Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL0601

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
377795 CV 09-1989
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanzienlijke huurachterstand niet voldaan en overeengekomen bankgarantie niet gesteld, dit ondanks eerdere veroordeling hiertoe in kort geding. Vordering tot ontbinding en ontruiming toegewezen. Standpunt van gedaagde dat de gemeente in schuldeisersverzuim verkeerde door intrekking dan wel niet (definitief) toekennen van een BBZ-krediet aan gedaagde houdt geen stand. Beroep op opschorting c.q. verrekening faalt eveneens. Reconventionele vordering afgewezen nu zowel de grondslag daartoe als de vermeende schade onvoldoende gemotiveerd is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Zutphen

Zaaknummer: 377795 CV 09-1989

Grosse aan: eiseres

Afschrift aan: gedaagde

Verzonden d.d.: 26 januari 2010

vonnis van de kantonrechter d.d. 26 januari 2010

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Zutphen,

zetelend te Zutphen,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.V.P.M. Gijselhart, advocaat te Zutphen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats, adres],

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A.H. Kiesouw, advocaat te Zutphen.

Partijen worden hierna verder aangeduid als de Gemeente en [gedaagde].

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 november 2009;

- de akte in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- de brief van 26 december 2009 met bijlagen van mr. Kiesouw;

- de brief van 29 december 2009 met bijlagen van mr. Gijselhart;

- de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen gehouden op 6 januari 2009, waarbij door mr. Kiesouw pleitnotities zijn overgelegd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 De Gemeente is eigenares van het pand “De Wijnhuistoren” aan de Groenmarkt 40/Lange Hofstraat 33-35 te Zutphen. Dit pand is een rijksmonument. De Gemeente heeft aan [gedaagde] krachtens een schriftelijke huurovereenkomst voornoemd pand (hierna: het gehuurde) verhuurd als bedrijfsruimte ex artikel 7:290 en volgende BW om te worden gebruikt als grand café/café-restaurant. De huurovereenkomst is aangegaan voor vijf jaar, met de mogelijkheid van verlenging van telkens vijf jaar. De huurprijs bedraagt momenteel € 8.002,44.

2.2 Aan de huurovereenkomst is het volgende ontleend:

“Bankgarantie

6. Het in 12.1 algemene bepalingen bedoelde bedrag van de bankgarantie wordt bij deze tussen partijen vastgesteld op € 18.750,-.”

Ingevolge artikel 12.6 van de Algemene Bepalingen verbeurt huurder een boete van € 250,00 per dag dat de bankgarantie niet wordt afgegeven.”

2.3 Aan de bij de huurovereenkomst behorende Algemene Bepalingen volgens het Model van de Raad voor Onroerende Zaken d.d. 11 juli 2003 (hierna: de Algemene Bepalingen) is het volgende ontleend:

“Aanpassingen door of vanwege verhuurder

(…)

14.3 onder renovatie wordt verstaan (gedeeltelijke) sloop, vervangende nieuwbouw, toevoegingen en veranderingen van het gehuurde of van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt.

14.4 (…) Huurder zal onderhoudswerkzaamheden en renovatie van het gehuurde of van gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, gedogen en verhuurder daartoe in de gelegenheid stellen, zonder recht te hebben op vermindering van de huurprijs, vermindering van een andere betalingsverplichting , geheel of gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst en/of op schadevergoeding.

(…)

Betalingen

18.1 de betaling van de huurprijs (…) zal uiterlijk op de vervaldata in wettig Nederlands betaalmiddel – zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder heeft of meent te hebben – geschieden (…).”

2.4 [gedaagde] heeft de huur over december 2007 en januari 2008 niet tijdig voldaan.

2.5 Vanaf februari 2008 heeft de Gemeente met gebruikmaking van steigers werkzaamheden aan de Wijnhuistoren laten uitvoeren. Op 11 juli 2008 zijn, na beëindiging van een deel van de werkzaamheden, de steigers verwijderd. De door [gedaagde] in het gehuurde geëxploiteerde horecaonderneming is in die periode geopend gebleven.

2.6 De huur over de periode februari tot en met mei 2008 is gedeeltelijk betaald. Eind juni 2008 bedroeg de huurachterstand € 29.494,90. Partijen hebben getracht hiervoor een oplossing te vinden in de vorm van een betalingsregeling. Een tweede concreet voorstel daartoe van de Gemeente in haar brief van 28 juli 2008 aan [gedaagde] is door laatstgenoemde voor akkoord ondertekend. Vervolgens is die betalingsregeling niet nagekomen en is een schuldsaneringsregeling, ingevolge het Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen, niet tot stand is gekomen. Als gevolg daarvan heeft de Gemeente het daarvoor begrote krediet niet (definitief) toegekend. Het daartegen ingestelde beroep (na bezwaar) is bij uitspraak van 4 november 2009 van deze rechtbank, sector bestuursrecht, ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Vanaf de maand augustus 2009 heeft [gedaagde] geen huur meer betaald.

2.7 Bij vonnis in kort geding d.d. 27 november 2009 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector Civiel, Afdeling Handel, is [gedaagde] veroordeeld binnen veertien dagen na betekening van het vonnis een deugdelijke bankgarantie aan de Gemeente af te geven tot een bedrag van € 18.750,00, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 18.750,00 en voorts, om binnen dertig dagen na betekening van dat vonnis ter zake van huur een bedrag aan de Gemeente te betalen van € 83.192,57. De door [gedaagde] ingestelde vordering in reconventie is afgewezen. Tegen dit vonnis in kort geding is geen hoger beroep ingesteld. Na dit vonnis heeft [gedaagde] geen bankgarantie gesteld en geen bedrag aan de Gemeente betaald.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1 de Gemeente vordert, na vermeerdering van de eis, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. de huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde met betrekking tot het pand “Wijnhuistoren” gelegen aan de Groenmarkt 40/Lange Hofstraat 33-35 te Zutphen ontbindt tegen de vroegst mogelijke datum c.q. de datum te bepalen waarop deze huurovereenkomst zal eindigen;

II. gedaagde zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het door de kantonrechter te wijzen vonnis en op de in dit vonnis te noemen datum van beëindiging van de huurovereenkomst, voormeld pand te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hare en eventueel harentwege in het gehuurde verblijvende personen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en onbelemmerde beschikking te stellen van eiseres, met machtiging van eiseres om de ontruiming na afloop van die termijn zo nodig zelf doch op kosten van gedaagde te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm;

III. [gedaagde] zal veroordelen om aan de Gemeente tegen kwijting te betalen:

- de door haar aan de Gemeente verschuldigde huur tot 6 januari 2010 tot betaling van een bedrag groot € 99.179,45;

- de door haar na 6 januari 2010 verschuldigde huur minus de door haar aan de Gemeente betaalde bedragen: p.m.;

- ter zake van aan de Gemeente verschuldigde boetes in verband met niet tijdige betaling van deze huur tot 6 januari 2010 een bedrag van € 7.800,00 en een boete van € 300,00 per maand vanaf 7 januari 2010;

- ter zake van aan de Gemeente verschuldigde boetes in verband met het niet tijdig stellen van de met de Gemeente overeengekomen bankgarantie tot 6 januari 2010 tot een bedrag groot € 113.500,00 en een boete van € 250,00 per dag vanaf 7 januari 2010;

- de door haar verschuldigde vergoeding van door eiseres gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 12.495,98.

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2 De Gemeente legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan haar vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

Ondanks herhaalde aanmaningen, pogingen om een afbetaling van de achterstand te laten plaatsvinden en een veroordeling in kort geding is [gedaagde] haar verplichtingen ten aanzien van de huurbetaling en het stellen van een bankgarantie niet nagekomen. De huurachterstand is inmiddels zodanig opgelopen dat de huurovereenkomst dient te worden ontbonden. Tevens is [gedaagde] de contractuele boetes verschuldigd geworden. De Gemeente heeft als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen van de kant van [gedaagde] tevens schade geleden in de vorm van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, welke door [gedaagde] dient te worden vergoed.

3.3 [gedaagde] heeft geconcludeerd dat de Gemeente in haar vorderingen niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat deze moet worden afgewezen, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

Het verweer van [gedaagde] zal, voor zover van belang, in het navolgende worden weergegeven.

4. De vordering en het verweer in reconventie

4.1 [gedaagde] vordert dat de kantonrechter:

- zal bepalen dat de Gemeente schuldig is aan [gedaagde] € 373.500,00;

- zal verklaren voor recht dat de Gemeente zich schuldig maakt aan schuldeisersverzuim en niet bevoegd is maatregelen tot executie te nemen, totdat in de bestuursrechtelijke procedure de einduitspraak is gedaan en in onderhavige procedure een oordeel is geveld over de hierboven gestelde eis in reconventie, alsmede over het door [gedaagde] geconstateerde schuldeisersverzuim, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

4.2 [gedaagde] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan haar vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag. Zij heeft omzetschade geleden als gevolg van de werkzaamheden, en de daardoor veroorzaakte hinder, aan de Wijnhuistoren van februari tot en met juli 2008. Er was sprake van een renovatie en daarover is, hoewel de Gemeente daartoe ingevolge artikel 14.2 van de Algemene Bepalingen verplicht was, tevoren geen plan aan haar ter instemming voorgelegd. Als een voorstel voor deze werkzaamheden aan haar was voorgelegd, had zij daar op deze schaal niet mee ingestemd. Het beroep van de Gemeente op artikel 14.4 van de Algemene Bepalingen is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het niet definitief toekennen van het BBZ krediet door de Gemeente aan haar is aan gedragingen van de Gemeente te (ver )wijten. Indien die schuldsanering zou hebben plaatsgevonden had [gedaagde] de huurachterstand ingevolge die regeling aan de Gemeente kunnen betalen.

4.3 De Gemeente heeft geconcludeerd dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Het verweer van de Gemeente zal, voor zover van belang, in het navolgende worden weergegeven.

5. De beoordeling

In conventie

5.1 [gedaagde] heeft de (hoogte van de) huurvordering niet betwist, zodat deze vaststaat. De betalingsachterstand bedraagt momenteel € 99.179,45 bij een huurprijs van € 8.002,44 per maand. Daarnaast is de overeengekomen bankgarantie van € 18.750,00 door [gedaagde] niet gesteld, hetgeen [gedaagde] erkent, dit ondanks een onherroepelijke veroordeling daartoe bij kort geding vonnis van 27 november 2009.

Een dergelijke huurachterstand en het niet stellen van de bankgarantie, vormt een (ernstige) toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de op haar als huurder rustende verplichtingen. Die tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). Van geringe betekenis van de tekortkoming is vanzelfsprekend geen sprake, wel is het de vraag of de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de tekortkoming naar haar bijzondere aard de ontbinding niet zou rechtvaardigen.

5.2 [gedaagde] heeft in dat verband als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat er sprake is van crediteursverzuim aan de zijde van de Gemeente, op grond waarvan de gevorderde ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe heeft [gedaagde] gesteld dat de Gemeente door het intrekken dan wel niet (definitief) toekennen van het BBZ-krediet, althans het niet voldoende meewerken aan het tot stand komen en uitkeren daarvan, [gedaagde] in de onmogelijkheid heeft geplaatst haar schulden, waaronder haar huurschuld aan de Gemeente te saneren. Zij heeft echter haar betoog op dit punt, tegenover de tegenwerpingen van de zijde van de Gemeente (onder meer in de akte in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie), ter comparitie niet, althans onvoldoende, nader onderbouwd. In dat verband dient nog te worden vermeld dat [gedaagde] in de bestuursrechtelijke procedure wat dit betreft in het ongelijk is gesteld bij uitspraak van 4 november 2009 van de Sector Bestuursrecht van de rechtbank. In die uitspraak is het beroep van [gedaagde] tegen het besluit tot vervallenverklaring van het BBZ-krediet, ongegrond verklaard. Weliswaar heeft zij daartegen hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, omdat zij het met de uitspraak niet eens is, maar zij heeft niet specifiek toegelicht op welke onderdelen zij meent dat de uitspraak in hoger beroep geen stand zal kunnen houden. Nu [gedaagde] haar betoog op dit onderdeel tegenover hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd, niet voldoende nader heeft onderbouwd, dient dit verweer buiten beschouwing te blijven. Verder kan in het midden blijven of in de omstandigheden van dit geval ook overigens is voldaan aan de vereisten voor het vaststellen van schuldeisersverzuim.

5.3 Van een rechtsgeldig beroep op opschorting, dan wel verrekening van haar huurbetalingsverplichting kan naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake zijn. In artikel 18 van de Algemene Bepalingen is immers bepaald dat de huur zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening dient te worden voldaan. Het beroep van [gedaagde] op verrekening met haar vordering op de Gemeente moet verder reeds worden verworpen, omdat de vordering van [gedaagde] naar grondslag en omvang door de Gemeente gemotiveerd wordt betwist en niet voor verrekening in aanmerking komt, aangezien deze niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW).

5.4 De kantonrechter acht voorts, mede gelet op het voorgaande, onvoldoende grondslag aanwezig om de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst, gevolgd door ontruiming van het gehuurde, af te wijzen wegens het door [gedaagde] gestelde verband met de aard en omvang van de ingestelde vorderingen in reconventie, dan wel in afwachting van (een) in dat kader nog volgende onherroepelijke rechterlijke beslissing(en). Daarvoor wordt tevens verwezen naar hetgeen hierna in reconventie wordt overwogen en beslist. De enkele aankondiging van de zijde van [gedaagde] dat een niet nader genoemde investeerder bereid zou zijn haar schulden te saneren, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast is nog van belang dat [gedaagde] al vanaf augustus 2009 geen enkel bedrag aan huur meer heeft betaald, terwijl er momenteel geen enkel concreet uitzicht is op het betalen van (een substantieel deel van) de achterstand en het hervatten van de betaling van lopende huurtermijnen, zodat na een redelijke afweging van de belangen van huurder en verhuurder moet volgen dat de ontbinding en de veroordeling tot ontruiming wordt uitgesproken.

5.5 De overige vorderingen zullen worden toegewezen nu de overeengekomen boetes en buitengerechtelijke incassokosten niet, althans onvoldoende, afzonderlijk en nader gemotiveerd zijn betwist, al ziet de kantonrechter mede gelet op de betwisting ervan termen aanwezig de boete met betrekking tot het niet stellen van de bankgarantie in redelijkheid te matigen tot een bedrag van € 25.000,00.

5.6 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

In reconventie

5.7 Voor zover [gedaagde] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Gemeente het BBZ-krediet heeft ingetrokken, hetgeen volgens haar leidt tot schuldeisersverzuim en als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, dient die grondslag als onvoldoende nader onderbouwd te worden verworpen. [gedaagde] heeft immers, hoewel dat op haar weg lag, ondanks het gemotiveerde verweer van de Gemeente in de conclusie van antwoord in reconventie, ter comparitie niet, althans onvoldoende onderbouwd, toegelicht op grond van welke concrete feiten en omstandigheden de Gemeente op deze grond aansprakelijk zou moeten worden geacht voor mogelijk geleden schade. Dit dient mede te worden gezien in het licht van de uitspraak van 4 november 2009 van de Sector Bestuursrecht van deze rechtbank. De in het petitum neergelegde vraag om die uitspraak van de bestuursrechter af te wachten is dus inmiddels achterhaald. In die uitspraak is het beroep van [gedaagde] tegen het besluit op bezwaar tegen de vervallenverklaring van het BBZ-krediet, ongegrond verklaard. Weliswaar heeft zij daarvan hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep omdat zij het met de uitspraak niet eens is, maar zij heeft niet specifiek toegelicht op welke onderdelen zij meent dat de uitspraak in hoger beroep geen stand zal kunnen houden.

5.8 Voorts heeft [gedaagde] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die zij in haar bedrijfsvoering heeft geleden als gevolg van de werkzaamheden die de Gemeente vanaf februari 2008 aan het gehuurde heeft laten verrichten. De Gemeente heeft [gedaagde] in dit kader van meet af aan gewezen op het bepaalde in artikel 14.4 van de algemene bepalingen die behoren bij de huurovereenkomst. Daarin is, samengevat, bepaald dat [gedaagde] onderhoudswerkzaamheden moet gedogen zonder dat zij recht heeft op huurvermindering of schadevergoeding.

[gedaagde] heeft gesteld dat in dit geval sprake is geweest van renovatie. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake geweest gelet op de (hierboven geciteerde) definitie van artikel 14 lid 3 van de Algemene Bepalingen. Vast staat dat de werkzaamheden betrekking hadden op vervanging van de voegen in het metselwerk. Dit impliceert dat er sprake was van onderhoud. De enkele omstandigheid dat daarbij ook, waar nodig, kapotte stenen zijn vervangen brengt niet mee dat er daarom gesproken kan worden van een renovatie. Door [gedaagde] is nog aangevoerd dat in de omstandigheden van dit geval een beroep van de Gemeente op artikel 14 lid 4 mogelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen zijn. Een beroep op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW is op zichzelf wellicht mogelijk, maar [gedaagde] heeft verzuimd om vervolgens (voldoende) concrete feiten en omstandigheden aan te geven op grond waarvan in dit geval daarvan sprake zou zijn. Dat [gedaagde] last heeft ondervonden van de werkzaamheden en zelfs ook dat zij daardoor wellicht omzetverlies heeft geleden, al is dat laatste - zeker in de mate waarin [gedaagde] dit voorstelt - op zichzelf niet aangetoond of zonder meer aannemelijk geworden, ligt op zichzelf als gevolg van de inhoud van genoemd artikel 14 lid 4 van de Algemene Bepalingen krachtens der partijen huurovereenkomst in de risicosfeer van [gedaagde] als huurder en ondernemer. Door [gedaagde] is niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de aan de Wijnhuistoren gepleegde onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk waren. Niet is voldoende onderbouwd gesteld dat de werkzaamheden gezien hun aard buitensporige overlast gaven en/of onnodig lang hebben geduurd. Verder moet worden opgemerkt dat [gedaagde] (ook) belang heeft bij de instandhouding en een optimaal onderhoud van het monumentale gebouw dat ook gezichtsbepalend is voor haar horecabedrijf. Ten slotte houdt de kantonrechter [gedaagde] ook aan haar uitdrukkelijke instemming door het op 4 augustus 2008 voor akkoord ondertekenen van een (tweede verruimd) afbetalingsvoorstel van de Gemeente. [gedaagde] was op dat moment voorzien van rechtskundige bijstand en een eerder door haar advocaat aandringen op een nihilstelling van de huur tijdens de werkzaamheden heeft geen enkel vervolg gekregen. Zij heeft niet voldoende toegelicht waarom zij toen akkoord ging met die wijze van afwikkeling en kennelijk heeft afgezien van huurverlaging en/of schadevergoeding, terwijl [gedaagde] de Gemeente daarentegen (pas recentelijk) aansprakelijk houdt voor schade door een door haar gestelde aanzienlijke omzetdaling, voornamelijk in de eerste helft van 2008.

5.9 Zelfs indien de kantonrechter al tot de slotsom zou zijn gekomen dat de uitsluitingsbepaling van artikel 14.4 van de Algemene Bepalingen in dit geval niet dan wel beperkt kan worden toegepast, dan nog heeft [gedaagde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt, welke zouden kunnen meebrengen dat de Gemeente voor enige schade aansprakelijk moet worden gehouden. Op [gedaagde] rust namelijk ook de verplichting om feiten en omstandigheden te stellen die niet alleen meebrengen dat zij schade heeft geleden, maar ook dat die schade geheel of gedeeltelijk het rechtstreeks gevolg is van de gedragingen van de Gemeente en niet is voortgevloeid uit een of meer andere factoren. Niet kan worden gezegd dat [gedaagde], die al enkele maanden op de hoogte is van het verweer van de Gemeente onvoldoende tijd of gelegenheid zou hebben gehad om op dit punt nadere gegevens en eventueel schriftelijk bewijs te verzamelen. Verwezen wordt verder naar hetgeen hiervoor in verband met de werkzaamheden is overwogen.

Nu [gedaagde] niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan haar stel- en adstructieplicht, komt de kantonrechter niet toe aan het geven van een bewijsopdracht op enig punt.

5.10 De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

5.11 Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen worden afgewezen.

5.12 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende:

in conventie:

6.1 ontbindt met ingang van heden de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en de Gemeente met betrekking tot het pand “Wijnhuistoren” gelegen aan de Groenmarkt 40/Lange Hofstraat 33 35 te Zutphen;

6.2 veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis voormeld pand te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hare en eventueel harentwege in het gehuurde verblijvende personen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en onbelemmerde beschikking te stellen van eiseres, met machtiging van eiseres om de ontruiming na afloop van die termijn zo nodig zelf doch op kosten van gedaagde te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm;

6.3 veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente tegen kwijting te betalen:

a. de door haar aan de Gemeente verschuldigde huur tot 6 januari 2010 ad € 99.179,45;

b. de door haar na 6 januari 2010 verschuldigde huur minus de door haar aan de Gemeente betaalde bedragen;

c. ter zake van aan de Gemeente verschuldigde boetes in verband met niet tijdige betaling van deze huur tot 6 januari 2010 een bedrag van € 7.800,00 en een boete van € 300,00 per maand vanaf 7 januari 2010;

d. ter zake van aan de Gemeente verschuldigde boetes in verband met het niet tijdig stellen van de met de Gemeente overeengekomen bankgarantie tot 6 januari 2010 een bedrag groot € 25.000,00 en een boete van € 250,00 per dag vanaf 7 januari 2010;

e. de door haar verschuldigde vergoeding van door eiseres gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 12.495,98.

6.4 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de Gemeente begroot als volgt:

€ 1.300,00 voor salaris gemachtigde,

€ 85,98 voor explootkosten en

€ 208,00 voor vast recht;

6.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6 wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

6.7 wijst de vorderingen af;

6.8 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de Gemeente begroot als volgt:

€ 1.200,00 voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J. Heessels en uitgesproken op 26 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.