] heeft samengewoond: [naam] was veel bij haar, en de vrouw heeft niet betwist dat de voicemail op beider naam stond en dat [naam] haar computer gebruikte. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat gelet op hetgeen partijen in de stukken en ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, moet worden geconcludeerd dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, hetgeen onder meer ook blijkt uit het feit dat [naam] zich kennelijk ook zeggenschap over de kinderen permitteerde.

Ook is er sprake geweest van wederzijdse verzorging. Uit hetgeen is verklaard en in de stukken is vermeld blijkt dat er financiële afhankelijkheid over en weer geweest. De vrouw heeft het contact met [naam] als kans gezien om weer aan het werk te komen en heeft daarop de mogelijkheid aangegrepen om [naam] geld te lenen, zodat deze zijn bedrijf kon opzetten. De vrouw heeft de onderneming van [naam] gedreven.

De vrouw heeft uiteindelijk enkel de duurzaamheid van de relatie betwist. Zo heeft zij toegelicht dat zij tot de conclusie is gekomen dat [naam] van meet af aan bijbedoelingen had. De affectieve relatie van [naam] en haar heeft maar drie maanden heeft geduurd en voor haar is de relatie eind 2003 geëindigd, ook al kwam [naam] nog tot april 2004 bij haar over de vloer.

De rechtbank acht de betwisting door de vrouw van de duurzaamheid van de relatie onvoldoende. Ongeacht eventuele bijbedoelingen van [naam] blijft overeind dat ook in de ogen van de vrouw sprake is geweest van een affectieve relatie. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm moet worden geconcludeerd dat sprake was van een affectieve relatie van duurzame aard. Dat de relatie feitelijk niet lang heeft geduurd, acht de rechtbank van ondergeschikt belang, nu naar de bedoeling van de vrouw en [naam] sprake is geweest van een duurzame relatie. Dat de vrouw de relatie is aangegaan met de bedoeling dat deze duurzaam zou zijn, staat niet ter discussie. Dat ook de bedoeling van [naam] is geweest dat de relatie duurzaam zou zijn, kan niet alleen worden afgeleid uit het feit dat hij bij de vrouw is gaan wonen, maar ook uit het feit dat hij zijn bedrijf op naam van de vrouw heeft gezet, hetgeen in het algemeen niet slechts voor korte tijd gebeurt. Eventuele bijbedoelingen van [naam] - voor zover daarvan sprake was - zijn zozeer verweven met diens subjectieve beleving, dat deze niet tot een andere conclusie kunnen leiden, nu - zoals hiervoor is overwogen - het uitgangspunt een objectieve benadering van de criteria dient te zijn.

Al met al heeft de vrouw onvoldoende aangevoerd dat kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van de stelling van de man dat sprake is geweest van samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. Zelfs indien de stellingen van de vrouw juist zijn, kunnen deze niet afdoen aan de conclusie dat zij heeft samengeleefd met de heer [naam] als waren zij gehuwd. Om die reden wordt niet toegekomen aan nadere bewijsvoering en dient het primaire verzoek van de man te worden toegewezen.

In het feit dat partijen ex-echtelieden zijn ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw per 7 juli 2003 van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.