Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL6907

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
06/460349-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting op 10 september 2009 te Apeldoorn wettig en overtuigend bewezen. Vrijspraak van een brandstichting op 27 oktober 2008. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460349-09

Uitspraak d.d.: 9 maart 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1955 te plaats],

wonende aan [adres te plaats]

thans verblijvende bij de JP van den Bent Stichting te Uddel.

Raadsman: mr. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

23 februari 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 10 september 2009 te Apeldoorn opzettelijk brand heeft gesticht in/nabij een (flat)woning aan [adres 1], welke woning deel uitmaakt van een appartementencomplex, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een (aantal) brandend(e) tijdschriftblad(en) in elk geval brandend papier opzettelijk door/in de brievenbus van die (flat)woning geworpen/gestopt/gestoken, althans (open) vuur in aanraking gebracht met (een deel van) de brievenbus althans met een onderdeel van de (flat)woning, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in/aan (de hal van) de (flat)woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (flat)woning en/of vloerbedekking en/of muren en/of het (aanwezig) meubilair en/of voor gemeen gevaar voor de overige in het appartementencomplex bevindende appartementen en de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (toen) in de (flat)woning en/of in de overige apaartementen van het appartementencomplex aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 10 september 2009 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan de (flat)woning aan [adres 1], welke woning deel uitmaakt van een appartementencomplex, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (flat)woning en/of vloerbedekking en/of muren en/of (aawezig) meubilair en/of voor de overige woningen/appartementen van genoemd appartementencomplex, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (toen) in de (flat)woning aanwezige perso(o)n(en) en/of de overige zich in het appartementencomplex bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was, met dat opzet een (aantal) brandende tijdschriftblad(en) in elk geval brandend papier, opzettelijk door/in de brievenbus van deze (flat)woning heeft geworpen/gestopt/gestoken, in elk geval (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een deel van) de brievenbus althans met een onderdeel van de (flatwoning), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 27 oktober 2008 te Apeldoorn opzettelijk brand heeft gesticht in/nabij een (flat)woning aan [adres 2], welke woning deel uitmaakt van een appartementencomplex, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een (aantal) brandend(e) tijdschriftblad(en) in elk geval brandend papier opzettelijk door/in de brievenbus van die (flat)woning geworpen/gestopt/gestoken, althans (open) vuur in aanraking gebracht met (een deel van) de brievenbus althans met een onderdeel van de (flat)woning, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in/aan (de hal van) de (flat)woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (flat)woning en/of vloerbedekking en/of muren en/of het (aanwezig) meubilair en/of voor gemeen gevaar voor de overige in het appartementencomplex bevindende appartementen en de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (toen) in de (flat)woning en/of in de overige apaartementen van het appartementencomplex aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 27 oktober 2008 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan de (flat)woning aan [adres 2], welke woning deel uitmaakt van een appartementencomplex,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (flat)woning en/of vloerbedekking en/of muren en/of (aawezig) meubilair en/of voor de overige woningen/appartementen van genoemd appartementencomplex, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (toen) in de (flat)woning aanwezige perso(o)n(en) en/of de overige zich in het appartementencomplex bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was, met dat opzet een (aantal) brandende tijdschriftblad(en) in elk geval brandend papier, opzettelijk door/in de brievenbus van deze (flat)woning heeft geworpen/gestopt/gestoken, in elk geval (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een deel van) de brievenbus althans met een onderdeel van de (flatwoning),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het openbaar ministerie

Volgens de officier van justitie kunnen feit 1 primair en feit 2 primair bewezen worden verklaard. De officier van justitie baseert zich hierbij onder meer op de gedetailleerde bekennende verklaringen die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd. Bij beide feiten was er volgens de officier van justitie uitsluitend sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat ze niet zeker weet of ze de branden heeft gesticht, maar ze denkt dat ze het wel gedaan kan hebben.

De raadsman heeft onder meer het volgende aangevoerd. Vanwege de persoonlijkheid van verdachte moeten de bekennende verklaringen die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd kritisch tegen het licht worden gehouden. Voor feit 1 bestaat er steunbewijs, zodat voor dit feit een bewezenverklaring kan volgen. De raadsman heeft wel de vraag opgeworpen of het een poging tot brandstichting betrof (het subsidiair tenlastegelegde) of een voltooide brandstichting (het primair tenlastegelegde).

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2, omdat steunbewijs ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van brandstichting. Zij heeft verklaard dat zij in een seniorenwoning aan [adres 1 te plaats] woont. Op 10 september 2009 rond middernacht ging zij naar bed. Om 7.25 uur werd zij wakker gebeld en bleek dat er brand was gesticht, direct achter de voordeur. De woning kan alleen door deze deur worden verlaten. Zij zag dat de vitrage had gesmeuld en dat er brandschade was aan het laminaat. Ook zag zij dat er achter de deur papieren lagen die half verbrand waren.2

Politiefunctionarissen stelden naar aanleiding van de brand een onderzoek in. Zij stelden vast dat de brand was gesticht doordat er brandend papier door de brievenbus in de woning was gegooid. Direct achter deze deur bevond zich vitrage. Deze vitrage was gaan branden/smeulen. Ook zagen de verbalisanten brandplekken in de deur en in het laminaat. Tijdens het buurtonderzoek sprak een politieagent met verdachte. In haar woning lag op tafel een damesmodeblad waaruit bladzijden waren gescheurd. Ondertussen troffen politiemedewerkers op de plaats van de brandstichting afgescheurde bladzijden aan, afkomstig uit een damesmodeblad. Het in de woning van verdachte aangetroffen damesmodeblad is vervolgens meegenomen voor onderzoek. Uit dat onderzoek bleek dat de afgescheurde bladzijden precies pasten in het modeblad uit de woning van verdachte.3

Verdachte is op het politiebureau verhoord. Zij heeft verklaard dat zij twee à drie bladzijden uit een Duits damesmodeblad had gescheurd en naar buiten is gelopen. Met een oranje aansteker heeft zij de bladzijden aangestoken en in de brievenbus van [adres 1] gedaan. Deze brievenbus was voorzien van een zilveren klep en een sticker tegen reclame. Verdachte zag dat de stukken brandend papier naar beneden vielen, op de grond van de hal. De vitrage begon te branden. Deze vitrage was beige en met fijne gaatjes. Verdachte is hierna naar huis gegaan. Een half uur later ging zij terug en zag zij dat de brand was uitgegaan. Tevens heeft verdachte verklaard dat zij de brand heeft gesticht uit eenzaamheid. Zij wilde met de brandstichting aandacht krijgen.4

Verdachte heeft met betrekking tot deze brandstichting naar het oordeel van de rechtbank een vrij gedetailleerde verklaring afgelegd. In deze verklaring gaf zij inzicht in haar handelwijze en haar motieven. In combinatie met de overige bewijsmiddelen, waaronder de bevindingen met betrekking tot het damesmodeblad, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte brand heeft gesticht in de woning aan de [adres 1 te plaats]. De rechtbank is van oordeel dat het een voltooide brandstichting betreft, nu uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat niet alleen de bladzijden uit het damesmodeblad, maar ook de vitrage achter de voordeur van de woning is gaan branden/smeulen.

De brand vond plaats bij de enige toegangsdeur van de woning en het gevaar bestond dat deze zich had uitgebreid naar de rest van de woning. Hierdoor was er gevaar te duchten voor de bewoonster, die ten tijde van de brand in de woning lag te slapen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er behalve gemeen gevaar voor goederen eveneens levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Feit 2

De rechtbank zal verdachte van feit 2 vrijspreken. Buiten de bekennende verklaring die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd, is er geen steunbewijs voor betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting. De bekennende verklaring is ten aanzien van dit feit veel minder gedetailleerd dan ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit 1 en kwam pas tot stand na herhaaldelijk doorvragen van de ondervragers. Bovendien vond het verhoor bijna een jaar na de brandstichting plaats. In combinatie met de zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte5, valt niet uit te sluiten dat verdachte tijdens het politieverhoor ten onrechte een bekennende verklaring heeft afgelegd. De rechtbank acht het feit daarom niet wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op 10 september 2009 te Apeldoorn opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aantal brandende tijdschriftbladen door de brievenbus van die woning geworpen/gestopt/gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de hal van de woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woning en/of vloerbedekking en/of muren en/of het aanwezig meubilair en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de toen in de woning aanwezige persoon te duchten was.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde (feit 1 primair) levert op het misdrijf:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is door een psychiater en een psycholoog onderzocht. Beide gedragsdeskundigen hebben een rapport opgesteld.6 Volgens de psychiater was er bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een angststoornis Niet Anderszins Omschreven. Mogelijk was er daarnaast sprake van een posttraumatische stressstoornis, slaapwandelen en misbruik van alcohol. Verder is er in de visie van de psychiater sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Er zijn volgens de psychiater daarom aanwijzingen om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De psycholoog komt eveneens tot de slotsom dat er bij verdachte sprake is van angstproblematiek en zwakbegaafdheid. Daarnaast zijn er volgens de psycholoog aanwijzingen voor symptomen van dissociatieve aard.

Op grond van de bevindingen van de gedragsdeskundigen en de indruk die verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt, beschouwt de rechtbank verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen geëist, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarde heeft de officier van justitie reclasseringstoezicht gevorderd, ook als dat behandeling en begeleiding door MEE inhoudt.

De raadsman heeft gewezen op het belang van behandeling en begeleiding. Hij heeft verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in een seniorenwoning, waarmee zij een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen. De brand in de hal van de woning had zich immers kunnen uitbreiden naar de rest van de woning. Het leven van de bewoonster kwam door het gedrag van verdachte in gevaar. Deze bewoonster, [slachtoffer], heeft ook aangegeven dat zij behoorlijk is geschrokken van het voorval.7

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte. Zoals hiervoor overwogen, beschouwt de rechtbank verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank zal dit ten voordele van verdachte meewegen bij de strafoplegging. Beide gedragsdeskundigen vinden het van belang dat verdachte hulp en begeleiding krijgt, onder meer om recidive te voorkomen. De reclassering heeft daarom voor verdachte een plan van aanpak opgesteld. Dit houdt onder meer in reclasseringstoezicht en ambulante begeleiding en behandeling door MEE. Het plan van aanpak kan uitgevoerd worden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Een deel hiervan, vier maanden, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. De lengte van de proeftijd zal de rechtbank vaststellen op twee jaar. Gelet op de inhoud van de bijzondere voorwaarden acht de rechtbank een proeftijd van drie jaar niet mogelijk.8

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij vordert € 200,00, vanwege brandschade aan de gordijnen en het laminaat. Volgens de officier van justitie kan de vordering worden toegewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat de schade mogelijk vergoed wordt door een verzekeraar.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Uit de vordering blijkt dat de schade niet al is vergoed door een verzekeraar. De vordering is volgens de rechtbank daarom voor toewijzing vatbaar.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van genoemd slachtoffer. De Staat bevordert op deze wijze de schadevergoeding aan het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij Ons Huis

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat verdachte is vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. De benadeelde partij kan de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De voorlopige hechtenis

Bij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte reeds geschorst. De voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, omdat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die wordt opgelegd niet van langere duur is dan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft begaan;

* verklaart niet bewezen dat verdachte feit 2 primair of subsidiair heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;

* bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig maakt of zich niet houdt aan de volgende bijzondere voorwaarden;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

1) zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

2) zich ambulant laat behandelen en begeleiden door of namens MEE, zolang MEE dit noodzakelijk acht;

3) verblijft bij de JP van den Bent Stichting te Uddel en zich daar houdt aan de aanwijzingen die door of namens de leiding worden gegeven, zolang de reclassering en/of MEE dit noodzakelijk achten;

* geeft de reclassering opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 200,00, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 200,00, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij Ons Huis niet-ontvankelijk in de vordering;

* verwijst de benadeelde partij Ons Huis in de door verdachte gemaakte kosten, begroot op nihil.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Troost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kooij, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 maart 2010.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2009055594-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 26 september 2009.

Voetnoten:

2 Voornoemd dossier, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 23 e.v.

3 Voornoemd dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 29 e.v.

4 Voornoemd dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 39 e.v.

5 Zie het kopje 'strafbaarheid van verdachte'.

6 Psychiatrisch rapport van drs. Heinsman-Carlier, d.d. 16 januari 2010 en psychologisch rapport van drs. Van der Leeuw, d.d. 31 december 2009.

7 Voegingsformulier benadeelde partij.

8 Vgl. Hoge Raad, 30 oktober 2007, LJN: BB3999.