Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL6778

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
06/460371-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld in de nacht van 25 op 26 september 2009 in Lochem leidt tot een gevangenisstraf van vier jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/460371-09

Uitspraak d.d. 8 maart 2010

Tegenspraak / dip - oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Nederlandse Antillen) op [1990],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen.

Raadsman: mr. Vos, advocaat te Utrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 februari 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 september 2009 te Lochem, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te

beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een

scherp(randig) of puntig voorwerp, in de buikstreek en/of boven de

schaamstreek en/of in de rug, in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer A]

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 26 september 2009 te Lochem aan [slachtoffer A] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- een huidletsel boven de navel, met een diepte van maximaal 1 cm, met

bloeduitstorting in het onderhuidse weefsel;

- een huidletsel links naast de navel, met een diepte van maximaal 3 cm, met

klieven van de rechter buikspier;

- een huidletsel ter hoogte van de navel, met een diepte van ca 7 a 8 cm, met

klieven van de musculus rectus abdominis en bloeduitstortingen in de weke

delen en het vet van de buik, met bloeduitstorting in de wortel van het

darmscheil en een zwelling voor de linker grote lendenspier;

- een huidletsel boven het schaambeen, met een diepte van ca 1 cm, met geringe

bloeduitstorting in het onderhuidse weefsel;

- een huidletsel op de rug, met een diepte van ca 1 cm, met geringe

bloeduitstorting in het onderhuidse weefsel;

heeft toegebracht, door deze (telkens) opzettelijk met een mes, althans een

scherp(randig) of puntig voorwerp, in de buikstreek en/of boven de

schaamstreek en/of in de rug, in elk geval in het lichaam, te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 26 september 2009 te Lochem ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A]

een of meerdere malen met een mes, althans een scherp(randig) of puntig

voorwerp, in de buikstreek en/of boven de schaamstreek en/of in de rug, in elk

geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 september 2009 te Lochem opzettelijk mishandelend [slachtoffer B] met een mes, althans met een scherp of puntig voorwerp, heeft gestoken in

het been, althans het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek2 was een melding bij de meldkamer op 26 september 2009 te 01.57 uur, dat er iemand was neergestoken ter hoogte van café "[café]" aan de [adres] te Lochem.

Het slachtoffer zou voor het café liggen en de mogelijke daders, waaronder een donkere jongen met een donkere scooter, zouden nog om de hoek staan.

Ter plaatse werd door de politie bij de ingang van café "[café]" liggend op het trottoir een jongeman aangetroffen, genaamd [slachtoffer A]. Door één van de omstanders werd [slachtoffer A] op zijn buik gedrukt, hij zou meerdere steekwonden hebben. [slachtoffer A] was bij kennis en vertelde dat hij drie keer met een mes was gestoken in zijn buik. Hij werd per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis in Deventer.

Op aanwijzingen van meerdere omstanders werden twee personen aangehouden, namelijk een bestuurder van een scooter en zijn passagier. Bij de bestuurder bleek het om verdachte te gaan en bij de passagier ging het om een persoon genaamd [getuige A].

Bij fouillering van verdachte werd in een binnenzak van zijn jas een mes aangetroffen. Dit mes werd inbeslaggenomen.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op basis van de aangifte van [slachtoffer A], de medische verklaring over het bij [slachtoffer A] geconstateerde letsel in combinatie met het deskundigenrapport van de forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut, de verklaringen van diverse getuigen waaronder [getuige B], [getuige C], [getuige D], [getuige E], [getuige F], [getuige G] en [getuige A], alsmede de verklaring die verdachte zelf over het gebeuren heeft afgelegd.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat - blijkens de verklaringen van [getuige F], [getuige G] en [getuige A] - verdachte bij het uitgaan wel eens meer dronk dan zou moeten, en daarbij bovendien een kwade dronk over zich kreeg. Bij iemand die in zo'n situatie al agressief wordt als hij te lang wordt aangekeken, zeker als het voor verdachte kennelijk ook de normaalste zaak van de wereld was om bij het uitgaan een mes mee te nemen, kan er in de visie van de officier van justitie geen sprake zijn van voorwaardelijk opzet, maar is er sprake van een welbewuste actie, dat wil zeggen van boos opzet.

Van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling dient verdachte volgens de officier van justitie te worden vrijgesproken, omdat uit het onderzoek niet duidelijk is geworden wie voor het letsel dat [slachtoffer B] heeft opgelopen verantwoordelijk kan worden gehouden. Technisch bewijs is niet geleverd, de aangifte bevat te weinig duidelijke aanwijzingen of aanknopingspunten voor verder onderzoek en er zijn geen getuigen van het incident. Verdachte dient volgens de officier van justitie dan ook te worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat de ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft in een opwelling gehandeld.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich geconformeerd aan de zienswijze van de officier van justitie en vrijspraak bepleit.

D. Beoordeling door de rechtbank

t.a.v. het onder 1 tenlastegelegde

Verdachte heeft zowel bij de politie3 als ter terechtzitting op onderdelen over het onder 1 aan hem verweten feit een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft bekend [slachtoffer A] twee keer met zijn mes te hebben gestoken.

[slachtoffer A]4 heeft verklaard dat hij op zaterdag 26 september 2009 tussen 01.30 en 01.45 uur met een aantal vrienden - waaronder [slachtoffer B] - naar café [café] in Lochem is gegaan. Nabij het café zag hij dat een vriend, [getuige B], ruzie had met een hem onbekende getinte jongen. De onbekende jongen was buitengewoon agressief tegen [getuige B] wat zich uitte in het wegduwen van [getuige B] en luidkeels tegen hem praten. Hij is daarop tussen [getuige B] en de onbekende man in gaan staan.

Over en weer werd er wat geduwd. [getuige A] stond achter de getinte jongen en gedroeg zich verbaal agressief. Hij zag vervolgens dat de jongen onderhandse bewegingen in de inrichting van zijn onderlichaam/buik maakte. Daarna zag hij dat de jongen een mes in zijn hand hield met de punt naar beneden, waarop hij meende bloed te zien. Hij voelde zich niet lekker worden en dacht: "Ik moet hier weg". Hij is toen met een boog om de jongen heen gelopen richting café [café]. Tijdens het weglopen voelde hij dat hij nog een keer in zijn rug werd gestoken. In café [café] zag hij dat hij gewond was en dat er bloed ter hoogte van zijn buikstreek zat. Hij heeft vervolgens 112 gebeld. Tijdens het bellen heeft de eigenaar van [café] het gesprek overgenomen.

Hij is opgenomen in het ziekenhuis en geopereerd. Van de arts heeft hij te horen gekregen dat hij drie steekwonden in de buik en één in de rug had. Eén van de steken had zijn aorta op een centimeter na gemist.

Tijdens de ziekenhuisopname heeft hij de jongen die hem had gestoken herkend van een foto die op Hyves stond; die jongen noemde zich [alias verdachte]. Van vrienden had hij gehoord dat de jongen [verdachte] werd genoemd.

Uit een geneeskundige verklaring5 over het letsel dat bij [slachtoffer A] op 26 september 2009 is geconstateerd blijkt dat hij drie steekwonden, waaronder twee diepe, rond de navel, één steekwond boven de schaamstreek en één steekwond in de rug had opgelopen. Tevens blijkt uit deze verklaring dat hij een grote buikoperatie heeft moeten ondergaan, waaruit in de toekomst mogelijk nog ernstige gevolgen kunnen voortvloeien.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)6 is onderzoek gedaan naar het letsel van [slachtoffer A]. Door de deskundige is geconcludeerd dat de bij [slachtoffer A] waargenomen letsels passen bij steekwonden, waarbij de diepte varieerde van circa 1 cm tot circa 7 á 8 cm, en zijn opgeleverd door één of meerdere scherprandige voorwerpen. De drie steekwonden aan de buikzijde nabij de navel hadden een stompe zijde, passend bij een eenzijdig snijdend voorwerp. De steekwond boven het schaambeen en de steekwond op de rug toonden onvoldoende karakteristieken om een nadere uitspraak te doen over de kenmerken van het veroorzakende scherprandige voorwerp, waardoor een eensnijdend voorwerp eveneens tot de mogelijkheden behoorde. De steekwond met een lengte van circa 7 á 8 cm paste gezien de lengte en diepte eveneens bij een langwerpig scherprandig voorwerp. Gezien de bevindingen tijdens de operatie in combinatie met de CT-scan verliep deze steekwond rugwaarts vanuit links naar het midden van de lichaamsas, waarbij het darmscheil en één of meer bloedvaten beschadigd raakten. Het is niet mogelijk om aan te geven of het letsel aan de rug door hetzelfde mes is veroorzaakt als het letsel aan de buik. Het in beslag genomen mes komt gezien zijn langwerpige smalle, eenzijdig snijdend lemmet in aanmerking als oorzakelijk voorwerp voor alle steekwonden.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de loop van de vrijdag al bier en Apfelkorn had gedronken. Later op de avond is hij samen met [getuige A] naar café [café] gegaan, waar ze samen ook weer bier hebben gedronken. Hij had het mes meegenomen van huis om zich bijvoorbeeld te verdedigen. Op een gegeven moment is hij samen met [getuige A] buiten voor café [café] op een muurtje gaan zitten. Er liepen drie á vier jongens. Eén van die jongens zei iets tegen hem, waarop hij naar de jongen is toegelopen en hem vroeg: "Wat zeg je nou?" Op dat moment kwam er een andere jongen op hem afgelopen die hem duwde en zei: "Er is geen ruzie".

Hij - verdachte - werd toen boos en agressief. Daarop kwam er een andere jongen op hem af. Die jongen duwde hem, waarop hij heeft teruggeduwd. Dit was de jongen die hij later heeft neergestoken. [getuige A] stond achter hem te bekvechten met een andere jongen.

Hij dacht niet na en haalde het keukenmes uit zijn binnenzak. Hij hield het mes met het lemmet naar beneden naast zijn rechter been. Hij wilde de jongens bang maken, hij wilde die lui steken, hij wilde die jongen met zijn grote bek steken. Toen de jongen op hem afkwam heeft hij een stap naar voren gedaan en heeft hij met enige kracht tweemaal in de richting van de buikstreek van die jongen gestoken. Volgens hem heeft hij de jongen twee keer in zijn buik gestoken.

Het mes had hij aan het begin van de vrijdagmiddag bij hem thuis uit de keukenlade gepakt

om zich te kunnen verdedigen als hij in de problemen zou komen.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris7 volhard in de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd. Hij had het mes bij zich gestoken om zich te kunnen verdedigen, maar hij had geen aanleiding om te denken dat zich zo'n situatie zou kunnen voordoen. Hij had die dag heel veel alcohol op.

Hij is in augustus 2009 ook met de politie in aanraking gekomen, omdat hij een mevrouw had geslagen die hem discrimineerde (hij is sinds juni 2008 in Nederland) en hem had geduwd.

[getuige B]8 heeft verklaard dat hij met vier vrienden naar café [café] is gefietst en dat nabij [café] enige discussie is ontstaan met twee jongens, die op een ruzieachtige manier op hen waren toegelopen. [slachtoffer B] en [slachtoffer A] mengden zich in de discussie met de intentie de boel te kalmeren. De donkere jongen begon [slachtoffer A] te duwen en vroeg hem waar hij zich mee bemoeide ("wat wil jij dan?"). Over en weer werd er wat geduwd tussen de donkere jongen en [slachtoffer A]. Zelf was hij aan het praten met de andere jongen. Op een gegeven moment zag hij dat de donkere jongen [slachtoffer A] weer duwde en dat [slachtoffer A] toen een beetje vreemd en voorovergebogen wegliep naar [café].

[getuige C]9 heeft verklaard dat hij met een viertal vrienden naar café [café] is gegaan. Zijn vrienden liepen wat voor hem uit. Nabij [café] zag hij dat een jongen, die hij van naam kende als zijnde [slachtoffer A], in discussie was verwikkeld met twee jongens. Hij zag dat [slachtoffer A] de boel rustig probeerde te houden en dat er over en weer een beetje getrokken werd tussen [slachtoffer A] en een getinte jongen. Hij zag dat [slachtoffer A] op een gegeven moment, niet helemaal rechtop, met een redelijk hoog tempo wegliep in de richting van café [café]. Hij is daarop samen met zijn vrienden nog in discussie gegaan met de getinte jongen. Hij zag op een gegeven moment dat die jongen met zijn linker hand een mes in de rechter binnenzak van zijn jas stopte. Voor die tijd had hij het mes niet gezien.

Een andere getuige10 ([getuige E]) uit genoemd vriendengroepje heeft verklaard dat nabij [café] twee jongens zaten, waarvan hij er één kende als zijnde [getuige A]. De twee jongens kwamen hun groepje tegemoet en vroegen wie van hen een grote mond had. [slachtoffer A] heeft zich in de discussie gemengd die daarop ontstond, hij probeerde de donkere jongen rustig te houden, maar die bleef boos. Hij zag dat er over en weer tussen de donkere jongen en [slachtoffer A] wat werd geduwd. Hij zag dat de donkere jongen op een gegeven moment [slachtoffer A] een stomp onderin de maag gaf en dat [slachtoffer A] vervolgens een beetje vooroverboog. Hij hoorde [slachtoffer A] nog steeds tegen de jongen zeggen dat hij rustig aan moest doen. Op een gegeven moment zag hij [slachtoffer A] om een lantaarnpaal heen liep richting [café], daarbij de lantaarnpaal vasthoudend. [slachtoffer A] liep een beetje raar, een beetje voorovergebogen en met zijn handen bij zijn lichaam. De donkere jongen liep om de lantaarnpaal heen achter [slachtoffer A] aan.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer A], de bij hem geconstateerde verwondingen in samenhang met het bij verdachte aangetroffen mes en de conclusies van de deskundige van het NFI over de aard van de verwondingen, de hiervoor aangehaalde door de getuigen afgelegde verklaringen en de gedeeltelijke bekentenis van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen kan worden verklaard. De rechtbank begrijpt dat waar de getuigen [getuige B] en [getuige E] spreken over respectievelijk duwen en stompen zij in feite de stekende beweging van verdachte hebben waargenomen.

De rechtbank acht verdachte verantwoordelijk voor alle bij [slachtoffer A] geconstateerde verwondingen, ook voor wat betreft de steekwond op de rug. Voor dat laatste heeft de rechtbank met name acht geslagen op de verklaring die de getuige [getuige E] heeft afgelegd over het om verdachte heen lopen door [slachtoffer A] en het achterna lopen door verdachte, in combinatie met de verklaring van [slachtoffer A] dat hij met een boog om verdachte heen is gelopen richting café [café] en tijdens het weglopen voelde hij dat hij nog een keer in zijn rug werd gestoken. Onder die omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte, gelet op de snel achter elkaar volgende handelingen van verdachte, ook deze verwonding heeft toegebracht.

Verdachte meent dat hij slechts twee maal op [slachtoffer A] heeft ingestoken, maar dat verhoudt zich niet met de bij [slachtoffer A] geconstateerde verwondingen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij [getuige A] tijdens de woordenwisseling al had weggeduwd. Verdachte moet dus op dat moment alleen tegenover [slachtoffer A] hebben gestaan.

Dat strookt ook met de verklaring die [getuige A] daarover heeft afgelegd. Hij stond achter verdachte met de rug naar hem toegekeerd en was in gesprek was met één van de andere jongens.

Verdachte heeft ter zitting bovendien verklaard dat hij het mes uit zijn binnenzak heeft gehaald om de jongens bang te maken. Hij denkt dat de andere jongens het mes moeten hebben gezien. Dat strookt echter niet met de verklaringen van de getuigen die zich op dat moment in de directe omgeving bevonden en geen mes bij verdachte hebben waargenomen, terwijl het evenmin strookt met verdachtes verklaring bij de politie dat hij het mes met het lemmet naar beneden - enigszins verhuld - naast zijn been hield. Dat duidt er niet op dat hij de groep heeft willen afschrikken. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat toen het duwen en trekken door bleef gaan - hetgeen ook niet duidt op enige waarneming van het mes dat verdachte in zijn hand had - het incident met [slachtoffer A] heeft plaatsgevonden. Hij dacht er niet bij na, het gebeurde gewoon, het was geen gericht steken, hij dacht dat hij ter hoogte van de linker borstzijde met het mes zwaaide en heeft pas later gehoord waar hij [slachtoffer A] daadwerkelijk had geraakt. Ook deze verklaring van verdachte strookt niet met de eerder genoemde bewijsmiddelen.

Dit kan goed samenhangen met de verklaring van verdachte dat hij, kort gezegd, die dag ladderzat was.

Uit de verschillende verklaringen in samenhang beschouwd kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden afgeleid dat de stekende bewegingen waarover verdachte het heeft gehad, nadrukkelijk gericht waren op [slachtoffer A].

Verdachte is bij eerdere incidenten betrokken geweest, waarbij hij naar eigen zeggen ook dronken was. Op 26 september 2009 had hij nog veel meer drank op dan bij eerdere incidenten en was hij helemaal fucked up en agressief11.

In die combinatie van factoren, het meenemen van een mes voor het geval hij in de problemen zou komen, het agressieverhogend effect op hem bij gebruik van alcohol, het zelf verhaal gaan halen over iets wat zou zijn gezegd en het vervolgens daadwerkelijk hanteren van het mes, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte willens en wetens de strafwet heeft willen overtreden. Hij heeft bewust het mes meegenomen in een uitgaanssituatie en wist dat hij daarmee strafbaar was, terwijl hij vervolgens doelbewust een actie heeft ingezet tegen [slachtoffer A] door onverhoeds onderhands met een scherp mes gericht op het onderlichaam van [slachtoffer A] in te steken.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen in voldoende mate dat de gedragingen van verdachte, geobjectiveerd bezien, een opzettelijk karakter dragen en dat er in die zin sprake is van boos opzet.

Voorzover door de verdachte is aangevoerd dat hij niet de opzet had om [slachtoffer A] te doden, laten de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte, gelet op het geweld dat verdachte heeft toegepast door onverhoeds onderhands met een scherp mes op het onderlichaam van [slachtoffer A] in te steken, zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door zijn handelwijze zou worden gedood.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de onder 1 primair aan verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag.

t.a.v. het onder 2 tenlastegelegde

Uit de verklaring van aangever [slachtoffer B] is niet te herleiden wie een later bij hem geconstateerde kleine wond aan het linkerbovenbeen heeft veroorzaakt. Daarnaast ontbreken duidelijke aanknopingspunten voor de vaststelling dat verdachte betrokken is geweest bij het veroorzaken van de verwonding bij [slachtoffer B]. Er zijn geen getuigen die iets hebben gezien wat zou kunnen duiden op het steken met een mes ten aanzien van [slachtoffer B], terwijl evenmin technisch bewijs voorhanden is. Van dit feit moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: hij op 26 september 2009 te Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in de buikstreek en boven de schaamstreek en in de rug van die [slachtoffer A] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt door de gezondheidszorgpsycholoog drs. Ter Borg12. Uit de bevindingen en de daaruit voortvloeiende conclusie van deze deskundige komt naar voren, dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Met deze conclusie kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt die conclusie dan ook over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarbij in aanmerking genomen de bijzondere ernst van het feit, waarbij het maar een centimeter heeft gescheeld of de aorta van [slachtoffer A] was geraakt. Dan was het afgelopen geweest en was de naam van [slachtoffer A] inderdaad bijgeschreven bij het trieste lijstje namen van slachtoffers van zinloos geweld. Verdachte heeft bewust gestoken, ook al had hij een stevige slok op, terwijl hij wist dat hij agressief werd als hij gedronken had.

Verder heeft de officier van justitie in zijn afweging de rapporten van de reclassering en het NIFP betrokken. Een behandeling zoals geadviseerd, dient in de visie van de officier van justitie plaats te vinden nadat verdachte zijn straf heeft uitgezeten, dat wil zeggen in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De jeugdige leeftijd van verdachte en zijn beperkte strafblad doen daar volgens de officier van justitie niet aan af.

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld en dat wanneer de onderliggende problematiek, zoals in het rapport van de psycholoog beschreven, eerder was onderkend, de gebeurtenis op 26 september 2009 had kunnen worden voorkomen. Het tenlastegelegde kan verdachte in licht verminderde mate worden toegerekend. Verdachte heeft spijt van hetgeen hij heeft gedaan en wat hij daarmee [slachtoffer A] en zijn omgeving heeft aangedaan. Hij is gemotiveerd voor een behandeling zoals geadviseerd door de psycholoog en de reclassering.

Een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht en daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde het volgen van een behandeling in Groot Batelaar, acht de raadsman op zijn plaats mede gelet op uitspraken die zijn gedaan in soortgelijke zaken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Door de reclassering13 is geadviseerd aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het recidiverisico wordt als laag gemiddeld ingeschat. Een leefstijltraining is geïndiceerd. Binnen een eventueel reclasseringstoezicht zou het wenselijk zijn aandacht te hebben voor de uitkomsten van het NIFP onderzoek, middelengebruik en dagbesteding/school.

Uit het over verdachte uitgebrachte psychologische rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een aanpassingstoornis en persoonlijkheidsstoornis NAO.

Er is sprake van een kwetsbare persoonlijkheid, een sterke gevoelsafweer en een instabiel zelfbeeld. Bij krenking en machteloosheid, kan betrokkene agressief worden, vooral na langdurig opkroppen van onlustgevoelens. Het probleem om zijn agressie te beheersen vloeit vooral voort uit het "emotioneel in de knoop zitten" en niet zozeer uit een agressieregulatiestoornis.

Psychologische factoren hebben een overwegende rol gespeeld bij de geweldsuitbarsting, waarbij het drempelverlagend effect van alcohol de rest deed.

De kans op recidive wordt aanzienlijk geacht, wanneer er sprake is van stress in combinatie met alcohol- en/of cannabisgebruik. Op die momenten kan betrokkene zijn emoties niet reguleren en kan een klein voorval omslaan in een woedeaanval. Om een nieuw ernstig geweldsdelict te voorkomen is een al dan niet ambulante behandeling geïndiceerd, bij voorkeur in een inrichting zoals Groot Batelaar of een FPK, binnen een verplicht reclasseringskader. De onderzoeker vreest dat betrokkene vanwege zijn neiging om afspraken niet na te komen, een ambulante behandeling al snel zal laten versloffen.

Verdachte heeft zich op 26 september 2009 in Lochem onder invloed van drank schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict. Verdachte heeft zonder enige redelijke aanleiding of een gerichte provocatie de confrontatie gezocht met leeftijdsgenoten die gezellig een avondje uit wilden gaan. Naar aanleiding van een geschil met een andere jongen, heeft hij [slachtoffer A], die daarin trachtte te bemiddelen en de gemoederen probeerde te sussen, na enig duw- en trekwerk plotseling op diverse plekken met een scherp mes in zijn onderlichaam gestoken. Verdachte voelde zich niet serieus genomen. Hij heeft doelbewust op [slachtoffer A] ingestoken met het mes dat hij die middag al bij zich had gestoken. [slachtoffer A] is op het nippertje de dood ontsprongen. De impact die deze gebeurtenis voor [slachtoffer A] met zich heeft gebracht is aanzienlijk geweest, zoals dat ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Tengevolge van de hem door verdachte toegebrachte steekwonden is [slachtoffer A] ook blijvend letsel (blijvende littekens) toegebracht. Daarnaast is het nog maar de vraag of er mogelijk in de toekomst nog (ernstige) gevolgen kunnen voortvloeien tengevolge van de grote buikoperatie die hij hierdoor heeft moeten ondergaan.

Dit soort uitgaansgeweld zorgt bovendien voor een toenemend onveiligheidsgevoel in de samenleving, burgers die 's avonds ternauwernood nog op straat durven te gaan en interventie mijden wanneer iemand in een dergelijke situatie verzeild raakt.

Ten voordele van verdachte weegt dat hij blijkens zijn strafblad14 niet eerder voor dit soort feiten is veroordeeld. Verdachte heeft enkel een transactie - weliswaar voor een mishandeling - op zijn naam staan.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de orde van grootte zoals door de officier van justitie geëist op zijn plaats en in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank heeft de op te leggen straf enigszins gematigd, gelet op straffen die in soortgelijke zaken wel plegen te worden opgelegd. Aan de door de deskundige beoogde behandeling dient naar het oordeel van de rechtbank binnen het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling gestalte te worden gegeven. Een strafoplegging zoals door de raadsman bepleit, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de buitengewone ernst van het door verdachte gepleegde geweldsdelict.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte zijn diverse voorwerpen in beslaggenomen, te weten een mes, kleding en schoeisel. De officier van justitie heeft daarvan de verbeurdverklaring gevorderd.

De rechtbank zal echter het in beslag genomen mes, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, onttrekken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Wat de onder verdachte inbeslaggenomen kleding en schoeisel betreft, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang meer verzet.

Onder [slachtoffer A] is eveneens kleding en schoeisel in beslag genomen. De officier van justitie heeft daarvan de teruggave aan [slachtoffer A] gevorderd en de rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Er is geen strafvorderlijk belang dat zich daartegen verzet.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich in het strafproces gevoegd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde met een vordering tot schadevergoeding15 ten bedrage van € 8.358,70 voor de tot op heden geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2009.

Deze vordering is opgebouwd uit een post materiële schade ten bedrage van € 1.358,70 en een immaterieel gedeelte (smartengeld) ten bedrage van € 7.000,--, terwijl daarnaast ter terechtzitting de kosten van rechtsbijstand zijn gevorderd tegen het gebruikelijke tarief.

De officier van justitie heeft een integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de materiële schade, zoals door de benadeelde partij opgevoerd, kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit omdat de vordering niet van eenvoudige aard is.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen tot een bedrag tussen de

€ 1.000,-- en € 1.600,--, gelet op een aantal door de raadsman overgelegde uitspraken uit de Smartengeldgids 2009.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank begroot de tot op heden geleden immateriële schade in redelijkheid op een bedrag van € 5.000,--.

De door de benadeelde partij geclaimde proceskosten (honorarium advocaat) begroot de rechtbank aan de hand van het kantonliquidatietarief.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als: poging tot doodslag;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het onder verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven mes;

* gelast de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding en schoeisel aan verdachte;

* gelast de teruggave van de onder [slachtoffer A] inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven kleding en schoeisel aan de rechthebbende, te weten: [slachtoffer A];

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [adres], van een bedrag van € 6.358,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2009 en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding, bestaande uit de advocaatkosten begroot op een bedrag van € 540,-- en de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] voornoemd, een bedrag te betalen van € 6.358,70, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 68 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Van Wees, voorzitter, Alers en Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2010.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. 2009063997 van de politie Regio Noord- en Oost Gelderland, Team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 8 november 2009

2 Stamproces-verbaal, pag. 7 en 8

3 Verklaring verdachte d.d. 26 september 2009, dossierpag. 48, 49, en de verklaring van verdachte d.d. 28 september 2009, dossierpag. 57 en 58, verklaring verdachte d.d. 5 oktober 2009, dossierpag. 64

4 Aangifte [slachtoffer A] d.d. 30 september 2009, dossierpag 125, 126, in samenhang met zijn verklaring d.d. 7 oktober 2009, dossierpag. 131 en 132

5 Geneeskundige verklaring opgemaakt door de behandelend arts op 30 september 2009

6 Deskundigenrapport van het NFI, opgemaakt op 8 december 2009 door de forensisch arts B.F.L. Oude Grotebevelsborg

7 Rechtmatigheidsverhoor bij de rechter-commissaris, proces-verbaal d.d. 29 september 2009

8 Verklaring [getuige B], dossierpag. 264 en 265

9 Verklaring [getuige C] d.d. 26 september 2009, dossierpag. 268, 269, in samenhang met zijn verklaring d.d. 5 oktober 2009, dossierpag. 274

10 Verklaring [getuige E], dossierpag. 284 en 285

11 Verklaring verdachte, dossierpag. 222

12 Rapport psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 1 februari 2010, opgemaakt door drs. H.R.J. ter Borg

13 Reclasseringadvies d.d.18 december 2009, opgemaakt door de reclasseringswerker Borninkhof

14 Uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 oktober 2009

15 Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces d.d. 4 december 2009 ten name van [slachtoffer A], in samenhang een faxbericht d.d. 22 februari 2010 van de raadsvrouw van de benadeelde.