Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BK9759

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
06-460375-09 (36e Sr)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming toegewezen voor bedrijfsinbraken. (zie ook LJN BK9749)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460375-09 (36e Sr)

Uitspraak d.d.: 19 januari 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1979],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Arnhem,

Raadsman: mr. de Reus, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 januari 2010.

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 19 januari 2010 is veroordeelde tot straf veroordeeld onder meer, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

Feiten 1 en 3:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Feiten 4, 5 en 6:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Vordering van het Openbaar Ministerie

De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen een bedrag van € 6.150,25.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat bij incident 7 (eerste deel van feit 1) niet kan worden vastgesteld dat het bedrag van € 515,00 is weggenomen; datzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 600,00 bij incident 11 (eerste deel van feit 3). Bij incident 13 (feit 4) wordt in de aangifte een bedrag van € 3.000,00 genoemd, maar enige onderbouwing van dat bedrag ontbreekt. Voor het overige heeft de raadsman ten aanzien van de incidenten die ook op de tenlastelegging zijn vermeld, geen opmerkingen.

Voor de incidenten 1, 4, 10, 16, 17 en 19 (zijnde incidenten die niet op de tenlastelegging staan) moet worden vastgesteld of voldoende aanwijzingen bestaan dat deze feiten zijn begaan door veroordeelde en of daardoor wederrechtelijk voordeel is genoten.

De verdediging is van mening dat onvoldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde incident 19 zou hebben gepleegd. De verklaring van de getuige [getuige] en de aangifte zijn daartoe onvoldoende.

Bij incident 10 geldt dat het bedrag van € 220,00 volgens de aangifte een schatting is.

Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde, die voorafgaand aan de voorlopige hechtenis een WAJONG-uitkering van € 890,00 per maand ontving en schulden heeft van ongeveer € 4.000,00.

Overweging met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleend aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel1 als uitgangspunt genomen. Zij overweegt als volgt.

In de strafzaak is veroordeelde vrijgesproken van feit 2 (incident 18), zodat dit bedrag van € 150,00 niet zal worden toegewezen.

Blijkens het in de strafzaak gewezen vonnis en de daarin opgenomen bewijsmiddelen2 heeft veroordeelde zich in de periode van 7 december 2008 tot en met 8 december 2008 in Zutphen schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag van € 515,00 van [slachtoffer A] en/of [naam stichting] (incident 7). Aangever [slachtoffer A] heeft verklaard3 dat er een bedrag van € 515,00 is meegenomen.

Voorts heeft veroordeelde zich in de periode van 8 april 2009 tot en met 30 mei 2009 in Warnsveld schuldig gemaakt aan diefstal van (in totaal) een geldbedrag van € 1.205,98 van [slachtoffer B] en/of [pizza-shoarma-cafetaria] (incidenten 11 en 14). Aangever [slachtoffer B] heeft verklaard4 dat er in de periode tussen 8 april 2009 en 9 april 2009 een bedrag van € 253,75 is weggenomen. Ook de patatzak met daarin voor € 260,00 aan rollen muntgeld is weggenomen uit de kassalade. Tevens is er een bedrag van tussen de € 150,00 en € 250,00 aan muntgeld uit de kluis genomen. Aangever [slachtoffer B] heeft verklaard5 dat er in de periode tussen 29 mei 2009 en 30 mei 2009 € 150,00 aan briefgeld en € 292,25 aan muntgeld is meegenomen. Nu het Openbaar Ministerie de ontnemingsvordering met betrekking tot incident 11 baseert op een bedrag van € 600,00 zal het totaalbedrag van deze twee incidenten worden aangepast tot € 1.042,25.

Aangever [slachtoffer C] heeft verklaard6 dat er op 26 mei 2009 een bedrag van € 3.000,00 is weggenomen. Veroordeelde heeft zich in Zutphen schuldig gemaakt aan diefstal van dit bedrag van [slachtoffer C] en/of [cafetaria-shoarmazaak] (incident 13).

Op 2 juni 2009 heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan diefstal van € 65,00 van [stichting te plaats] (incident 15). Aangeefster [slachtoffer E] heeft verklaard7 dat er in totaal vijf geldkistjes zijn weggenomen met een inhoud van in totaal ongeveer € 65,00.

Ten slotte heeft hij zich op 23 mei 2009 in Rotterdam schuldig gemaakt aan diefstal. Aangever [slachtoffer D] heeft verklaard8 dat er € 300,00 contant geld is meegenomen (incident 12).

Het voorgaande leidt tot de navolgende berekening:

Incident 7 € 515,00

Incident 11 € 600,00

Incident 12 € 300,00

Incident 13 € 3.000,00

Incident 14 € 442,25

Incident 15 € 65,00 +

€ 4.922,25

Voor de overige incidenten - die niet ook in de tenlastelegging in de hoofdzaak zijn opgenomen - in deze ontnemingsvordering overweegt de rechtbank als volgt.

Indien voldaan is aan de algemene voorwaarde dat sprake is van veroordeling van het gronddelict in de strafzaak kan de ontnemingsmaatregel zich ook uitstrekken over soortgelijke feiten. Dit wil zeggen: feiten die niet betrokken zijn in de bewezenverklaring en de veroordeling in de onderliggende strafzaak, doch waaromtrent in de ontnemingsprocedure wel voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Veroordeelde heeft tevens de gelegenheid gehad zich over deze feiten in de ontnemingsprocedure uit te laten.

Met betrekking tot de incidenten 1, 3, 4, 10 en 17 overweegt de rechtbank dat ook bij deze incidenten, net als bij de voormelde incidenten die wél op de tenlastelegging hebben gestaan, DNA is gevonden van veroordeelde. Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van veroordeelde.. De kans dat het DNA niet van hem afkomstig is, is volgens het NFI één op één miljard. De rechtbank acht aannemelijk dat deze feiten door veroordeelde zijn begaan.

Bij deze incidenten zijn de volgende geldbedragen weggenomen:

Incident 1 € 53,009

Incident 3 € 150,0010

Incident 4 € 375,0011

Incident 10 € 220,0012

Incident 17 € 220,0013+

€ 1.018,00

Met betrekking tot incident 19 overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde dit feit heeft gepleegd, zodat het gevorderde bedrag van € 60,00 niet kan worden toegewezen in deze ontnemingsprocedure.

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde bij voornoemde incidenten/feiten - behoudens anders aangegeven - wederrechtelijk voordeel heeft genoten ter hoogte van € 5.940,25 (€ 4.922,25 + € 1.018,00).

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. In het onderliggende vonnis in de strafzaak zijn aan de benadeelde partijen voor zover voor de zaak relevant de volgende vorderingen tot schadevergoeding toegewezen:

Incident 7 € 515,00

Incident 12 € 415,00

Incident 13 € 2.169,30 +

€ 3.099,30

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.840,95.

Omvang van de betalingsverplichting

De raadsman heeft een draagkrachtverweer gevoerd. Het draagkrachtverweer kan in het ontnemingsgeding alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde tegen wie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gericht is, nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. In het onderhavige geval is niet aanstonds duidelijk dat de draagkracht ontbreekt of zal ontbreken. Veroordeelde heeft ter zitting kenbaar gemaakt zijn leven te willen beteren en geen strafbare feiten meer te willen plegen. Daarbij mede gekeken naar zijn jonge leeftijd, wordt het verweer van de raadsman verworpen nu de rechtbank verwacht dat veroordeelde in de toekomst voldoende draagkracht kan hebben om het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

- Stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.840,95 (tweeduizend achthonderd veertig euro en vijfennegentig centen);

- Legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal

€ € 2.840,95 (tweeduizend achthonderd veertig euro en vijfennegentig centen).

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, De Bie en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2010.

Mr. Feraaune is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, parketnummer 06/460375-09, opgemaakt, gesloten en ondertekend op 9 november 2009 door [naam 1], brigadier van politie district IJsselstreek

2 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0630/09-205200, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 26 oktober 2009

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A], p. 140

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 179/180

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 254/255

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C], p. 211

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer E], p. 265

8 Proces-verbaal van aangifte door I. [slachtoffer D], p. 196/197

9 Proces-verbaal van aangifte door [naam A], p. 61

10 Proces-verbaal van aangifte door [naam B], p. 90

11 Proces-verbaal van aangifte door [naam C], p. 100

12 Proces-verbaal van aangifte door [naam D], p. 172

13 Proces-verbaal van aangifte door [naam F], p. 291