Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL1733

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/2268 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO0223, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sluitingsduur pand in Apeldoorn, gelet op de ernst en de duur van de overlastsituatie, niet onevenredig. Kosten van sluiting pand op eigenaresse verhaald.

Geen aanleiding om bij wijze van uitzondering af te zien van het verhaal van de kosten, nu niet geoordeeld kan worden dat eiseres geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 08/2268 GEMWT

Uitspraak in het geding tussen:

Exploitatiemaatschappij Apeldoorn-Holland B.V.

te Apeldoorn,

eiseres,

en

de burgemeester van de gemeente Apeldoorn

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft verweerder een algehele sluiting bevolen van het pand aan [adres te plaats] voor een periode van 12 maanden van 8 juli 2008 t/m 8 juli 2009 en de daarmee gepaard gaande kosten op eiseres verhaald.

Bij besluit van 21 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2010, waar namens eiseres is verschenen ing. C.A.J. Jonker, bijgestaan door prof. mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J. van Huik.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel zijn de artikelen 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. De burgemeester kan van de overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Awb verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel.

2.2 Verweerder heeft een tijdelijke algehele sluiting van het pand aan het [adres] bevolen omdat de openbare orde in de woning en op het erf behorende bij de woning werd verstoord. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat in dit pand sprake was handel en gebruik van verdovende middelen en door drugs- en excessief drankgebruik sprake was van voortdurende (geluid)overlast, van onderling geweld met en zonder letsel, vernielingen en vervuiling, intimidatie van bewoners naar omwonenden waaronder ook het schieten met een luchtdrukpistool op omwonenden vanuit de woning en brandstichting.

Eiseres heeft deze feiten noch verweerders bevoegdheid om in dit verband artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet toe te passen bestreden. Het geschil beperkt zich tot de duur van de sluiting van het pand (voor 12 maanden) en het kostenverhaal op eiseres.

2.3 Duur van de sluiting

Eiseres stelt dat verweerder de duur van de sluiting ten onrechte heeft gehandhaafd op

12 maanden. Volgens eiseres zou een kortere termijn afdoende zijn geweest om (verdere) verstoring van de openbare orde te voorkomen. Eiseres heeft belang bij een kortere sluitingstermijn omdat zij als gevolg van de sluiting huurinkomsten misloopt.

Uit (onder meer) de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 mei 2005 (LJN: AT6163) volgt dat de duur van de sluiting primair bepaald moet worden door de ernst van de overlast en, in samenhang daarmee, de verwachting omtrent de tijd die nodig zal zijn om, in het geval van drugsoverlast, de loop van klanten naar het pand eruit te halen en vervolgens een situatie te bereiken waarin de sluiting van het pand kan worden opgeheven zonder een te groot risico voor terugkeer van de overlast.

Vooropgesteld wordt dat in aangelegenheden als deze aan de burgemeester een grote mate van beoordelings- en beslissingsvrijheid toekomt. Voor een rechterlijke toetsing van de wijze van gebruik van die vrijheid bestaat dienovereenkomstig slechts een beperkte marge.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gezien de ernst en de duur van de situatie

- vanaf 2005 - de sluitingstermijn van 12 maanden met het oog op bescherming van de openbare orde noodzakelijk heeft kunnen achten om de rust in de omgeving te laten wederkeren. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit doel ook met een kortere sluitingstermijn te realiseren zou zijn. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de sluitingsduur onevenredig zou moeten worden geacht.

2.4 Kostenverhaal

Eiseres stelt dat verweerder de aanzegging tot kostenverhaal in het bestreden besluit ten onrechte heeft gehandhaafd. Eiseres betwist allereerst dat zij als overtreder in de zin van artikel 174a, vijfde lid, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 699, nr. 3, blz. 21) is artikel 132 van de Gemeentewet (kostenverhaal bij bestuursdwang; thans artikel 5:25 van de Awb) van overeenkomstige toepassing verklaard omdat de gemeentewettelijke bepalingen over bestuursdwang als zodanig op een besluit tot sluiting niet van toepassing zijn. Er is immers in artikel 174a van de Gemeentewet geen sprake van overtreding van een expliciete norm, hetgeen voorwaarde is om de bepalingen over bestuursdwang direct van toepassing te laten zijn.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om de kosten, die voortvloeien uit de effectuering van het sluitingsbevel, te verhalen ook als geen sprake is van overtreding van een expliciete norm. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de kosten op eiseres kunnen worden verhaald, nu eiseres als eigenaresse van het pand waarvoor het sluitingsbevel is afgegeven zelf verantwoordelijk is.

De rechtbank deelt niet het standpunt van eiseres dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot kostenverhaal had moeten afzien omdat de gemeente medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de overlastsituatie, nu de gemeente de huurders heeft aangeleverd die de overlast hebben veroorzaakt en eiseres niet bij machte was de huurovereenkomsten te beëindigen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2005 (AB 2005/393) overweegt de rechtbank dat als regel uitoefening van bestuursdwang (en analoog daaraan de bevoegdheid van verweerder als neergelegd in artikel 174a van de Gemeentewet) en kostenverhaal samengaan. Wel is het bestuursorgaan vrij bij wijze van uitzondering bestuursdwang aan te zeggen in die zin dat de kosten van het effectueren daarvan niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene komen. Het bestuursorgaan dient in dit kader alle betrokken belangen af te wegen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien kan worden geoordeeld dat de aangeschrevene geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie én indien bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene zouden moeten komen.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden geoordeeld dat eiseres geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie. Hoewel de gemeente Apeldoorn enige bemoeienis heeft gehad met het aanleveren van huurders is eiseres zelf, zonder daartoe verplicht te zijn, de huurovereenkomsten met de bewoners aangegaan. Nu eiseres verantwoordelijk is voor de huurovereenkomsten, komt het gedrag van de huurders daarmee tot op zekere hoogte voor haar risico. Eiseres heeft zo beschouwd in haar hoedanigheid als verhuurder van de woonruimten in het pand de verstoring van de openbare orde laten ontstaan en voortduren (zie ook genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2005).

Voorts is niet gebleken dat eiseres zodanige inspanningen heeft verricht om de situatie te beëindigen dat op grond daarvan kan worden geoordeeld dat eiseres geen verwijt kan worden gemaakt over het ontstaan en voortduren van de situatie. Uit het verslag van een gesprek op 11 september 2007 tussen de gemeente, de politie en namens eiseres C.A.J. Jonker, blijkt dat eiseres er op is gewezen dat de bewoners van het pand veel overlast veroorzaken in de directe omgeving en dat, indien eiseres er niet voor zorgt dat per 1 november 2007 een einde komt aan de overlast, de gemeente zal overgaan tot ontruiming van het pand. Uit het primaire besluit van 27 juni 2008 blijkt dat de gemeente daarna enkele huurders uit het pand heeft laten overplaatsen naar een verslavingskliniek, waarna het enige tijd rustig is geweest. Eind 2007 is de overlast echter opnieuw ernstige vormen gaan aannemen. Ook uit het proces-verbaal van [naam], brigadier van politie Team Recherche, District Apeldoorn, van 12 juni 2008, blijkt dat in 2008 bij de politie meerdere meldingen zijn binnengekomen over drugsdealers die in en om het pand actief waren en dat zich geweldsincidenten voordeden.

Gelet op het voorgaande staat vast dat al lange tijd sprake was van overlast en eiseres herhaaldelijk op de ernst van de situatie is gewezen. Niet is gebleken dat eiseres inspanningen heeft verricht om de overlast te beëindigen. Zelfs nadat verweerder eiseres bij brief van 6 maart 2008 heeft gewezen op zijn bevoegdheid tot sluiting bij voortdurende overlast, is eiseres niet tot onmiddellijke actie overgegaan. Eerst bij brief van 29 mei 2008 heeft eiseres de huurovereenkomst van één van de huurders opgezegd. Voor het oordeel dat eiseres geen verwijt valt te maken voor het ontstaan en laten voortbestaan van de overlastsituatie bestaat dan ook geen aanleiding. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot kostenverhaal gebruik kunnen maken.

2.5 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, en

mrs. E.J.J.M. Weyers en Tj. Gerbranda, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2010.