Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BL0398

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
101528 - HA ZA 09-380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derdenwerking van een exoneratiebeding in een taxatierapport. Door bij de financieringsaanvraag gebruik te maken van een door een makelaar opgesteld taxatierapport heeft de bank, die niet opdrachtgever was tot het opstellen van de taxatie, in het onderhavige geval de gelding van het in het taxatierapport opgenomen exoneratiebeding aanvaard.

De bank heeft in 1999, mede op basis van een taxatierapport van de makelaar, aan een vof financiering verstrekt. Het taxatierapport is opgesteld in opdracht van de vof. In het taxatierapport staat het volgende exoneratiebeding: "dienovereenkomstig aanvaardt ondergetekende ten aanzien van de inhoud van het rapport geen verantwoordelijkheid jegens anderen dan de opdrachtgever." In het taxatierapport is de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak bepaald op € 256.385,82 en de executiewaarde op € 217.814,50. In 2007 komt de vof haar verplichtingen jegens de bank niet na waarop de bank haar zekerheden uitwint, onder meer door het veilen van de onroerende zaak. Uiteindelijk is de onroerende zaak onderhands verkocht voor € 100.000,00.

De bank verwijt de makelaar dat zij in het taxatierapport van 1999 op ondeugdelijke wijze de waarde van de onroerende zaak van de vof heeft vastgesteld waardoor de bank in 2007 blijft zitten met een vordering op de vof die niet uit de verkoop van de onroerende zaak kan worden voldaan. Dit levert een onrechtmatige daad op van de makelaar zodat zij verplicht is het verschil tussen de in 1999 getaxeerde onderhandse waarde en de in 2007 gerealiseerde verkoopopbrengst aan de bank te vergoeden.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat een makelaar onder omstandigheden ook jegens derden een zorgplicht heeft in de zin dat zij dient in te staan voor de juistheid van een taxatierapport en de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Nu de bank echter ten behoeve van de financiering van de vof gebruik maakte van het taxatierapport, terwijl in dit rapport uitdrukkelijk is opgenomen dat de makelaar geen aansprakelijkheid voor de inhoud van het rapport aanvaardt jegens anderen dan haar opdrachtgever, is er tussen de makelaar en de bank een rechtsbetrekking ontstaan die meebrengt dat de makelaar zich tegenover de bank op die clausule kan beroepen. Uitsluiting van de aansprakelijkheid jegens anderen dan de opdrachtgever is in dit geval ook redelijk aangezien het voor de makelaar niet bekend was welke financieringsinstantie haar taxatierapport zou gebruiken en op welke wijze dat zou gebeuren. Anderzijds kon de bank, door gebruikmaking van het taxatierapport, zelfstandig beslissen welke gevolgtrekkingen zij aan dit rapport wenste te verbinden, een en ander geheel buiten de makelaar om.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/358
NJF 2010/282

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 101528 / HA ZA 09-380

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

de coöperatie COÖPRATIEVE RABOBANK GRAAFSCHAP-ZUID U.A.,

gevestigd te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek,

eiseres,

advocaat mr. D.J. Kramer te Doetinchem,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAKELAARSKANTOOR MAALDERINK EN LUTKE WILLINK B.V.,

gevestigd te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek,

gedaagden,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer.

Partijen zullen hierna Rabobank en gedaagden tezamen Makelaarskantoor Maalderink c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 juni 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 10 september 2009

- de akte uitlating producties en nota van toelichting van Makelaarskantoor Maalderink c.s.

- de akte uitlating producties van Rabobank

- de akte uitlating productie van Makelaarskantoor Maalderink c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Rabobank was huisbankier van Appaloosa Hoeve V.O.F., hierna: de V.O.F., alsmede haar vennoten in privé. Op 13 oktober 1999 heeft Rabobank met de V.O.F. en haar vennoten een geldleningovereenkomst gesloten tot een bedrag van NLG 600.000,00

(€ 272.268,13) en een rekening-courantovereenkomst met kredietfaciliteit tot een bedrag van NLG 100.000,00 (€ 45.378,02). Ter meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit deze overeenkomsten heeft Rabobank bij notariële akte van 19 november 1999 een eerste hypotheekrecht verkregen tot een bedrag van NLG 700.000,00

(€ 317.646,15) op de in die akte genoemde onroerende zaak, een weiland met de zich daarop bevindende landbouwschuur gelegen aan de Zeddamseweg 10-a te Etten, hierna: de onroerende zaak. De bank had voorts andere zekerheden bedongen, zoals een pandrecht op dieren, inventaris en vorderingen op derden en een borgtocht van een derde tot een bedrag van NLG 100.000,00 (€ 45.378,02)

2.2. In opdracht van de V.O.F. heeft gedaagde sub. 1, [gedaagde1], de onroerende zaak getaxeerd. De bevindingen van die taxatie zijn neergelegd in een rapport van 31 augustus 1999 (productie 6 bij dagvaarding), hierna: het taxatierapport. In het taxatierapport staat onder meer vermeld dat het doel van de taxatie is het verkrijgen van financiering bij/door een bank of andere financieringsinstelling ten behoeve van aankoop. Bij “VERANTWOORDING” staat in het taxatierapport onder meer:

“(…)

Op deze taxatie zijn de Voorwaarden en Tarieven van de NVM van toepassing. Dienovereenkomstig aanvaardt ondergetekende ten aanzien van de inhoud van dit rapport geen verantwoordelijkheid jegens anderen dan de opdrachtgever.”

Op het moment van de taxatie was [gedaagde1] werkzaam voor gedaagde sub. 2, Makelaarskantoor Maalderink en Lutke Willink B.V.

2.3. [gedaagde1] heeft in het taxatierapport de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak getaxeerd op NLG 565.000,00 (€ 256.385,82) en de executiewaarde op NLG 480.000,00 (€ 217.814,50). Ten aanzien van de executiewaarde wordt in het taxatierapport vermeld dat niet is uitgegaan van een verkoop op een veiling “daar dit instituut ter plaatse niet of nauwelijks werkt, doch van een situatie gelijkwaardig aan een zogenaamde onderhandse executieverkoop”.

In het taxatierapport staat verder dat het een matig courant object betreft en dat er geen bijzondere omstandigheden bekend zijn met betrekking tot, onder andere, grondverontreiniging. Bij “NADERE MEDEDELINGEN” staat onder meer:

“(…)

In het kader van deze taxatie is er geen onderzoek verricht naar de gesteldheid van de bodem, waarbij wel verwezen wordt naar een door de eigenaar verricht bodemonderzoek.(…)”

2.4. Nadat de V.O.F. en haar vennoten hun verplichtingen jegens Rabobank niet langer zijn nagekomen, heeft Rabobank de financiering opgezegd en voor 9 juli 2007 een veiling uitgeschreven teneinde de onroerende zaak te verkopen. Ten behoeve van deze veiling heeft Rabobank de heer [naam taxateur], hierna: [taxateur], opdracht gegeven de onroerende zaak te taxeren. In een rapport van 26 juni 2007 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [taxateur] de onderhandse verkoopwaarde getaxeerd op € 150.000,00 en de executiewaarde op € 115.000,00. In dit rapport staat onder meer dat zowel het erf om het gebouw en het naastgelegen perceel een erg verwaarloosde indruk vertonen, dat er geen enkele zekerheid bestaat omtrent bouwmogelijkheden en de locatie bij de gemeente bekend is als een verdachte locatie voor bodemverontreiniging. In dat verband wordt verwezen naar een bodemonderzoeksrapport uit 1996 van de vorige eigenaar en een rapport van latere datum van de Provincie Gelderland. In het laatstgenoemde rapport is geconstateerd dat er sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

2.5. Op de veiling van 9 juli 2007 is de onroerende zaak afgemijnd op € 70.000,00 waarna de onroerende zaak alsnog onderhands is verkocht voor een bedrag van

€ 100.000,00.

2.6. Rabobank heeft LTO Vastgoed in 2009 een taxatie van de onroerende zaak laten uitvoeren naar de waarde in 2007 en in 1999. In een rapport van 27 augustus 2009 (productie 19 van Rabobank), hierna: het LTO-rapport, is de vrije verkoopwaarde van onroerende zaak voor 2007 bepaald op € 156.000,00 en voor 1999 op € 128.535,00. Uit het LTO-rapport blijkt dat gewaardeerd is op basis van een zichttaxatie, omschreven als een puur visuele waarneming van de buitenzijde van de onroerende zaak. Voorts is in het LTO-rapport vermeld dat de aanwezigheid van bodemvervuiling bij de waardebepaling buiten beschouwing is gelaten.

3. De vordering

3.1. Rabobank vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Makelaarskantoor Maalderink c.s. ieder zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rabobank te betalen een bedrag van € 156.385,82 en voorts, aan buitengerechtelijke incassokosten, een bedrag van € 4.138,17, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, des dat de een heeft voldaan, de ander zal zijn gekweten en met veroordeling van Makelaarskantoor Maalderink c.s. in de kosten van het geding.

3.2. Rabobank legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Rabobank is mede op basis van het taxatierapport van [gedaagde1] de financieringsrelatie met de V.O.F. aangegaan. Een taxatie is voor een bank een belangrijke schakel in het proces dat leidt tot het al dan niet verlenen van een financiering. Mede gelet daarop dient een taxateur niet alleen de belangen van zijn opdrachtgever, doch ook de belangen van financierende instanties in het oog te houden. Nu [gedaagde1] de taxatie voor en door Makelaarskantoor Maalderink en Lutke Willink B.V. heeft uitgevoerd, is ook deze laatste op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor het taxatierapport. De in 2007 gerealiseerde onderhandse verkoopwaarde is slechts 39% van de waarde die door [gedaagde1] in zijn taxatierapport uit 1999 is vastgesteld. Dit verschil kan niet veroorzaakt zijn, zoals Makelaarskantoor Maalderink c.s. heeft gesteld, door verwaarlozing van de onroerende zaak, de slechte naam die de onroerende zaak in de omgeving had, de verbouwing tot kunstmatig inseminatie station en/of het feit dat de verkoop in eerste instantie op een veiling heeft plaatsgevonden. Ook de bodemvervuiling is geen verklaring voor dat verschil, nu [gedaagde1] zich op het standpunt stelt dat hij daar in zijn taxatie rekening mee heeft gehouden. Uit het taxatierapport blijkt overigens nergens dat er sprake is van bodemverontreiniging en dat daarmee in de waardebepaling rekening is gehouden. [gedaagde1] heeft bovendien bij de waardebepaling ten onrechte de mogelijkheid van het bouwen van een bedrijfswoning meegenomen. Uit het LTO-rapport blijkt dat het nooit mogelijk is geweest op het perceel een bedrijfswoning te bouwen. Gelet voorts op het enorme verschil tussen enerzijds de door [gedaagde1] in 1999 getaxeerde waarde en anderzijds de getaxeerde waarden in de twee andere rapporten en de in 2007 gerealiseerde opbrengst is de taxatie van [gedaagde1] onjuist en heeft Makelaarskantoor Maalderink c.s. onrechtmatig jegens Rabobank gehandeld. Makelaarskantoor Maalderink c.s. heeft bij de totstandkoming van het taxatierapport niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in acht genomen. Indien [gedaagde1] dezelfde waarden had opgegeven als de door [taxateur] in het rapport van 2007 opgegeven waarden, dan had Rabobank deze financiering niet (in deze vorm) aan de V.O.F. verstrekt of andere zekerheden bedongen. In dat geval had Rabobank deze schade niet geleden. De ten gevolge van de onjuiste taxatie van [gedaagde1] door Rabobank geleden schade dient te worden begroot op het verschil tussen de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde van € 256.385,82 en de gerealiseerde verkoopopbrengst van

€ 100.000,00 zodat de schade € 156.385,82 bedraagt. Rabobank merkt daarbij op dat de restantvordering op de V.O.F. en haar vennoten thans nog € 193.686,87 bedraagt, exclusief rente en kosten.

4. Het verweer

4.1. Makelaarskantoor Maalderink c.s. concludeert dat de rechtbank, bij vonnis, Rabobank in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Rabobank in de proceskosten.

4.2. Makelaarskantoor Maalderink c.s. legt aan haar verweer de navolgende stellingen ten grondslag.

De vordering jegens [gedaagde1] is niet ontvankelijk, nu hij bij het opstellen van zijn taxatie heeft gehandeld namens Makelaarskantoor Maalderink en Lutke Willink B.V.

In het taxatierapport is uitdrukkelijk vermeld dat ten aanzien van de inhoud van dit rapport geen verantwoordelijkheid wordt aanvaard jegens anderen dan de opdrachtgever. Rabobank mocht er, gelet op deze duidelijke beperking van aansprakelijkheid, niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. civielrechtelijk aansprakelijk is voor eventuele verliezen die Rabobank zou lijden in verband met de financiering aan de V.O.F. Het is redelijk dat een taxateur niet verantwoordelijk wenst te worden gesteld voor beslissingen die mogelijk op basis van het taxatierapport worden genomen door een derde, op welke beslissingen de taxateur geen invloed kan uitoefenen. Aan de NVM-voorwaarden komt in dit geval derdenwerking toe. Bovendien ontbreekt door deze aansprakelijkheidsbeperking de relativiteit, althans de onrechtmatigheid, althans de causaliteit.

De V.O.F. heeft de onroerende zaak op 19 november 1999 gekocht en geleverd gekregen voor de koopsom van NLG 500.000,00. Rabobank heeft een 1e recht van hypotheek verkregen tot een bedrag van NLG 700.000,00. [gedaagde1] heeft in augustus 1999 de onroerende zaak naar eer en geweten getaxeerd. Er is ook niet gebleken dat de waarde in 1999 essentieel lager was dan door [gedaagde1] in zijn taxatierapport is aangegeven. Bijna 8 jaar na de taxatie door [gedaagde1] is door Rabobank een executieveiling aangekondigd. De omstandigheden zijn in die periode drastisch gewijzigd. Gelet op de pas na 1999 in volle omvang bekend geworden bodemvervuiling ter plekke, de verwaarlozing van de onroerende zaak, de slechte naam van het bedrijf in de omgeving, onder meer vanwege een veroordeling voor verwaarlozing van dieren en het ombouwen tot K.I. station en hamsterfokkerij, is de waarde van de onroerende zaak na 1999 aanzienlijk gedaald. [gedaagde1] heeft wel degelijk in zijn taxatierapport de toen bekende bodemverontreiniging meegewogen. Op basis van het toen beschikbare bodemrapport van Tukkers Milieuonderzoek bestond er geen noodzaak tot saneren en was er ook geen saneringsbevel. Rabobank had dat rapport eenvoudig kunnen opvragen bij de V.O.F. Pas uit bodemonderzoeksrapporten van na 1999 is gebleken dat er sprake was van ernstige bodemverontreiniging. Dit heeft een zeer negatief effect gehad op de verkoopopbrengst in 2007. [gedaagde1] heeft in zijn taxatie met die bodemvervuiling vanzelfsprekend geen rekening kunnen houden. De gemeente heeft, na 1999, bij een algehele herziening van het bestemmingsplan de bebouwingsmogelijkheid geschrapt. De V.O.F. heeft daarover toen met succes bij de wethouder gereclameerd. Er waren in 2007 derhalve ook bebouwingsmogelijkheden.

Makelaarskantoor Maalderink c.s. wijst op het handboek voor taxateurs, Taxatieleer Vastgoed 1 van G.G.M. Ten Have, hierna: het handboek. Daaruit blijkt onder meer dat taxaties alleen met elkaar kunnen worden vergeleken als de omstandigheden hetzelfde zijn, hetgeen hier niet het geval is. Bovendien geldt volgens het handboek altijd een bandbreedte van plus en min 20% ten opzichte van de gerealiseerde prijs. In het algemeen zal een taxatie pas onjuist worden geacht indien daar een waarde uitkomt die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot niet zou hebben vastgesteld. Rabobank heeft dat niet aangetoond. De LTO-taxatie is van veel latere datum, is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en berust slechts op een beoordeling van de onroerende zaak vanaf de weg. De taxatie van [taxateur] is 8 jaar later verricht onder volstrekt onvergelijkbare omstandigheden. Rabobank heeft bovendien ten onrechte de onroerende zaak geveild. In het taxatierapport van [gedaagde1] is reeds vermeld dat een veiling voor de verkoop van deze onroerende zaak ongeschikt is. Bovendien had Rabobank een bouwvergunning kunnen aanvragen, hetgeen de opbrengst aanzienlijk zou hebben verhoogd.

De gevorderde schade staat niet in causaal verband met de beweerde onrechtmatige taxatie. Rabobank toont niet aan dat zij de schade niet zou hebben geleden indien [gedaagde1], in de optiek van Rabobank, correct had getaxeerd. Rabobank geeft niet aan wat in 1999 wel een juiste taxatie zou zijn geweest. Uit het financieringsvoorstel van Rabobank aan de V.O.F. blijkt op geen enkele wijze welke rol de taxatie van [gedaagde1] heeft gespeeld. Er is bovendien door Rabobank een veel hoger bedrag gefinancierd dan de gebruikelijke 80% van de door [gedaagde1] vastgestelde executiewaarde. Gelet op de matige courantheid, bodemvervuiling en ongeschiktheid voor een veiling had Rabobank in dit geval niet meer dan 75% van de executiewaarde mogen financieren. Uitgaande van 75% van

NLG 480.000,00 (de getaxeerde executiewaard) had Rabobank op grond van de taxatie nimmer meer mogen financieren dan NLG 360.000,00. Rabobank heeft NLG 700.000,00 gefinancierd. Derhalve is er geen causaal verband tussen de taxatie en de te hoge financiering en bovendien is er sprake van eigen schuld ex artikel 6:101 BW. Ook de omvang van de schade wordt betwist. Bij gebrek aan wetenschap betwist Makelaarskantoor Maalderink c.s. dat Rabobank thans nog € 193.686,87 van de V.O.F. en haar vennoten te vorderen heeft.

5. De beoordeling

5.1. De stelling van Makelaarskantoor Maalderink c.s. dat de vordering jegens [gedaagde1] (gedaagde sub. 1) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu zijn gedragingen dienen te worden aangemerkt als gedragingen van Makelaarskantoor Maalderink en Lutke Willink B.V., wordt gepasseerd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet gezegd worden dat de makelaar die zijn werkzaamheden verricht bij een besloten vennootschap, niet op grond van een door hem gepleegde onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gesteld. Dat geldt temeer nu enige verduidelijking van de in 1999 bestaande rechtsrelatie tussen [gedaagde1] en Makelaarskantoor Maalderink en Lutke Willink B.V ontbreekt.

5.2. Aan haar vordering legt Rabobank ten grondslag dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door aan de V.O.F. een taxatie van de onroerende zaak af te geven die onjuist en ondeugdelijk blijkt te zijn. Op basis van het taxatierapport heeft Rabobank, zo stelt zij, financiering aan de V.O.F. verstrekt onder het bedingen van zekerheden, waaronder een recht van 1e hypotheek op de onroerende zaak. Na een veiling in 2007 is gebleken dat de waarde van de onroerende zaak ver achterblijft bij de door Makelaarskantoor Maalderink c.s. in 1999 getaxeerde waarde. Door de te hoge taxatie blijft Rabobank, zo stelt zij, zitten met een vordering op de V.O.F. die niet uit de opbrengst van de onroerende zaak kan worden voldaan. Rabobank houdt Makelaarskantoor Maalderink c.s. in verband daarmee aansprakelijk voor het verschil tussen de door Makelaarskantoor Maalderink c.s. in 1999 getaxeerde onderhandse verkoopwaarde van

€ 256.385,82 en de in 2007 gerealiseerde verkoopopbrengst van € 100.000,00, derhalve voor een bedrag van € 156.385,82.

5.3. De rechtbank stelt voorop dat een makelaar die een taxatierapport ter beschikking stelt aan zijn opdrachtgever, binnen redelijke grenzen dient in te staan voor de juistheid van het rapport, de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Daarbij geldt overigens niet dat het enkele feit dat er, zoals in het onderhavige geval, een aanzienlijk verschil is tussen de getaxeerde waarde en de verkoopopbrengst reeds meebrengt dat de makelaar zijn zorgplicht heeft geschonden. Taxatie van een onroerende zaak is immers een momentopname, mede gebaseerd op de marktomstandigheden ten tijde van de taxatie. Feiten en omstandigheden die zich nadien voordoen, kunnen de verkoopprijs zoals die in dit geval jaren later wordt gerealiseerd aanzienlijk van de getaxeerde waarde doen afwijken.

Voornoemde zorgplicht geldt niet alleen ten aanzien van de opdrachtgever, maar kan onder omstandigheden ook ten aanzien van derden gelden. Immers, ook derden ontlenen aan een taxatierapport verwachtingen ten aanzien van de onderhandse verkoopwaarde en executiewaarde van de getaxeerde zaak. Dat geldt in ieder geval ten aanzien van financieringsinstellingen die, zoals in deze zaak het geval is, een taxatierapport gebruiken voor een financieringsaanvraag van de opdrachtgever van de taxatie. Makelaars zijn in het algemeen bekend met deze gang van zaken zodat zij met die belangen rekening dienen te houden.

In het onderhavige geval heeft Makelaarskantoor Maalderink c.s. met zoveel woorden in het taxatierapport aangegeven dat het doel voor de opdrachtgever van deze taxatie was het verkrijgen van financiering bij een bank of andere financieringsinstelling ten behoeve van aankoop. De opdracht tot het opstellen van het taxatierapport was dan wel door de V.O.F. gegeven, Makelaarskantoor Maalderink c.s. was uitdrukkelijk op de hoogte van het feit dat de door haar af te geven taxatie gebruikt zou worden door een financieringsinstelling om een beeld te krijgen van de waarde van de zekerheden die zij jegens de V.O.F. ten behoeve van de financiering zou verkrijgen.

5.4. Het meest verstrekkende verweer van Makelaarskantoor Maalderink c.s. is dat Rabobank, gelet op de in het taxatierapport opgenomen beperking van de aansprakelijkheid, er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij Makelaarskantoor Maalderink c.s. aansprakelijk zou kunnen stellen voor eventuele verliezen in verband met de aan de V.O.F. verstrekte financiering. Makelaarskantoor Maalderink c.s. beroept zich in dat verband op derdenwerking van haar aansprakelijkheidsbeperking. Rabobank stelt dat die beperking een contractueel beding is dat alleen van kracht is tussen partijen en dat er onvoldoende rechtvaardigingsgrond bestaat om aan dit beding derdenwerking te verlenen.

Voor het antwoord op de vraag of een exoneratiebeding ook geldt ten opzichte van een derde die geen partij is bij de overeenkomst waarin het beding is opgenomen, is beslissend of de derde, in dit geval Rabobank, redelijkerwijs diende te begrijpen dat zij, door van het taxatierapport gebruik te maken, de gelding van dit beding zou aanvaarden (zie C.E. du Perron, “Overeenkomst en derden”, dissertatie 1999, § 366-368). Naar het oordeel van de rechtbank doet zich dat hier voor. Immers, in het taxatierapport is uitdrukkelijk bepaald dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. ten aanzien van de inhoud van het rapport geen verantwoordelijkheid aanvaardt jegens anderen dan de opdrachtgever. Nu Rabobank ten behoeve van de financiering van de V.O.F. gebruik maakte van dit taxatierapport, terwijl in dit rapport uitdrukkelijk is opgenomen dat de makelaar geen aansprakelijkheid voor de inhoud van het rapport aanvaardt jegens anderen dan haar opdrachtgever, hier: de V.O.F., is er tussen Makelaarskantoor Maalderink c.s. en Rabobank een rechtsbetrekking ontstaan die meebrengt dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. tegenover Rabobank zich op die clausule kan beroepen. Rabobank heeft, door gebruik te maken van het taxatierapport ter onderbouwing van haar financieringsbeslissing, feitelijk de gelding van dat rapport aanvaard terwijl zij wist of kon weten dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. voor de nadelige gevolgen daarvan geen aansprakelijkheid zou aanvaarden. In het onderhavige geval is het ook redelijk dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. geen verantwoordelijkheid op zich wenste te nemen voor beslissingen die mogelijk op basis van het taxatierapport door een derde zouden worden genomen. Het was immers voor Makelaarskantoor Maalderink c.s. niet bekend welke financieringsinstantie haar taxatierapport zou gebruiken en op welke wijze dat zou gebeuren. Anderzijds kon Rabobank, door gebruikmaking van het taxatierapport, zelfstandig beslissen welke gevolgtrekking zij aan dit rapport wenste te verbinden, een en ander geheel buiten Makelaarskantoor Maalderink c.s. om. Het stond Rabobank bovendien vrij om geen genoegen te nemen met een taxatierapport waarin een clausule is opgenomen die aansprakelijkheid jegens anderen dan de opdrachtgever uitsluit.

5.5. Ter comparitie van partijen heeft de raadsman van Rabobank nog opgemerkt dat, gezien het hele feitencomplex, de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat Makelaarskantoor Maalderink c.s. geen beroep mag doen op het exoneratiebeding. Onder omstandigheden zullen de redelijkheid en billijkheid zich er tegen kunnen verzetten dat een partij jegens een derde een beroep doet op een exoneratiebeding. Nu Rabobank haar stelling op dit punt slechts heeft gebaseerd op “het hele feitencomplex” en niet heeft gespecificeerd welke feiten en omstandigheden meebrengen dat het beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht zodat deze stelling wordt gepasseerd.

5.6. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van Makelaarskantoor Maalderink c.s. op uitsluiting van haar aansprakelijk jegens Rabobank slaagt zodat de vorderingen zullen worden afgewezen. Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Makelaarskantoor Maalderink c.s. worden begroot op:

- vast recht € 3.530,00

- salaris advocaat 4.263,00 (3 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.793,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van Makelaarskantoor Maalderink c.s. tot op heden begroot op € 7.793,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

20 januari 2010.?