Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL1737

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
98533 - HA ZA 08-1403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade door lekkage bouwput. Verklaring voor recht inzake de CAR-polis. Eisers zijn niet-ontvankelijk nu zij geen inzicht hebben gegeven in het belang waarin ieder van hen afzonderlijk is getroffen.

Op 10 september 1997 is tijdens het gedeeltelijk slopen van een wand in de bouwput van het nieuwe entreegebouw van het Centraal Museum te Utrecht een lekkage ontstaan. Eisers waren allen betrokken bij de aanleg van de bouwput en verzekerden onder de door de gemeente Utrecht voor dat werk afgesloten CAR-polis. In diverse arbitrageprocedures is vastgesteld dat eisers in een bepaalde verhouding onderling aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade. In de onderhavige procedure vorderen eisers een verklaring voor recht dat hun schade en/of hun aansprakelijkheid onder de CAR-polis gedekt is en dat Achmea, als CAR-verzekeraar, gehouden is aan hen uitkeringen te doen. De rechtbank oordeelt dat het feit dat in arbitrageprocedures is vastgesteld dat eisers jegens elkaar in een bepaalde verhouding voor de schade aansprakelijk zijn nog niet betekent dat zij ook ieder afzonderlijk een onder de CAR-polis verzekerd belang hebben. Nu eisers geen inzicht hebben verschaft in de vraag in welk onder de CAR-polis vallend belang ieder van hen afzonderlijk is getroffen, zijn eisers in hun vordering niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2010, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 98533 / HA ZA 08-1403

Vonnis van 3 februari 2010

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEM.UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

STRUKTON GROEP N.V.,

gevestigd te Maarssen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRUKTON BETONBOUW B.V.,

gevestigd te Maarssen,

4. de naamloze vennootschap

SMET-BORING N.V.,

gevestigd te Dessel, België

eisers,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

procesadvocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. T.J. Dorhout Mees

procesadvocaat mr. C.B. Gaaf te Zutphen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk eisers en afzonderlijk respectievelijk de Gemeente, Strukton Groep, Strukton Beton en Smet-Boring genoemd worden. Gedaagde zal hierna Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 april 2009

- de akte overlegging producties van eisers

- het proces-verbaal van comparitie van 19 mei 2009

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte overlegging productie van eisers

- de antwoordakte van Achmea.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In opdracht van de Gemeente (eiser sub. 1) is de Strukton Groep (eiser sub. 2) op 11 augustus 1997 begonnen met een renovatie en uitbreiding van het Centraal Museum te Utrecht, hierna tevens te noemen: het project. Ten behoeve van een onderdeel van het project, het bouwen van een nieuw entreegebouw, is door Strukton Betonbouw (eiser sub. 3), eveneens in opdracht van de Gemeente, een bouwput vervaardigd. Smet-Boring (eiser sub. 4) heeft, als onderaannemer, een deel van de werkzaamheden met betrekking tot het vervaardigen van de bouwput uitgevoerd en heeft in de bouwput een zogeheten jet-groutwand tot stand gebracht.

2.2. De Gemeente heeft het project aangemeld op haar doorlopende bouwverzekering bij de rechtsvoorganger van Achmea, Centraal beheer Schadeverzekering N.V. Ingevolge artikel A.1.1. van de bij de doorlopende bouwverzekering horende polisvoorwaarden, hierna: de CAR-polis, zijn eisers allen verzekerden onder de CAR-polis.

2.3. Het nieuw te bouwen entreegebouw zou tegen het bestaande zogeheten 1920-gebouw worden gebouwd en worden gefundeerd op een betonnen kelderconstructie. Uit een door IFCO in 1996 in opdracht van de Gemeente gemaakt funderingsadvies is gebleken dat er onvoldoende ruimte bestond tussen de geprojecteerde kelderwand en de bestaande gevel, zodat het niet mogelijk was om daar, ten behoeve van de bouwput, een damwand in te brengen. Om die reden is er voor gekozen ter plaatse door middel van grouting-techniek een ondersteunende en waterkerende wand op te richten als onderdeel van de bouwput. Volgens het Werkplan (productie 8 van eisers) bestaat deze techniek er in dat de grond onder en aan de zijde van het 1920-gebouw met cement wordt geïnjecteerd waardoor er, na uitharding, groutkolommen of groutpalen ontstaan. In het Werkplan is uitgegaan twee rijen groutkolommen, in totaal 22 stuks. Aan de zijde van het 1920-gebouw bestond de bouwput derhalve uit een groutwand, welke wand tevens zorgde voor de fundering en stabiliteit van het 1920 gebouw. De positie van de groutwand maakte het noodzakelijk dat de wand op enig moment vanuit de bouwput zou worden gereduceerd, waardoor de nieuwbouw, conform het bestek, tegen het 1920-gebouw kon worden opgetrokken (rapport van Crawford-THG d.d. 29 oktober 1997, p. 3, productie 7 bij conclusie van antwoord).

2.4. De bouwput is op 3 juli 1997 opgeleverd. Voorafgaand aan de oplevering zijn er op drie momenten lekkages in de groutwand opgetreden. In verband daarmee is eind juni 2007 een tiental extra groutpalen aangebracht teneinde te voldoen aan de eisen van grond- en waterdichtheid. Achmea heeft in verband daarmee de kosten vergoed die noodzakelijk waren om schade aan het naastliggende museum te voorkomen.

2.5. Op 10 september 1997 is een deel van de groutwand vanuit de bouwput met behulp van een op een graafkraan gemonteerde breekhamer gereduceerd. Tijdens deze werkzaamheden zijn er lekkages in de groutwand ontstaan waardoor er zand en water in de bouwput is gelopen. In een verslag van 28 oktober 1997 (productie 1 bij conclusie van antwoord) schrijft de projectmanager van de Gemeente, Toorend & Partners, onder meer:

“ANALYSE PROBLEEM

Bij het uitvoeren van vervolgwerkzaamheden door Strukton Bouwprojecten (optredend namens de Strukton Groep) is er op een laag niveau zand en water in de put gestroomd. Dit ontstond nadat hakwerkzaamheden werden uitgevoerd in een door Strukton Betonbouw gemaakte groutwand van de put.

(…)

De meest waarschijnlijke oorzaak is dat de groutpalen van de verschillende schermen die zijn ingebracht, niet over de gehele hoogte van het scherm aansluiten. Daarbij kunnen water- en zandvoerende v-vormige openingen zijn ontstaan als gevolg van het onder verschillende hellingshoeken plaatsen van de groutpalen. Het wordt mogelijk geacht dat deze v-naden zich zowel bevinden aan de onderzijde van de groutpalen (en doorlopen tot boven de bovenkant van de putvloer) als in de zijwand van de groutwand. Strukton Betonbouw acht de kans groter dat de openingen zich onder aan de groutwand bevinden dan aan de zijkant.

(…)”

2.6. Bij brief van 18 april 2000 (productie 15 van eisers) schrijft (de rechtsvoorganger van) Achmea aan de Gemeente onder meer:

“(…)

De claim van ± 1,1 miljoen gulden, die door de gemeente Utrecht aan Crawford-THG is voorgelegd, betreft een verzameling van kosten die in hoofdzaak zijn gemaakt om alsnog een voldoende dikke wand of groutmassief te realiseren en om daarna op beheerste wijze de groutpalenwand vanuit de bouwput tot de gewenste dimensies te reduceren. (…) De rubriek het werk, waar het overgrote gedeelte van de ingediende claim op betrekking heeft, biedt dekking tijdens de bouwtermijn voor beschadiging van het werk. (…)Wil er sprake van beschadiging zijn dan moet de zaak ooit gaaf geweest zijn. Gebleken is dat de groutwand niet, zoals bij de uitvoering beoogd was, tot stand is gekomen. Met andere woorden de groutwand is nooit gaaf geweest. (…) De claim onder rubriek bestaande eigendommen komt wel voor vergoeding in aanmerking. Voor de expert is het echter ondoenlijk gebleken om vanuit de ingediende claim en de ter beschikking gestelde informatie terug te redeneren naar een onder de bouwverzekering verdedigbare kostenopstelling. (….)”

In de brief heeft (de rechtsvoorganger van) Achmea aan de Gemeente voorgesteld de zaak tegen finale kwijting af te wikkelen voor een bedrag van NLG 100.000,00.

2.7. Bij brief van 11 april 2006 (productie 16 eisers) heeft de Gemeente voornoemd standpunt van Achmea bestreden.

2.8. Eisers hebben onderling arbitrageprocedures gevoerd bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw die tot op heden geresulteerd hebben in drie arbitrale vonnissen over de onderlinge verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid voor de lekkages in de groutwand en de daaruit voor partijen voortgevloeide schade. De uitkomst van de procedures is dat Strukton Betonbouw 66% en Strukton Groep 10% van de schade van de Gemeente dienen te dragen en dat de Gemeente 24 % van de schade zelf dient te dragen. Voorts is in de arbitragezaak bepaald dat Smet-Boring Strukton Betonbouw dient te vrijwaren. De schadestaatprocedure loopt op dit moment nog in hoger beroep.

3. De vordering

3.1. Eisers vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht zal verklaren dat de schade van eisers als gevolg van de lekkage van de groutwand d.d. 10 september 1997 en/of hun aansprakelijkheid voor die schade, conform de toepasselijke polisvoorwaarden, gedekt is onder de door Gemeente Utrecht gesloten doorlopende bouwverzekering met polisnummer P165061 en Achmea dientengevolge gehouden is, conform de toepasselijke polisvoorwaarden, uitkering te doen terzake van deze schade en/of aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf 26 november 1997,

b. Achmea zal veroordelen tot betaling aan eisers van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 6.422,00, zijnde twee punten van het toepasselijke liquidatietarief,

c. Achmea zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de navolgende stellingen ten grondslag.

De groutwand is op grond van artikel A.1.5 sub a van de CAR-polis een door Achmea verzekerd werk. De lekkage van de groutwand, die op 10 september 1997 is opgetreden tijdens de reductie van die wand, is een beschadiging van het werk, zoals bedoeld in Rubriek 1 van de CAR-polis. Ten tijde van de beschadiging was de groutwand gaaf. Dat blijkt uit het feit dat de wand vanaf de oplevering tot aan die datum volledig had gefunctioneerd. Het is juist dat de groutwand niet in de beoogde vorm en dikte tot stand is gekomen, zoals vastgelegd in het advies van IFCO en het Werkplan, maar dit heeft niet tot gevolg dat de groutwand nimmer gaaf zou zijn geweest, zoals Achmea stelt. Nu tijdens het reduceren van de groutwand er barsten zijn ontstaan die geleid hebben tot lekkage, is er sprake van aantasting van het werk. Krachtens artikel 1.1 van de CAR-polis is gedekt: “beschadiging van het werk ontstaan tijdens de bouwtermijn, ongeacht door welke oorzaak, met terzijdestelling van artikel 249 Wetboek van Koophandel”. Achmea kan derhalve uitkering terzake van deze beschadiging niet weigeren. Voor het gedeelte van de schade niet zijnde schade aan het werk bestaat dekking onder rubriek 2, “aansprakelijkheid” dan wel dekking onder rubriek 3 “bestaande eigendommen opdrachtgever”. Achmea heeft erkend dat de verzekering dekking biedt voor schade in deze rubrieken. Aangezien eisers op dit moment uitsluitend een verklaring voor recht vorderen dat er dekking is onder de CAR-polis, is thans nog niet relevant welke schade eisers lijden en in hoeverre die kan worden toegerekend aan de diverse rubrieken. In de arbitragezaken is vastgesteld dat er gedurende het werk schade is ontstaan waarvoor eisers aansprakelijk zijn jegens derden of elkaar. Uit de arbitrale vonnissen blijkt dat eisers allen schade hebben geleden die gedekt is onder in ieder geval één van de rubrieken van de CAR-polis.

4. Het verweer

4.1. Achmea concludeert dat de rechtbank eisers niet ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hen deze zal ontzeggen, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.

4.2. Achmea legt aan haar verweer onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

Uit de stukken blijkt dat er bij de oplevering in 1997 een gebrekkige groutwand tot stand was gekomen, namelijk een groutwand met een of meer zandspieën/holtes. De groutwand was ten tijde van de oplevering dan ook niet volledig gesloten maar bevatte een of meerdere holtes. Er was derhalve sprake van een bestaand gebrek in de wand dat tijdens de geplande amovering aan het licht is gebracht. De bestaande holtes die bij het weghalen van een deel van de wand vrij zijn komen te liggen, kunnen niet gekwalificeerd worden als materiële schade in de zin van de CAR-polis. Er was van aanvang af geen sprake van een gave wand. Derhalve is niet komen vast te staan dat door de werkzaamheden beschadiging van de groutwand heeft plaatsgevonden zodat daarmee vast staat dat de schade niet onder de rubriek “het werk” gedekt is.

Indien en voor zover aan bestaande eigendommen van de Gemeente schade is ontstaan door het werk, is deze onder de polis gedekt. Gesteld noch gebleken is echter dat aan bestaande eigendommen of in verband met bestaande eigendommen schade is ontstaan, die (nog) niet aan eisers is vergoed. Voor zover de schade bestaat uit schade aan het werk of schade aan de bestaande eigendommen of een van de andere rubrieken uit de CAR-polis, is schade door aansprakelijkheid op grond van artikel 2.5 onder a uitgesloten. Bovendien is op grond van artikel 2.1.2 in deze rubriek slechts zaakschade gedekt, welk vereiste gelijk gesteld kan worden met materiële schade. Gelet op het feit dat nimmer sprake is geweest van een gave wand, is er ook geen sprake van materiële schade.

Voor zover zou worden geoordeeld dat door het weghakken een materiële beschadiging zou zijn ontstaan, dan is die schade op grond van artikel 1.5 onder g van de CAR-polis – beschadiging ten behoeve van het werk - van dekking uitgesloten.

De buitengerechtelijke kosten worden betwist. Ook de kosten van de arbitrale procedures kunnen niet voor rekening van Achmea worden gebracht.

De vordering in abstracto dat de schade van eisers onder de polis is gedekt, kan niet worden toegewezen indien niet vaststaat dat ieder der verzekerden een verzekerd belang – en welk belang – bij de schade heeft. Eisers hebben geen inzicht verschaft in de vraag in welk belang ieder van hen afzonderlijk is getroffen, zodat een verklaring van recht ten opzichte van alle partijen dat Achmea een uitkering zou dienen te doen, niet kan worden gegeven. Immers, er bestaat pas een uitkeringsverplichting indien een verzekerde aantoont dat hij bij de schade een verzekerd belang heeft.

5. De beoordeling

5.1. Eisers vorderen een verklaring voor recht dat hun schade en/of hun aansprakelijkheid ten gevolge van een lekkage op 10 september 1997 van een groutwand in een bouwput tijdens de bouw van een nieuw entreegebouw van het Centraal Museum te Utrecht, onder de CAR-polis gedekt is en dat Achmea jegens eisers gehouden is tot het doen van uitkeringen in verband daarmee. Als meest verstrekkende verweer heeft Achmea aangevoerd dat de vordering niet kan worden toegewezen nu eisers geen inzicht hebben gegeven in de vraag in welk belang ieder van hen afzonderlijk is getroffen.

5.2. Tussen partijen staat vast dat eisers ingevolge art. A.1.1 van de CAR-polis verzekerden zijn onder de CAR-polis. Daarmee is nog niet gezegd dat de door eisers geleden schade onder de CAR-polis is gedekt. Daarvoor dient in de eerste plaats worden vastgesteld of het belang waarin eisers stellen getroffen te zijn onder enige rubriek in de CAR-polis gedekt is. Uit de onderlinge arbitrageprocedures blijkt dat Strukton Betonbouw 66% en Strukton Groep 10% van de schade van de Gemeente dienen te dragen, de Gemeente 24% van de schade zelf dient te dragen en Smet-Boring Strukton Betonbouw dient te vrijwaren. Hiermee is echter nog niet beantwoord de vraag of de totale en/of afzonderlijk geleden schade gedekt is onder de CAR-polis. Eisers zien kennelijk over het hoofd dat het feit dat in arbitrageprocedures wordt vastgesteld dat er sprake is van schade en aansprakelijkheid jegens elkaar en derden, niet reeds meebrengt dat er sprake is van een onder de CAR-polis verzekerd belang. Ter bepaling daarvan is de CAR-polis beslissend. Met Achmea is de rechtbank van oordeel dat eisers, nu zij slechts een verklaring voor recht vorderen dat hun schade en/of aansprakelijkheid onder de CAR-polis is gedekt, geen inzicht hebben verschaft in de vraag in welk belang ieder van hen afzonderlijk is getroffen. De verklaring voor recht is daarmee onvoldoende concreet omschreven. Het belang dat voor ieder van de eisers aan de orde is bij de gevorderde verklaring voor recht is dan ook niet vast komen te staan, zodat eisers in hun vordering niet ontvankelijk zullen worden verklaard.

5.3. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- vast recht 303,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 1.885,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering,

6.2. veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.885,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

3 februari 2010.