Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BK9742

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
06/580143-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte werd ervan verdacht ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met twee minderjarige meisjes in het zwembad. De rechtbank spreekt de verdachte vrij, omdat er onvoldoende overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde handelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580143-09

Uitspraak d.d.: 19 januari 2010

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Zwolle op [1960],

wonende te [adres],

Raadsvrouw: mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 januari 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 februari 2009 te Wezep, gemeente Oldebroek, (telkens) met [slachtoffer1] [1995] en/of [slachtoffer2] [1995], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had/hadden bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten/strelen van de vagina en/of billen van die [slachtoffer1] en/of

- het betasten/strelen van de billen en/of de benen van die [slachtoffer2].

art 247 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsvrouw is namens de verdachte aangevoerd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte, nu de dwingende regels zoals deze zijn neergelegd in de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: de Aanwijzing) niet zijn nageleefd. Zo is er geen moment van bezinning ingelast tussen het informatieve gesprek met de aangeefsters en het opnemen van de aangiftes, is er geen geluidsopname gemaakt van het informatieve gesprek met aangeefsters en zijn ook de aangiftes niet door een verhoorkoppel opgenomen, maar telkens slechts door één verbalisant. Tevens is de aangifte van [slachtoffer1], alsmede het verhoor van verdachte niet op een juiste wijze in het proces-verbaal van politie weergegeven. De opnamebanden geven immers een andere gang van zaken weer dan wat er in het proces-verbaal van politie staat. De rechtbank is daardoor niet goed voorgelicht.

Bij het verhoor van verdachte is er ten slotte sprake van tunnelvisie bij de verbalisanten en is er ongeoorloofde pressie uitgeoefend op verdachte, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft erkend dat de Aanwijzing niet geheel juist is nageleefd, maar dit verzuim dient niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden. Uit de geluidsopnames blijkt dat de verhoren weliswaar telkens niet letterlijk zijn opgenomen in het proces-verbaal, maar de verklaringen in het proces-verbaal komen inhoudelijk wel overeen met de verklaringen die te horen zijn op de geluidsopnames.

Er is voorts niet gebleken van het uitoefenen van ongeoorloofde pressie op de verdachte. Niet is gebleken dat verdachte tijdens de verhoren verklaringen heeft afgelegd, die hij niet heeft willen afleggen.

Beoordeling ontvankelijkheid

Uit de stukken komt naar voren dat door de opsporingsambtenaren op een aantal punten niet is gehandeld overeenkomstig de aanbevelingen uit de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. Hetgeen door de raadsvrouw daaromtrent in feitelijke zin naar voren is gebracht, wordt door de rechtbank onderschreven. Hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht ten aanzien van schending van het zogenaamde pressieverbod, wordt door de rechtbank niet gedeeld. Uit de opnamen van de verhoren van verdachte blijkt, dat hij weliswaar op een indringende wijze is verhoord, maar van het uitoefenen van ongeoorloofde druk op verdachte, is de rechtbank niet gebleken.

Niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Er moet derhalve sprake zijn van een flagrante strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het valt vanuit een oogpunt van zorgvuldige opsporing en waarheidsvinding weliswaar te betreuren dat de betrokken opsporingsambtenaren bij het vooronderzoek niet (geheel) te werk zijn gegaan overeenkomstig de voormelde Aanwijzing, maar uit niets is het de rechtbank echter gebleken, dat de betrokken opsporingsambtenaren de bedoeling hebben gehad om doelbewust aan de rechten van verdachte tekort te doen. Evenmin is er sprake van een grove veronachtzaming van die rechten.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Gevolg van het niet naleven van de aanwijzing op bovengenoemde punten is evenwel, dat de rechtbank bij de beoordeling van het aldus verkregen bewijsmateriaal extra zorgvuldig en behoedzaam te werk zal moeten gaan.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van de meisjes betrouwbaar zijn. Ook heeft de verdachte tijdens de verhoren twee keer verklaard dat hij die dag te ver is gegaan en dat hij weg had moeten gaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, indien en voor zover het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen, het niet naleven van de Aanwijzing moet leiden tot uitsluiting van het bewijs voor wat betreft de aangifte van [slachtoffer1] en de verklaringen van verdachte, zoals die door hem zijn afgelegd bij de politie.

Vervolgens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat de verklaring van [slachtoffer2] en [zwembaddirecteur] niet betrouwbaar zijn.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd, dat zo al zou moeten worden aangenomen dat verdachte de aangevers heeft geraakt, daaruit niet het opzet kan worden afgeleid dat hij hen op een ontuchtige wijze heeft aangeraakt.

Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsvrouw de zaak aan te houden voor onbepaalde tijd om te komen tot een woordelijke uitwerking van de verklaringen van verdachte bij de politie, nu de weergave van het opgemaakte proces-verbaal niet overeenkomt met hetgeen op de geluidsband is te horen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank bij de beoordeling van het verkregen bewijsmateriaal extra zorgvuldigheid en behoedzaamheid moeten betrachten. Niet valt immers uit te sluiten dat het niet in acht nemen van de werkwijze, zoals die is beschreven in de voormelde richtlijn, gevolgen heeft gehad voor de betrouwbaarheid en authenticiteit van het verkregen bewijsmateriaal. De rechtbank heeft daarom de diverse verklaringen, in het bijzonder de voor verdachte belastende, extra zorgvuldig bekeken. De rechtbank zal de raadsvrouw evenwel niet volgen in haar verweer dat moet worden gekomen tot bewijsuitsluiting van een groot deel van de verklaringen.

Volgens aangeefsters heeft verdachte hen in een bubbelbad betast aan de vagina en de billen respectievelijk de billen en de bovenbenen. Verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk ontkend de beide aangeefsters te hebben betast. Mogelijk heeft hij hen per ongeluk aangeraakt, het was nu eenmaal druk en krap in het bubbelbad. De lezingen staan daarmee tegenover elkaar.

Direct steunbewijs die de lezing van of aangeefsters of verdachte ondersteunen, is niet voorhanden. De verklaringen van de aangeefsters zouden elkaar in bewijsrechtelijke zin kunnen ondersteunen, maar de aangeefsters hebben over een aantal zaken heel wisselend verklaard. Zo hebben de aangeefsters – onder meer – verschillend verklaard over de plaats waar alle betrokkenen in het bubbelbad hebben gezeten en de gang van zaken direct ná de beide incidenten.

Aan de verklaring van zwembaddirecteur [zwembaddirecteur], dat hij verdachte al langer onder de aandacht hield in verband met in zijn ogen verdacht gedrag richting jonge meisjes, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit verband geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, daargelaten of hij een ‘motief’ zou hebben om negatief over verdachte te verklaren, zoals door de raadsvrouw en verdachte betoogd.

Bij deze stand van zaken moet vrijspraak volgen.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, De Bie en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2009.