Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BK9749

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
06/460375-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

16 maanden gevangenisstraf voor 7 vermogensdelicten -bedrijfsinbraken- waarbij telkens DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen. (Ontneming zie LJN BK9759)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460375-09

Uitspraak d.d.: 19 januari 2010

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1979],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Arnhem,

Raadsman: mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 januari 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 december 2008 tot en met 8 maart 2009 te Zutphen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (te weten een moskee gelegen aan/nabij [adres 1]) heeft weggenomen,

- in de periode van 7 december 2008 tot en met 8 december 2008, een geldbedrag van 515 euro, in elk geval enig goed en/of

- op 8 maart 2009 een geldbedrag, in elk geval enig goed,

(telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [naam Stichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 maart 2009 te Zutphen

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit pand/kliniek (gelegen aan/nabij [adres 2]) heeft weggenomen een geldbedrag van 150 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam kliniek], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 april 2009 tot en met 30 mei 2009 te Warnsveld, gemeente Zutphen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand/cafetaria (gelegen aan [adres 3]), heeft weggenomen

- in de periode van 08 april 2009 tot en met 09 april 2009 een geldbedrag van

503,73 euro en/of 260 euro aan muntgeld, in elk geval enig goed en/of

- in de periode van 29 mei 2009 tot en met 30 mei 2009, een geldbedrag van

442,25 euro, in elk geval enig goed,

(telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B] en/of

[naam pizza-shoarma-cafetaria], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 26 mei 2009 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand/shoarmazaak (gelegen aan/nabij [adres 4]) heeft

weggenomen een kluisje met daarin een geldbedrag van ongeveer 3000 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] en/of [cafetaria-shoarmazaak], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 02 juni 2009 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een bedrijfspand gelegen aan/nabij [adres 5] heeft weggenomen vijf, althans één of meer, geldkistje(s) met daarin een geldbedrag van ongeveer 65 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam stichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 23 mei 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een cultureel centrum gelegen aan [adres 6] heeft weggenomen meerdere, althans (een) simkaart(en) en/of een geldbedrag van ongeveer 300 euro en/of etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D] en/of [naam cultureel centrum], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

In de periode van 7 december 2008 tot en met 2 juni 2009 vonden er in Rotterdam, Zutphen en Warnsveld diverse bedrijfsinbraken plaats, waarbij tijdens technisch sporenonderzoek bloedsporen werden aangetroffen en veiliggesteld. De sporen werden ingestuurd naar het NFI en daar bleken de DNA-profielen van deze zaken met elkaar te matchen. Het NFI registreerde deze zaken onder DNA-profielcluster 3014.

In het kader van een andere strafzaak was met toestemming van verdachte wangslijm van hem afgenomen. Een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte werd op 24 augustus 2009 opgenomen in de DNA-databank. De conclusie van het NFI was, dat de aanwezige DNA-profielen opgenomen in het DNA-profielcluster 3014 afkomstig kunnen zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met dit DNA-profiel werd door het NFI bij alle sporen berekend als kleiner dan 1 op 1 miljard.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde zes feiten, zijnde een achttal incidenten. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat er in alle zaken aangiftes zijn gedaan. Bij zeven van de acht gepleegde inbraken in de tenlastelegging - behoudens de inbraak in feit 2 - is er een DNA-match met verdachte. Bij verdachte is DNA afgenomen naar aanleiding van een inbraak waarbij hij op heterdaad is betrapt. In alle ten laste gelegde feiten is telkens op dezelfde wijze ingebroken.

Een getuige heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verklaring van verdachte dat iemand anders zijn bloed heeft opgevangen toen hij zichzelf heeft gesneden, de inbraken vervolgens heeft gepleegd en hierbij het bloed van verdachte heeft achtergelaten op de plaatsen delict acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (ten aanzien van de inbraak op 8 maart 2008) heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - betoogd, dat partiële vrijspraak moet volgen nu ten aanzien van het specifiek tenlastegelegde bedrag van € 515.- onvoldoende blijkt dat dit concreet tenlastegelegde bedrag is weggenomen.

Van het onder 1 ten laste gelegde (ten aanzien van de inbraak op 8 maart 2009) dient verdachte te worden vrijgesproken, nu niet valt vast te stellen dat toen enig geldsbedrag is weggenomen. Uit de aangifte blijkt dat een hangslot van de giftenpot was verbroken en dat de giftenpot open- stond. De inhoud van dit potje wordt blijkens de aangifte 'niet vaak' geteld. Op grond daarvan kan niet worden uitgesloten dat op een eerder moment een bedrag is weggenomen of dat de giftenpot is leeggemaakt om de giften te kunnen gebruiken, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman integrale vrijspraak betoogd wegens onvoldoende overtuigend bewijs. Bij dit incident is geen sporenmateriaal aangetroffen dat duidt op betrokkenheid van verdachte bij dit feit. De verklaring van [getuige] biedt onvoldoende overtuiging om tot een bewezenverklaring te komen; de verklaring van [getuige] komt de verdediging ongeloofwaardig voor. Tevens blijkt uit de aangifte dat [getuige] lijdt aan schizofrenie en dat hij drugs gebruikt, wat invloed kan hebben op gedane waarnemingen en herinneringen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat het bedrag van € 503,73 niet bewezen kan worden, nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat dit specifieke bedrag is weggenomen. In de aangifte beschrijft aangever (immers) dat diverse geldbedragen zijn weggenomen, te weten een bedrag van € 253,75 minus kleingeld uit de kassalade, € 260,- aan muntgeld en een bedrag van € 150,- tot € 250,- aan muntgeld.

Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ook ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Het enige dat verdachte met dit feit in verband brengt, is een verklaring van zijn toenmalige huisgenoot [getuige]. Die [getuige] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard2 dat verdachte aan hem begin 2009 heeft verteld, dat verdachte bij [kliniek] naast de woningbouwvereniging [naam te plaats] heeft ingebroken. Verdachte had op dat moment veel geld bij zich. Het was allemaal kleingeld, aldus [getuige]. Hoeveel kleingeld het was, weet [getuige] niet, maar hij dacht ongeveer zo'n

€ 150,-. Dit bedrag komt overeen met het volgens de aangever weggenomen bedrag.

De rechtbank acht de verklaring van [getuige] onvoldoende om betrokkenheid van verdachte bij dit feit onomstotelijk te kunnen aannemen. [getuige] heeft weliswaar verklaard te hebben gezien dat verdachte veel kleingeld bij zich had, maar hoe hij heeft kunnen vaststellen dat dat ongeveer € 150,- was, is de rechtbank onduidelijk. Tevens heeft [getuige] zelf verklaard dat hij leidt aan schizofrenie, wat , zoals de raadsman ook heeft betoogd, invloed kan hebben op zijn waarnemingen en herinneringen.

Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank het volgende.

Aangever [slachtoffer A] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard3 dat in de nacht van 7 op 8 december 2008 is ingebroken bij de moskee aan [adres 1 te plaats]. Er is een ruit vernield en met behulp van een aantal kratjes is de dader via het raam naar binnen gegaan. Hierbij heeft de dader zich aan het glas gesneden. Uit het geldopvangbakje van het opengebroken koffieapparaat is geld, waaronder papiergeld (dat in een enveloppe zat) ter waarde van ongeveer € 500,- weggenomen. In de goederenbijlage wordt gesproken over

€ 515,-.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat er onvoldoende duidelijk is wat de hoogte is van het weggenomen bedrag. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bedragen.

Door de politie werden4 onder meer DNA-sporen van twee glasscherven veiliggesteld (SIN-nr AAAH5198NL). Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.5 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is volgens het NFI één op één miljard. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op de plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.

Aangever [slachtoffer A] heeft voorts verklaard6 dat hij op 8 maart 2009 werd gebeld door de alarmcentrale dat het alarm in de moskee aan [adres 1 te plaats] af was gegaan. Hij heeft verklaard dat de giftenpot open stond en dat het slot er vanaf was gebroken. Hoeveel geld er in het potje zat, weet hij niet.

Verbalisant heeft gerelateerd dat aangever hem erop attendeerde dat het zijraam van de gebedsruimte was vernield.7 Op de radiator, direct onder het raampje, zat een bloedveeg. Ook op de deur tussen de gebedsruimte en de grote zaal werd er een bloedveeg aangetroffen. Deze beide bloedvegen werden bemonsterd in een bemonstering (AAAH2184NL). Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.8 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank ook bij dit incident niet aannemelijk.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat mogelijk eerder uit de giftenpot enig geldbedrag is weggenomen. Het slot van de giftenpot was immers bij deze inbraak verbroken. De giftenpot wordt blijkens de verklaring van aangever weliswaar niet vaak geopend, maar uit de de verklaring van de aangever dat hij niet weet 'hoeveel' geld er is weggenomen, leidt de rechtbank af dat er in ieder geval enig geldbedrag in het potje zat, dat vervolgens is weggenomen. De rechtbank acht het evenmin waarschijnlijk dat het potje al eerder was geledigd om de giften te kunnen gebruiken; het verbroken slot van het potje verzet zich tegen deze door de raadsman opgeworpen veronderstelling.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever [slachtoffer B] heeft verklaard9 dat er in de periode tussen 8 april 2009 en 9 april 2009 is ingebroken in zijn [pizza-shoarma-cafetaria] op [adres 3] in [plaats]. Het glas was uit het klapraam geslagen en de kassalade was uit de kassa gehaald. Er is een bedrag van € 253,75 weggenomen. Ook een patatzak, die onder de kassa op een kluis lag, met daarin voor € 260,- aan rollen muntgeld is weggenomen. Tevens is er een bedrag van tussen de

€ 150,- en € 250,- aan muntgeld uit de kluis genomen, aldus aangever.

In de tenlastelegging is uitgegaan van het wegnemen van € 260,- aan muntgeld (uit de patatzak) en van het wegnemen van een bedrag van € 503,73 (zijnde het totaal van € 253,75 (uit de kassa) en € 250,- (uit de kluis); de steller van de tenlastelegging heeft er daarbij in het laatste geval voor gekozen van het hoogste bedrag uit te gaan).

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de aangever opgegeven bedragen en verwerpt het verweer van de raadsman dat niet bewezen kan worden dat het specifieke bedrag van € 503,73 is weggenomen. De rechtbank overweegt verder dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 503,73 moet worden gezien als een kennelijke verschrijving, hier had gelet op de aangifte € 503,75 moeten staan. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

Ten aanzien van de inbraak heeft verbalisant gerelateerd10 dat hij op de vensterbank onder het kapotte raam op bloed gelijkende vegen zag. Hij heeft deze bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek (SIN-nr AABF084NL). Het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel kan volgens het NFI afkomstig zijn van verdachte.11 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.

Aangever [slachtoffer B] heeft voorts verklaard12 dat er in de periode tussen 29 mei 2009 en 30 mei 2009 is ingebroken in zijn [pizza-shoarma-cafetaria] op [adres 3] in [plaats]. Aan de achterzijde van het pand is met een baksteen een raam ingeslagen. In totaal is er € 442,25 weggenomen, te weten € 150,-- aan briefgeld en € 292,25 aan muntgeld.

Ten aanzien van de inbraak heeft verbalisant gerelateerd13 dat hij tussen de kapotte dubbele ruit een op bloed gelijkende druppel heeft gezien. Hij heeft deze bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek (AAAY7696NL). Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.14 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Aangever [slachtoffer C] heeft verklaard15 dat er op 26 mei 2009 is ingebroken in zijn [adres 4 te plaats]. Er is aan de linkerzijde van het pand een raam ingeslagen. Buiten op de stoep lag bloed, evenals op het raam en de toonbank. Bij een sporenonderzoek in deze [cafetaria/pizzeria] is dit bloed bemonsterd16 (onder andere AABF3183NL). Het kluisje is weggenomen en de kassa is opengetrokken. Er mist een bedrag van € 3.000,--, aldus aangever. Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.17 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster [slachtoffer E] heeft verklaard18 dat op 2 juni 2009 is ingebroken bij [naam stichting] aan [adres 5 in plaats]. Er is een ruit met een breekijzer ingeslagen aan de voorzijde in de linker onderhoek. Er zijn in totaal vijf geldkistjes weggenomen met ongeveer € 65,--. Dit wordt ondersteund door de buitengewoon opsporingsambtenaar19. Achter de vernielde ruit hangen verticale lamellen waarop een bloedveeg zat. Deze is bemonsterd en veiliggesteld. Ook op de kast in het kantoor, waar braaksporen op de deuren zaten, zaten bloedsporen welke zijn veiliggesteld (onder andere AABC7595NL). Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.20 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Aangever [slachtoffer D] heeft namens [cultureel centrum] - zakelijk weergegeven -

verklaard21 dat op 23 mei 2009 is ingebroken op [adres 6 te plaats]. Aangever zag dat het dakraam was ingetrapt. Via het dakraam is de dader kennelijk de kantine ingeklommen en heeft hij vervolgens het slot van de kantinedeur geforceerd, aldus de aangever. Er zijn simkaart-communicatieapparatuur, € 300,-- aan contant geld en 20 Nutsen weggenomen. Door een buitengewoon opsporingsambtenaar van de politie is22 aan de buitenzijde van de linkerdeur van de winkel bloed heeft aangetroffen, welke is bemonsterd. Uit het spoor is een DNA-profiel verkregen (AABN4930NL)23. Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met dit identiteitszegel afkomstig zijn van verdachte.24 De kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is, is één op één miljard, aldus het NFI. De verklaring van verdachte dat mogelijk iemand anders zijn DNA heeft achtergelaten op het plaats delict acht de rechtbank niet aannemelijk.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 7 december 2008 tot en met 8 maart 2009 te Zutphen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, te weten een moskee gelegen aan [adres 1], heeft weggenomen,

- in de periode van 7 december 2008 tot en met 8 december 2008 een geldbedrag van 515 euro en

- op 8 maart 2009 een geldbedrag,

telkens toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [naam Stichting], waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 08 april 2009 tot en met 30 mei 2009 te Warnsveld, gemeente Zutphen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (bedrijfs)pand/cafetaria, gelegen aan [adres 3], heeft weggenomen

- in de periode van 08 april 2009 tot en met 09 april 2009 een geldbedrag van 503,75 euro en 260 euro aan muntgeld en

- in de periode van 29 mei 2009 tot en met 30 mei 2009, een geldbedrag van 442,25 euro,

telkens toebehorende aan [slachtoffer B] en/of [naam pizza-shoarma-cafetaria], waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

4.

hij op 26 mei 2009 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (bedrijfs)pand, geleg[adres 4], heeft weggenomen een kluisje met daarin een geldbedrag van ongeveer 3000 euro toebehorende aan [slachtoffer C] en/of cafetaria Shalom, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

5.

hij op 02 juni 2009 te Zutphen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen nabij [adres 5] heeft weggenomen vijf geldkistjes met daarin een geldbedrag van ongeveer 65 euro toebehorende aan [naam stichting], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

6.

hij op 23 mei 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een cultureel centrum gelegen aan de Insulindestraat 236 heeft weggenomen meerdere simkaarten en een geldbedrag van ongeveer 300 euro en etenswaren toebehorende aan [slachtoffer D] en/of [naam cultureel centrum] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Feiten 1 en 3:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Feiten 4, 5 en 6:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, rekening houdende met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft in dit verband betoogd dat uit het adviesrapport van de reclassering d.d. 10 november 2009 blijkt dat verdachte een kwetsbare en zorgbehoevende man is, wiens leven al vele jaren verloopt zonder veel structuur. Verdachte wil graag stoppen met middelengebruik, maar geeft aan daarbij hulp nodig te hebben. Verdachte heeft een ISD-maatregel doorlopen en is behandeld bij de Piet Roordakliniek. Hij is geplaatst bij Tactus, maar is op 27 maart 2009 uit de behandeling ontslagen wegens het niet nakomen van afspraken en herhaald middelengebruik. De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat bij de veroordeling door de politierechter te Rotterdam op 28 september 2009 aan verdachte bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. Opname en begeleiding hebben nog niet plaatsgevonden, omdat verdachte op de laatste dag van zijn detentie voor onderhavige ten laste gelegde feiten is aangehouden. Omdat het van belang is dat dit traject snel wordt opgestart, heeft de raadsman verzocht de duur van het onvoorwaardelijke deel van een op te leggen straf te beperken, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zevental zogenaamde bedrijfsinbraken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij vele malen eerder tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld voor onder meer vermogensdelicten. Deze straffen en de daarin begrepen waarschuwingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu verdachte reeds door de politierechter in Rotterdam een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opgelegd heeft gekregen, ziet de rechtbank geen reden om thans een voorwaardelijke straf op te leggen. De aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank onder meer de oriëntatiepunten straftoemeting van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken in aanmerking genomen. De door verdachte gepleegde strafbare gedragingen kunnen worden vergeleken met diefstal uit scholen, kantines etc. Dit zijn eenvoudige inbraken met beperkte braakschade in objecten, niet zijnde woningen. De waarde van de ontvreemde voorwerpen beperkt zich tot ten hoogste enkele duizenden euro's en bestaat uit bijvoorbeeld de personeelspot, snoep etc. Als uitgangspunt wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken genomen per inbraak.

Anderzijds houdt de rechtbank ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn uitgebreide justitiële documentatie. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dat naar boven toe wordt afgeweken van voormeld uitgangspunt.

De rechtbank heeft bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de veroordelingen van de politierechter te Zutphen d.d. 2 september 2009 en van de politierechter te Rotterdam d.d. 28 september 2009, zoals deze blijken uit het algemeen documentatieregister ten name van verdachte.

Al het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [naam stichting] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.004,61 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met betrekking tot het feit gepleegd in de periode van 7 december 2008 tot en met 8 december 2008.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor een bedrag van € 515,--, zijnde het bedrag dat volgens de goederenbijlage bij de aangifte is weggenomen, voor toewijzing vatbaar. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij [naam stichting] heeft zich ook met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 620,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met betrekking tot het feit gepleegd op 8 maart 2009.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor een bedrag van € 20,--, zijnde de glasschade, voor toewijzing vatbaar. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Met betrekking tot de vordering d.d. 25 november 2009 van benadeelde partij [naam stichting] ten bedrage van € 500,-- zal de rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een feit dat aan verdachte is te laste gelegd en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een ten laste gelegd feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.784,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor een bedrag van € 2.169,30,-- voor toewijzing vatbaar. De rechtbank is als volgt tot dit bedrag gekomen. Zij heeft bewezen geacht dat verdachte een bedrag van € 3.000,- heeft weggenomen. Hierop dient in mindering te worden gebracht een bedrag van € 830,70 dat de benadeelde partij reeds van de verzekering heeft ontvangen. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij [slachtoffer D] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 415,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

In beslag genomen voorwerpen

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het na te melden voorwerp aan de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feiten 1 en 3:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Feiten 4, 5 en 6:

Telkens:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak en inklimming;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam stichting], [adres 1 te plaats], rek.nr. [nummer] van een bedrag van € 515,00 en van een bedrag van € 20,--, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

* verklaart de benadeelde partij [naam stichting] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vorderingen en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* verklaart de benadeelde partij [naam stichting] in haar vordering d.d. 25 november 2009 niet-ontvankelijk en verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer C], [adres te plaats], rek.nr. [nummer], van een bedrag van € 2.169,30, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer C] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer D], [adres, plaats], rek.nr. [nummer], van een bedrag van € 415,00, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Benadeelde partij Bedrag Vervangende hechtenis

1. [naam stichting] € 515,00 10 dgn

2. [naam stichting] € 20,00 1 dg

3. [slachtoffer C] € 2.169,30 31 dgn

4. [slachtoffer D] € 415,00 8 dgn

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

* gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: een mobiel telefoontoestel (GSM) van het merk/type Alkatel.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, De Bie en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2010.

Mr. Feraaune is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0630/09-205200, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 26 oktober 2009.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 304, 305

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A], p. 137/138

4 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 142

5 Deskundigenrapport NFI d.d. 27 augustus 2009, p. 47

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A], p. 148

7 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 152

8 Deskundigenrapport NFI d.d. 27 augustus 2009, p. 47

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 179/180

10 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 188/189/190

11 Deskundigenrapport NFI d.d.27 augustus 2009, p. 47

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 254/255

13 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 258

14 Deskundigenrapport NFI d.d.27 augustus 2009, p. 47

15 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C], p. 211

16 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 237

17 Deskundigenrapport NFI d.d.27 augustus 2009, p. 47

18 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer E], p. 265

19 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 268

20 Deskundigenrapport NFI d.d.27 augustus 2009, p. 47

21 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer D], p. 195-197

22 Proces-verbaal van bevindingen, 201/202

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 204

24 Deskundigenrapport NFI d.d.27 augustus 2009, p. 47