Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL7580

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
109448 BZ RK 09-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing verzoek schadevergoeding BOPZ

Ten aanzien van verzoekster is sprake geweest van twee afzonderlijke lasten tot inbewaringstelling. De eerste voortzetting is door de rechtbank afgewezen, waarna verzoekster op vrijwillige basis in de instelling is verbleven. Op de tweede inbewaringstelling (een week later) is wel een voortzetting gevolgd en nadien een machtiging voortgezet verblijf.

Verzoek tot schadevergoeding over de periode dat verzoekster in de instelling verbleef vanaf de eerste inbewaringstelling tot aan het verlenen van de machtiging voortgezet verblijf.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 20
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 21
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 28
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 29
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 35
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2010/57 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 109448 BZ RK 09-848

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 11 maart 2010

op het verzoek tot schadevergoeding van:

[verzoekster],

verder te noemen verzoekster,

wonende te [plaats, gemeente],

verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis “GGNet, locatie RGC” te Doetinchem,

advocaat: jhr. mr. E.A.C. Sandberg te Vorden,

tegen

1. de stichting GGNet,

verder te noemen GGNet,

gevestigd te Warnsveld, gemeente Zutphen,

vertegenwoordigd door drs. H. Hugen, geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis “GGNet, locatie RGC ” te Doetinchem,

advocaat: mr. O.L. Doubrovskaia te Zwolle,

en

2. de burgemeester van de gemeente Doetinchem,

zetelende te Doetinchem,

verder te noemen de burgemeester.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verweerschrift met daarin het verzoek tot schadevergoeding, ingekomen op 16 december 2009;

- de brief met als bijlage een schriftelijke toelichting op het verzoek tot schadevergoeding van 10 februari 2010 van mr. Sandberg;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 11 februari 2010.

De feiten

Bij beschikking van 7 december 2009 heeft de burgemeester de inbewaringstelling van verzoekster gelast.

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 december 2009 is het verzoek van de officier van justitie van 8 december 2009 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoekster afgewezen.

Bij beschikking van 15 december 2009 heeft de burgemeester wederom de inbewaringstelling van verzoekster gelast.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 december 2009 is op verzoek van de officier van justitie van 16 december 2009 machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van drie weken. In die beschikking heeft de rechter voorts overwogen dat de raadsman van verzoekster een verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, en dat dit verzoek niet ter gelegenheid van het verhoor in het kader van het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling is behandeld, doch apart behandeld zal worden.

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2010 is op verzoek van de officier van justitie van 18 december 2009 voorlopige machtiging verleend om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van twee maanden.

Het verzoek

Ter beoordeling ligt thans voor het verzoek om toekenning van een schadevergoeding wegens het gedwongen verblijf van verzoekster in een gesloten afdeling tussen 9 en 15 december 2009 en het gedwongen verblijf vanaf 15 december 2009 tot het moment dat op dit verweerschrift is beslist, althans over een in goede justitie vast te stellen periode. In de schriftelijke toelichting, die is overgelegd bij brief van 10 februari 2010, is het verzoek aangevuld, in die zin dat verzoekster thans een (immateriële) schadevergoeding verzoekt van € 70,-- per dag gedurende 32 dagen, ingaande 7 december 2009.

De advocaat van verzoekster stelt dat verzoekster vanaf de eerste inbewaringstelling op 7 december 2009 tot aan het verlenen van de machtiging op 8 januari 2010 ten onrechte van haar vrijheid beroofd is geweest zonder recht of titel. Het verzoek is gericht tegen zowel GGNet als de burgemeester.

In de beschikking van 9 december 2009 heeft de rechtbank vastgesteld dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet kon worden verleend, omdat niet was voldaan aan het vereiste van onmiddellijk dreigend gevaar, nu verzoekster op dat moment reeds enkele weken op vrijwillige basis in de instelling verbleef. Verzoekster stelt dat dit oordeel maakt dat de last tot inbewaringstelling van de burgemeester van 7 december 2009 onrechtmatig is. De burgemeester is niet tot een deugdelijke afweging van de belangen gekomen. Uit het episodejournaal, bladzijde 6 van de geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift van de officier van justitie van 8 december 2009, blijkt dat hij de beslissing in slechts drie minuten heeft genomen.

De suggestie van de rechtbank tijdens de behandeling van het eerste verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling dat een voorlopige machtiging aangevraagd had moet worden, is niet direct opgepikt.

Verzoekster is vervolgens, hoewel de machtiging niet is verleend en ondanks haar dringende en persistente wens daartoe, zonder recht of titel op de gesloten jongerenafdeling opgenomen geweest. Haar vrijheid is in strijd met artikel 5 EVRM en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) beperkt.

Er was geen sprake van een noodsituatie, en voor zover wel van een noodsituatie kan worden gesproken, ziet deze op de situatie van de familieleden van verzoekster en niet op die van verzoekster zelf.

Op 15 december 2009 is opnieuw een last tot inbewaringstelling door de burgemeester gegeven, terwijl niet werd voldaan aan de eisen die de Wet BOPZ stelt. Er was geen sprake van een noodsituatie en er was geen onafhankelijk opgestelde geneeskundige verklaring voorhanden, omdat op de geneeskundige verklaring bij vraag 2 stond vermeld dat het onderzoek is verricht door drs. R.C.A. de Veen en dat deze niet betrokken was bij de behandeling van verzoekster, terwijl bij vraag 6 wordt aangegeven dat hij wel incidenteel bij haar behandeling betrokken is geweest. Bovendien brengt de eerdere afwijzing van de rechtbank zonder evidente wijziging van omstandigheden een aanzienlijk zwaardere motiveringsplicht met zich. Ook hier geldt dat een beslistermijn van zeven minuten van de burgemeester kennelijk te kort is om een redelijke en deugdelijke beslissing te nemen en een goede belangenafweging te maken. Om die reden zijn de tweede inbewaringstelling en de voortzetting van de inbewaringstelling eveneens onrechtmatig. Tegen de verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is hoger beroep noch beroep in cassatie mogelijk.

Op 21 december 2009 heeft de eerste behandeling op het verzoek om een voorlopige machtiging plaatsgevonden. Aldaar bleek dat drs. De Veen wel degelijk betrokken is geweest bij de behandeling van verzoekster en vraag 3 van de geneeskundige verklaring wederom niet juist was ingevuld. De behandelingsaantekeningen behorend bij het verzoekschrift van 18 december 2009 waren niet actueel genoeg. Het verzoek om een voorlopige machtiging is aangehouden in verband met de gebreken in de geneeskundige verklaring. Op 31 december 2009 is verzoekster onderzocht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken is geweest, waarna op 8 januari 2010 een voorlopige machtiging verleend.

Het verweer

Namens GGNet heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat GGNet in eerste instantie in de veronderstelling verkeerde dat het verzoek tot schadevergoeding tegen haar gericht was. Aanvankelijk was de grondslag van het bij verweerschrift gedane verzoek tot schadevergoeding geenszins duidelijk. Uit de toelichting kan opgemaakt worden dat het verzoek tot schadevergoeding is gebaseerd op art. 28 Wet BOPZ en art. 5 EVRM en kennelijk gericht is, althans dient te zijn, tegen de burgemeester. GGNet is aldus geen partij, maar dient de rechter slechts van informatie te voorzien.

Het onderhavige verzoek tot schadevergoeding voor een onrechtmatige last tot inbewaringstelling is gebaseerd op art. 28 Wet BOPZ en gedaan als een zelfstandig verzoek in een verweerschrift tegen het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van 15 december 2009. Dit brengt met zich dat de inhoud van het verweer-schrift ziet op een ander onderwerp dan het onderwerp van het verzoek tot schadevergoeding. Het verzoek tot schadevergoeding op grond van de last tot inbewaringstelling van 7 december 2009 is daarom niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de periode tussen 9 december 2009 en 15 december 2009 was geen sprake van een inbewaringstelling. Om die reden kan het verzoek over die periode niet slagen.

De Wet BOPZ, noch enige andere wet biedt de bevoegdheid om voorafgaand aan de totstandkoming van een BOPZ-maatregel dwang toe te passen. In een situatie dat onmiddellijk dreigend gevaar een andere handelswijze redelijkerwijze niet openlaat is zulke dwang wel geoorloofd. Er is dan sprake van een (rechtvaardigende) noodtoestand. Indien er onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn voor de psychische toestand of lichamelijke integriteit van de patiënt of van anderen is van een noodtoestand sprake. Uiteraard moet tevens rekening worden gehouden met proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Aan deze vereisten is voldaan.

De uitkomsten van het onderzoek door een onafhankelijke psychiater op 31 december 2009 zijn door verzoekster niet betwist. Deze bevindingen komen overeen met de bevindingen van GGNet en de aldaar werkzame personen die bij de behandeling van verzoekster betrokken zijn (geweest).

GGNet heeft verzoekster op vrijwillige basis opgenomen. Sindsdien is geen sprake geweest van vrijheidsbeneming zonder toestemming. De situatie is steeds met verzoekster besproken en steeds is zij akkoord gegaan. Het is ook niet juist dat zij van 9 tot 15 december 2009 op een gesloten afdeling heeft verbleven. Verzoekster is zelfs een aantal malen kortdurend naar huis geweest. De keren dat verzoekster in paniek wilde weglopen kunnen niet worden gekwalificeerd als weloverwogen beslissingen de zorg en opname te beëindigen. Op zulke momenten is zij eerder niet in staat haar wil te bepalen. Met toepassing van artikel 7:466 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de hulpverlener in zulke gevallen ingrijpen om ernstig nadeel te voorkomen en dat heeft GGNet gedaan. De zussen van verzoekster kunnen de situatie dat zij haar terug moeten brengen als zij weer enigszins is bedaard, thans niet meer aan. Er is geen mantelzorg of ondersteuningssysteem. Als zij de instelling daadwerkelijk zou verlaten, zou verzoekster gaan zwerven en daarmee brengt zij zichzelf in gevaar. De suïcidale uitlatingen van verzoekster nopen bovendien tot buitengewone zorgvuldigheid.

Het standpunt van de burgemeester

De gemachtigde van de burgemeester, de heer J.M.D. Snijder, heeft gesteld dat de burgemeester een last tot inbewaringstelling niet lichtvaardig afgeeft, omdat deze grote gevolgen voor de betrokkene heeft. Op basis van de informatie die aanwezig was op dat moment heeft de burgemeester, respectievelijk zijn plaatsvervanger, niet onrechtmatig gehandeld. De burgemeester meent zich te kunnen herinneren dat hij op 7 december 2009 telefonisch nog extra informatie heeft ingewonnen. Op 15 december 2009 heeft de locoburgemeester meer tijd genomen om de situatie te beoordelen.

De beoordeling

In het verzoek tot schadevergoeding vanaf de eerste inbewaringstelling op 7 december 2009 tot aan het verlenen van de machtiging op 8 januari 2010 zijn verschillende perioden te onderscheiden, die hierna achtereenvolgens zullen worden beoordeeld.

7 december tot 9 december 2009

In de periode van 7 december tot 9 december 2009 verbleef verzoekster op grond van de last tot inbewaringstelling van de burgemeester in GGNet. Het verzoek gedurende deze periode richt zich derhalve tegen de burgemeester. Aangevoerd is dat deze last tot inbewaringstelling onrechtmatig is. Art. 28 Wet BOPZ schrijft voor dat een verzoek tot schadevergoeding uitsluitend door verzoekster kon worden ingediend als zelfstandig verzoek bij het verweerschrift dan wel ter zitting. Enkel indien een last tot inbewaringstelling niet wordt gevolgd door een verzoek van de officier van justitie aan de rechtbank tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, bestaat nog de mogelijkheid binnen zes weken na de last van de burgemeester een schadevergoedingsverzoek in te dienen. Die situatie is hier niet aan de orde. Weliswaar wordt er in literatuur en jurisprudentie wel verdedigd dat een verzoek als het onderhavige in alle situaties nog tot zes weken na de last tot inbewaringstelling kan worden gegeven, maar nu de wettekst duidelijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ruime (met de letterlijke tekst strijdige) interpretatie, te meer nu de Hoge Raad zich hierover nimmer uitdrukkelijk heeft uitgesproken. Nu verzoekster haar verzoek tot schadevergoeding niet op de voorgeschreven wijze heeft ingediend, maar pas later als zelfstandig verzoek bij haar verweerschrift tegen het daaropvolgende verzoek van de officier van justitie van 16 december 2009 tot voorzetting van de (tweede) inbewaringstelling, zal de rechtbank het verzoek in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

9 december tot 15 december 2009

Vervolgens moet het verzoek over de periode van 9 december 2009 tot 15 december 2009 beoordeeld. Het verzoek richt zich gedurende deze periode tegen GGNet. De geneesheer-directeur heeft ter zitting toegelicht dat nadat de rechtbank het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling van 8 december 2009 op 9 december 2009 had afgewezen, met verzoekster is afgesproken dat zij die dag nog op dezelfde afdeling zou blijven en daarna naar een open afdeling zou gaan. Op 10 december 2009 is zij naar de open afdeling gegaan. Zij gaf stellig aan dat zij naar huis wilde en telkens is met haar gepraat, al dan niet in aanwezigheid van familie. Op 12 en 13 december 2009 is zij bij familie op bezoek geweest. Toen zij terugkwam ontstond gaandeweg de situatie die aanleiding vormde om een nieuwe inbewaringstelling te vragen. Zij liep in verwarde toestand de afdeling af en over de parkeerplaats van GGNet. Omdat men niet kon overzien wat verzoekster zou gaan doen, is zij gesloten geplaatst.

De rechtbank acht de stelling van verzoekster dat zij van 9 tot 15 december tegen haar zin in GGNet heeft verbleven, op grond van voormelde toelichting en op basis van de thans voorhanden zijnde informatie, onvoldoende aangetoond. Aan nader onderzoek wordt echter niet toegekomen. Nu de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling bij beschikking van 9 december 2009 niet is verleend, was sprake van een vrijwillig verblijf. In een dergelijke situatie is hoofdstuk II van de BOPZ niet rechtstreeks van toepassing, omdat verzoekster niet behoorde tot de daarin genoemde kring van patiënten. Voor zover GGNet in deze periode handelingen verricht heeft die slechts passen bij een gedwongen opname, moet er gelet op de hierover gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 maart 2009, BJ 2009/20) van worden uitgegaan dat verzoekster wel de in dit hoofdstuk van de wet genoemde rechtsmiddelen ter beschikking stonden, omdat op die wijze een samenhangende beoordeling mogelijk wordt gemaakt van klachten die zich richten tegen handelingen die zich uitstrekken over een periode onmiddellijk voor en na het begin van de onvrijwillige opname. Dit betekent dat zij ingevolge art. 41 BOPZ een klacht bij de klachtencommissie had kunnen indienen. Eerst na een afwijzende beslissing op die klacht stond beroep bij de rechtbank open. Niet is gebleken dat verzoekster een klacht heeft ingediend, zodat het verzoek ook voor zover het betrekking heeft op de periode van 9 tot 15 december 2009 niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

15 december tot 18 december 2009

In de periode van 15 december tot 18 december 2009 heeft verzoekster op grond van de last tot inbewaringstelling van de burgemeester van 15 december 2009 in GGNet verbleven. Het verzoek gedurende deze periode richt zich derhalve opnieuw tegen de burgemeester c.q. de gemeente Doetinchem. Nu verzoekster het zelfstandig verzoek tot schadevergoeding over deze periode heeft verzocht overeenkomstig de wijze die de wet voorschrijft, is zij ontvankelijk in dit deel van haar verzoek.

Hoewel bij beschikking van deze rechtbank van 18 december 2009 machtiging is verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling, ziet de rechtbank toch aanleiding de last tot inbewaringstelling van de burgemeester te beoordelen, nu bij de beoordeling in het kader van de voortzetting van de inbewaringstelling niet zozeer de last tot inbewaringstelling van de burgemeester wordt getoetst, maar dient te worden vastgesteld of op het moment van geven van de beschikking aan de voorwaarden is voldaan.

Namens verzoekster is aangevoerd dat de last is gebaseerd op een geneeskundige verklaring die niet door een niet bij de behandeling betrokken psychiater is opgesteld. Dit blijkt uit deze verklaring zelve, die afkomstig is van drs. R.C.A. de Veen. Deze heeft weliswaar bij vraag 2 vermeld dat hij niet betrokken was bij de behandeling van verzoekster, maar bij vraag 6 wordt aangegeven dat hij wel incidenteel bij haar behandeling betrokken is geweest. Dat drs. De Veen niet onafhankelijk was, is vervolgens ook gebleken in het kader van de voorlopige machtiging, toen de rechtbank om die reden niet akkoord is gegaan met de geneeskundige verklaring, die ook toen afkomstig was van drs. De Veen.

Artikel 21, eerste lid Wet BOPZ luidt als volgt:

De burgemeester gelast een inbewaringstelling niet dan nadat een, bij voorkeur niet-behandelend, psychiater of, zo dat niet mogelijk is, een, bij voorkeur niet-behandelend arts, niet psychiater zijnde, een schriftelijke verklaring heeft verstrekt waaruit met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid, blijkt dat het geval, bedoeld in artikel 20, tweede lid, zich voordoet.

Vaststaat dat drs. De Veen niet de hoofdbehandelaar van verzoekster is of is geweest. De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft afgegeven incidenteel bij de behandeling betrokken is geweest niet maakt dat de last tot inbewaringstelling onrechtmatig is. De wet schrijft immers voor dat de geneeskundige verklaring “bij voorkeur” dient te worden ingevuld door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Deze formulering is minder stringent dan het voorschrift dat het dient te gaan om een psychiater: alleen als het niet mogelijk is dat de verklaring wordt opgesteld door een psychiater mag daarvan worden afgeweken. Over de mogelijkheid dat de geneeskundige verklaring door een niet-psychiater wordt opgesteld bestaat inmiddels de nodige jurisprudentie en de voorwaarden daarvoor zijn zeer stringent. Ten aanzien van de vraag of volstaan kan worden met een geneeskundige verklaring van een niet-behandelaar laat de wettekst naar het oordeel van de rechtbank ruimte om afhankelijk van de omstandigheden te beslissen. Dit heeft ermee te maken dat het voor de meeste instellingen wel te organiseren is om een psychiater op afroep beschikbaar te hebben, maar dat niet altijd voorkomen kan worden dat die beschikbare psychiater (al dan niet toevallig of zijdelings) betrokken is geweest bij de behandeling van de op dat moment met een inbewaringstelling op te nemen patiënt, omdat niet van tevoren duidelijk is welke patiënten opgenomen zullen worden. In het geval van verzoekster was en is drs. De Veen niet de eerste behandelaar. Slechts indien de behandelaar, drs. Berg, niet aanwezig was, is het voorgekomen dat drs. De Veen bij de behandeling betrokken werd. Zoals hij zelf blijkens de stukken heeft verklaard, was dat in deze setting vrijwel niet te voorkomen, nu - zo wordt begrepen - alle beschikbare psychiaters van de instelling wel op enig moment zijdelings betrokken zijn geweest bij de behandeling van verzoekster. Gelet op het spoedeisende karakter van de inbewaringstelling bestaat daartegen naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet een zodanig bezwaar dat tot onrechtmatigheid van de last tot inbewaringstelling van de burgemeester moet worden geconcludeerd.

Dat over de geneeskundige verklaring ten behoeve van de voorlopige machtiging door de rechtbank anders is geoordeeld, maakt het voorgaande niet anders. Bij een voorlopige machtiging speelt spoedeisendheid veel minder een rol, waardoor het organisatorisch beter mogelijk is een geneeskundige verklaring op te laten stellen door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De formulering van artikel 5 Wet BOPZ laat ook geen ruimte in dat kader tot een andere conclusie te komen.

18 december 2009 tot 8 januari 2010

Vanaf 18 december 2009 tot 8 januari 2010 heeft verzoekster in de instelling verbleven op grond van de door de rechtbank op 18 december 2009 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van drie weken. Tegen deze machtiging is geen hoger beroep of cassatie mogelijk. Verzoekster heeft schadevergoeding gevorderd, wederom op grond van het feit dat de voortzetting van de inbewaringstelling is gebaseerd op een niet door een onafhankelijke deskundige opgestelde geneeskundige verklaring.

De rechtbank verstaat dat dit deel van het verzoek tot schadevergoeding zich niet richt tegen de burgemeester of GGNet, maar dat het verzoek in zoverre kennelijk is gebaseerd op art. 35 lid 1 Wet BOPZ, inhoudende dat degene die nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen in hoofdstuk II niet in acht heeft genomen, de rechter kan verzoeken een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen ten laste van de Staat. Het verzoek richt zich derhalve tegen de rechter die de beslissing van 18 december 2009 heeft gegeven. Verzoekster heeft dit deel van haar verzoek tot schadevergoeding over deze periode ingediend overeenkomstig de wijze die de wet dienaangaande in art. 35 lid 2 BOPZ voorschrijft. Daarom is zij ontvankelijk in dit deel van haar verzoek.

Vooropgesteld wordt dat de onderhavige procedure niet beoogt een verkapt hoger beroep tegen de beschikking mogelijk te maken. Er dient dan ook sprake te zijn van een evident verzuim van de officier van justitie of de rechter. Het gegeven dat de geneeskundige verklaring niet voldoet aan de vereisten, omdat drs. De Veen incidenteel betrokken is geweest bij de behandeling van verzoekster, maakt nog niet dat sprake is van een grond voor schadevergoeding ex. art. 35 BOPZ, nu daarvoor gelet op de inhoud van de Memorie van Toelichting bij de invoering van dit artikel (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 239, nr. 3) een verzuim van de officier van justitie of de rechter nodig is als gevolg waarvan het gebrek in de geneeskundige verklaring niet aan het licht is gekomen op 18 december 2009 dan wel als gevolg waarvan aan dit gebrek niet de juiste consequenties zijn verbonden.

Uit de geneeskundige verklaring bleek reeds van de betrokkenheid van drs. De Veen bij de behandeling van verzoekster. Specifiek blijkt dit uit de beantwoording van vraag 6 b. in de geneeskundige verklaring: “Vrijwel alle artsen van onze organisatie hebben al wel een keer moeten komen om betrokkene te beoordelen of kalmeren, ook ik. De behandeling wordt gedaan door collega L. Berg, ik val af en toe in voor haar en word op die manier bij de casus betrokken.”

Na de afgifte van de last tot inbewaringstelling heeft er tot het moment van beslissen door de rechtbank, voor zover kan worden vastgesteld, geen nader onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater plaatsgevonden. Ook op de zitting op 18 december 2009 was geen niet bij de behandeling betrokken psychiater aanwezig. De hiervoor geciteerde passage had voor de rechter in ieder geval aanleiding dienen te zijn tot nader onderzoek naar de betrokkenheid van de psychiater en naar de (on)mogelijkheid om het geneeskundige onderzoek door een niet-behandelaar te laten uitvoeren dan wel om voorafgaand aan de beoordeling door de rechter de uitkomst van het geneeskundige onderzoek alsnog door een niet-behandelaar te laten toetsen. Indien een dergelijk geneeskundig onderzoek alsnog had plaatsgevonden, had de rechter op 18 december 2009 in ieder geval op basis van een geneeskundig onderzoek door een niet-behandelaar kunnen beslissen op de vraag of sprake is van een stoornis in de zin van de wet. Uit de beschikking kan niet worden afgeleid dat de rechter de bedoelde (on)mogelijkheid heeft onderzocht. Evenmin heeft deze rechter zich uitgelaten over de consequenties van het feit dat een nader geneeskundig onderzoek niet heeft plaatsgevonden. De combinatie van beide factoren dient te worden beschouwd als een verzuim in formele zin. Daaraan doet de overweging in de beschikking van 18 december 2009 dat sprake is van een ernstig vermoeden van een stoornis van de geestvermogens niet af, omdat de rechter deze beoordeling niet heeft gebaseerd op een geneeskundig onderzoek dat is verricht door een niet-behandelaar, zonder te onderzoeken of dit mogelijk was geweest en zonder ervan blijk te geven dat zij zich daarvan bewust was.

De rechtbank is in verband met vorenstaande van oordeel dat er een grond aanwezig is voor toekenning van een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding over de periode van 18 december 2009 tot 8 januari 2010. In hetgeen door drs. Hugen vermeld is over het verblijf van verzoekster in de instelling van 9 tot 15 december 2009, inhoudende dat zij afwisselend wel en niet eens was met haar verblijf aldaar, ziet de rechtbank aanleiding te concluderen dat verzoekster soms ook op vrijwillige basis bereid was in de instelling te verblijven. Bovendien moet geconstateerd worden dat er op 31 december 2009 in het kader van de verzochte voorlopige machtiging alsnog een onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater heeft plaatsgevonden, op basis waarvan vervolgens evenzeer geconcludeerd is dat er gronden voor opname waren. Alle omstandigheden in aanmerking nemend acht de rechtbank het billijk de verzochte schadevergoeding te matigen tot een vergoeding van € 50,-- per dag over de periode 18 december 2009 tot 31 december 2009 en van € 25,-- per dag over de periode van 31 december 2009 tot 8 januari 2010. Nu het om periodes van respectievelijk 13 en 8 dagen gaat, zal de rechtbank ten laste van de Staat een schadevergoeding toekennen aan verzoekster ter hoogte van een bedrag van € 850,--.

Beslissing

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek een schadevergoeding toe te kennen over de periode van 7 december 2009 tot 15 december 2009;

wijst het verzoek tot schadevergoeding over de periode van 15 december 2009 tot 18 december 2009 af;

stelt de door de Staat aan verzoekster te betalen schadevergoeding vast op € 850,--;

wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.

Deze beschikking is gegeven op 11 maart 2010 door mr. R.A. Eskes, in tegenwoordigheid van de griffier.