Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL7071

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
10/58
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening over de bouw van een supermarkt, winkels en appartementen in de gemeente Oldebroek.

1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan.

Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat gemeente Oldebroek echter bevoegd was, o.g.v. artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De gemeente heeft daar ook in redelijkheid toe kunnen besluiten (ondanks de door verzoekers gestelde belangen).

2. Er is een negatief welstandsadvies. De gemeente Oldebroek bestrijdt dat advies inhoudelijk niet. Vast staat dus dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet geeft de gemeente de bevoegdheid om desondanks de bouwvergunning te verlenen. De gemeente heeft in dit geval van die bevoegdheid gebruik gemaakt om redenen van maatschappelijke, economische, bestuurlijke en financiële aard. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat de gemeente Oldebroek daar echter in redelijkheid niet toe heeft kunnen besluiten. Dat voorlopig oordeel is gebaseerd op de overwegingen die zijn te vinden onder rechtsoverweging 2.8.4.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/75 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 10/58

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekers],

allen te Oldebroek,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek,

verweerder.

[naam] Project B.V.,

te ‘t Harde,

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft verweerder aan de derde-partij met toepassing van een op 16 juni 2009 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de - inmiddels vervallen - Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een supermarkt, winkels en appartementen op het perceel Zuiderzeestraatweg 133-137 te Oldebroek, met kadastrale aanduiding H5303 gemeente Oldebroek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 december 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van verzoekers ten dele gegrond verklaard en de verleende vrijstelling en bouwvergunning met een nadere motivering in stand gelaten.

Verzoekers hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 februari 2010, waar verzoekers allen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door J.B. Kaiser te Wezep. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Visscher, M. Schoppink en S.C. Keijzer. Voor de derde-partij is verschenen haar directeur [naam], bijgestaan door mr. A. Oldegram, advocaat te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet – voor zover hier van belang – mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

(...)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens een zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

(…).

In artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, is bepaald dat de gemeenteraad een welstandsnota vaststelt, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.3. Het perceel is gelegen in een gebied waarvoor de bestemmingsplannen “Oldebroek Kom”en “Oldebroek 1975” van kracht zijn. Ter plaatse zijn van toepassing de bestemmingen “Horecabedrijf”, “Open bebouwing Klasse B”en “Achtererf met beperkte bebouwing”. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan in strijd is met deze bestemmingen. In verband daarmee is vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen. Verder is vereist dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Ingevolge het eerste lid wordt daaronder bij voorkeur verstaan een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5. In de vrijstellingslijst van 15 november 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Gelderland categorieën van gevallen aangegeven waarvoor burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen zonder dat hiervoor een verklaring van geen bezwaar is vereist. Niet in geschil is dat het project valt binnen de categorieën 1 (“Wonen”) en 3 (“Werken”) van die lijst.

Als ruimtelijke onderbouwing van het project dient de notitie getiteld ‘Ruimtelijke onderbouwing locatie “Oldebroek-Centrum” van 19 mei 2008. Volgens de notitie is het bouwplan in overeenstemming met de rijks- en provinciale beleidskaders. Voor wat betreft het gemeentelijke beleid wordt onder meer verwezen naar de ‘Structuurvisie 2030 Gemeente Oldebroek’ van juni 2003, het ‘Kwalitatief Woonprogramma 2000-2015’ en de ‘Visie Oldebroek-centrum 2030’ van november 2006.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Naar voorlopig oordeel is in de ruimtelijke onderbouwing, gelet op de verwijzingen daarin naar de hiervoor genoemde stukken, genoegzaam gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Voor zover verzoekers hebben beoogd dit te bestrijden, is wat zij naar voren hebben gebracht onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

2.6. Voorts ziet de voorzieningenrechter voorshands geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid na afweging van alle betrokken belangen tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft kunnen komen. Verzoekers hebben bezwaar tegen de massaliteit van het bouwplan en in het bijzonder tegen de hoogte van de tegenover hun pand aan de Zuiderzeestraatweg gesitueerde (noord-westelijke) gevelwand. Het bestaande vrije uitzicht gaat volgens hen verloren en zij beschouwen het als een inbreuk om hun privacy vanwege de te realiseren woningen. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder hier echter het nodige gewicht kunnen hechten aan de omstandigheid dat onder het geldende planologische regime op een afstand van ongeveer 15 meter van het pand van verzoekers bebouwing mogelijk is met een goot- en nokhooge van respectievelijk 7 en 12 meter, terwijl het in geding zijnde bouwplan is gesitueerd op een afstand van ongeveer 35 meter van het pand van verzoekers.

2.7. Gelet op het voorgaande kan de verleende vrijstelling naar voorlopig oordeel in rechte stand houden. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden wegens strijd met het bestemmingsplan.

2.8. In verband met het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.8.1. Op 12 februari 2009 heeft de welstandscommissie over het bouwplan advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het advies houdt onder meer het volgende in:

“(…..)

Op grond van de (vastgestelde) welstandsnota zijn de bepalingen en criteria van deelgebied 3 (Zuiderzeestraatweg) van toepassing. Vanwege het belang van deze omgeving (identiteitsdrager van Oldebroek) geldt het hoogste welstandsniveau. Er moet – onder meer – zorgvuldig worden afgestemd op de gegroeide kleinschaligheid, ritmiek, openheid en parcellering van de omgeving. Ook moet de vormgeving van het dak worden afgestemd op het karakter van het betreffende gebouw en moet het gevelontwerp aansluiten bij het omgevingsbeeld.

(…..)

Wel werd al snel in het behandelingstraject geconcludeerd dat het te realiseren programma en het planologische kader op zeer gespannen voet staan met de genoemde beeldeisen. Daarmee is dit een complexe en niet eenvoudig op te lossen ontwerpopgave.

(…..)

(….) Dat neemt niet weg dat ontwerpend onderzoek, aan de hand van onder andere massastudies, onlosmakelijk onderdeel moet zijn van een ontwerpproces, zeker bij complexe opgave als deze. Met een dergelijke studie kan een juiste inpassing in de omgeving ook worden aangetoond. Hoewel de architect daar meerdere malen om is gevraagd, is nooit iets van een dergelijke studie gebleken.

De opmerkingen van de commissie waren van meet af aan fundamenteel van aard. Behalve dat een doorwrochte ontwerpstudie ontbrak, werden de meeste stappen in het traject slechts begeleid door geïsoleerde gevelbeelden waarbij een overzichtelijk totaalbeeld ontbrak. (Zie voorgaande adviezen). Steeds zijn relatief kleine aanpassingen doorgevoerd, zonder het complex als geheel te betrachten.

(…..)

Het volume aan de Zuiderzeestraatweg presenteert zich als één gebouw. Daarbinnen is enige geleding aangebracht, die echter geen referentie vindt in de omgeving. Het volume aan de van Sytzamalaan lijkt eenduidig, maar is dat niet. Beide gebouwen vertonen geen heldere massaopbouw en kapvormen sluiten niet aan bij de gekozen gebouwkarakteristieken. Volumes hebben soms een schuin dak en zijn soms plat. Kapvormen lopen niet door, zelfs binnen één volume. Op cruciale plekken, zoals dakhoeken, zijn buitenruimten gemaakt, waardoor de kapvorm teveel wordt aangetast. Het penthouse heeft een volstrekt van de onderliggende kapvorm afwijkend karakter. Door de schaal en de omvang alsmede de kapvormen wijken de gebouwen fors af van hum omgeving, en voldoen daarmee overduidelijk niet aan de gestelde uitgangspunten. Het ontwerp van de gevels ondersteunt de gebouwopzet niet en leidt niet tot een helder en goed afleesbaar totaalbeeld. Dit onevenwichtige gevelontwerp refereert niet aan de omgeving en mist de eenduidigheid en afleesbaarheid ervan.

De commissie is van mening dat een groter volume aan de Zuiderzeestraatweg, mits rustig, terughoudend en evenwichtig vormgegeven, wel mogelijk is. Thans moet helaas worden geconcludeerd dat dit ontwerp daar – ondanks alle inspanningen van de architect, gemeente en deze commissie – niet aan voldoet. Het geeft geen adequaat antwoord op de stedelijke (dorpse) ruimten waar het aan grenst, het mist een zekere alzijdigheid die, gezien de promenade en openbare parkeervoorzieningen, voor een goed op de plek passend gebouw nodig zijn. In deze vorm zal het gebouw dissoneren en er bestaat geen aanleiding om, op grond van het algemene kwaliteitskader, af te wijken van de criteria en uitgangspunten in de welstandsnota en het beeldkwaliteitplan.”

2.8.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder het advies van 12 februari 2009 als zodanig niet ter discussie heeft gesteld. Ter zitting is namens verweerder bevestigd dat het oordeel van de welstandscommissie als een gegeven wordt beschouwd en aanvaard.

2.8.3. Verweerder heeft echter aanleiding gezien niettemin, met toepassing van de bevoegdheid gegeven in artikel 44, eerste lid, onder d, van de Woningwet, bouwvergunning te verlenen om redenen van – kort gezegd – maatschappelijke, economische, bestuurlijke en financiële aard.

2.8.4. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om af te wijken van het welstandsvereiste.

Daarbij neemt de voorzieningenrechter allereerst in aanmerking dat de kritiek van de welstandscommissie op het bouwplan – dat is gesitueerd op een voor de kern Oldebroek belangrijke plek – fundamenteel van aard is en niet slechts (ondergeschikte) delen van het bouwplan maar in feite het gehele bouwplan betreft. Hierbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat verweerder desgevraagd ter zitting heeft aangegeven van mening te zijn dat het advies van 12 februari 2009 de grenzen van de welstandstoets niet overschrijdt.

Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking, dat de welstandscommissie in haar advies nadrukkelijk aangeeft dat een groter volume aan de Zuiderzeestraatweg, mits rustig, terughoudend en evenwichtig vormgegeven, wel mogelijk is. De voorzieningenrechter begrijpt dit aldus, dat het volgens de commissie mogelijk is om zonder dat sprake is van beperkingen die een reële verwezenlijking van de binnen de geldende planologische kaders voorziene bouwmogelijkheden belemmeren, te komen tot een bouwplan dat wel voldoet aan de ter plaatse geldende welstandseisen. Dat dit blijkens het advies geen eenvoudige opgave is, maakt dit niet anders.

Ten slotte neemt de voorzieningenrechter in aanmerking, dat de welstandscommissie in haar advies met zoveel woorden aangeeft dat het feit dat het bouwplan zoals dat thans op tafel ligt niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, (mede) het gevolg is van het naar de mening van de commissie bij aanvang ontbreken van wat de commissie noemt “ontwerpend onderzoek” en van een “doorwrochte ontwerpstudie” en het vervolgens – kort gezegd – slechts doorvoeren van relatief kleine aanpassingen op een gepresenteerd bouwplan, zonder het complex als geheel te betrachten. Aldus geeft de commissie derhalve als haar oordeel te kennen dat in onvoldoende mate is getracht te komen tot een bouwplan dat voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder naar voorlopig oordeel niet in redelijkheid kunnen besluiten om af te wijken van het welstandsvereiste.

2.9. Gezien het voorgaande is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van het primaire besluit tot zes weken na de verzending van de uitspraak op beroep.

2.10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu daarom niet voor sluiting van het onderzoek is verzocht.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,-- aan verzoekers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.