Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BK9080

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
07/1066 WOW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter van de rechtbank Zutphen heeft het beroep tegen een door de gemeente Lochem verleende bouwvergunning voor het plaatsen van twee toegangshekken aan de Dwarsweg in Lochem ongegrond verklaard.

De rechter is van oordeel dat het plaatsen van toegangshekken niet in strijd is met het bestemmingsplan. De hekken zijn wel hoger dan op grond van de bouwverordening is toegestaan. De rechter is echter van oordeel dat de gemeente daarvoor ontheffing heeft kunnen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 07/1066 WOW44

Uitspraak in het geding tussen:

Buitencentrum Ruighenrode b.v.

te Lochem,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem

verweerder.

Vereniging Van Eigenaars Bospark Ruighenrode

te Lochem

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2006 heeft verweerder aan de derde-partij een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee toegangshekken op het perceel, plaatselijk bekend als Vordenseweg/ Dwarsweg 6, 7241 SB te Lochem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar – overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften – gegrond verklaard, alsnog een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 2.5.18 van de Bouwverordening voor de gemeente Lochem (hierna: de bouwverordening) en de verleende bouwvergunning in stand gelaten.

Namens eiseres is beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 november 2009, waar voor eiseres is verschenen [naam A], bijgestaan door mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. M.H.J. Sportel en T.A.J. Wallaard MSc. Namens de derde-partij zijn verschenen [naam B], [naam C] en [naam D].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van belang en voor zover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

(…)

Ingevolge artikel 44, derde lid, aanhef en onder b, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 9, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven.

In het tweede lid is bepaald dat de voorschriften van de bouwverordening van toepassing blijven indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.2. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van twee toegangshekken met een hoogte van 2,105 meter aan de Dwarsweg in Lochem. De hekken dienen ter (mogelijke) afsluiting van twee in/uitritten die toegang geven tot het terrein van Buitencentrum Ruighenrode. Ten behoeve van het aanleggen van (onder meer) die twee (al aanwezige) inritten heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend op 24 januari 2007.

2.3. Ter plaatse zijn de planvoorschriften van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’ van toepassing. Uit de plankaart volgt dat op het perceel de bestemming ‘recreatiewoningenpark’ rust.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een complex van terreinen en gebouwen ingericht voor het gelegenheid geven tot het houden van recreatief (nacht)verblijf in recreatiewoningen, waarbij gebruik kan worden gemaakt van centrale recreatieve voorzieningen, en voor welk complex het beheer/de exploitatie plaatsvindt op de wijze, zoals nader in deze bepaling omschreven.

Artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften bevat bebouwingsbepalingen. De bepaling luidt, voor zover hier van belang: “Op de voor recreatiewoningenpark aangewezen gronden, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de aanduidingen op de plankaart en de volgende bepalingen:

5. Bouwwerken geen gebouwen zijnde:”.

2.4. Niet (langer) in geschil is dat voor het bouwplan een lichte bouwvergunning is vereist.

2.5.1. Eiseres heeft aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De enige toegevoegde waarde van de in- en uitwegen, en daarmee de toegangshekken, is volgens eiseres dat een privé in- en uitweg ontstaat tot – kort gezegd – het terrein van de derde partij, waarop eiseres geen controle kan uitoefenen omdat de hekken buiten het zicht van de receptie zijn gelegen en door de eigenaren van de recreatiewoningen zelf worden bediend. Eiseres heeft gesteld dat de toegangshekken geen ander doel dienen dan het makkelijker en meer mogelijk maken van permanente bewoning van de recreatiewoningen. Het terrein van de derde-partij zal daarmee verworden tot een woonwijk. Het gebruik ten behoeve waarvan de toegangshekken worden opgericht is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Dat plan verbiedt immers permanente bewoning, aldus eiseres.

2.5.2. De rechtbank kan eiseres in dit betoog niet volgen. Uit de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiseres bezwaren heeft tegen het ontstaan van andere in- en uitgangen op Buitencentrum Ruighenrode dan de centrale in- uitrit aan de Vordenseweg. Aan die bezwaren liggen bedrijfsmatige motieven ten grondslag. Eiseres vreest in feite een toenemende verzelfstandiging van het terrein van de derde partij en een (verder) verlies aan exploitatieopbrengsten gekoppeld aan dat terrein. Dit betreft echter een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen eiseres en de derde-partij. Het feit dat de derde-partij een (ten opzichte van eiseres) zo zelfstandig mogelijke positie nastreeft, maakt nog niet dat het bouwplan waar het hier om gaat strijdig is met het bestemmingsplan. Niet aannemelijk is dat het bouwplan (slechts) ten doel zou hebben permanente bewoning van de recreatiewoningen te vergemakkelijken. Het streven van de derde-partij naar een zo zelfstandig mogelijke positie impliceert niet ook een streven naar permanente bewoning van de recreatiewoningen.

2.6. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar belangen niet heeft meegewogen bij de op grond van artikel 2.5.18 van de bouwverordening verleende ontheffing.

2.6.1. In artikel 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening is bepaald dat erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken, niet zijn toegelaten. In het tweede lid is bepaald dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

2.6.2. Vaststaat en niet in geschil is dat in verband met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Woningwet toetsing aan artikel 2.5.18 van de bouwverordening aan de orde is.

Niet in geschil is voorts dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) omdat de maximaal toegestane hoogte van 2 meter wordt overschreden. De hoogte bedraagt als gezegd 2,105 meter. Verweerder heeft in verband hiermee bij het bestreden besluit (alsnog) ontheffing verleend op grond van 2.5.18, tweede lid.

2.6.3. Anders dan eiseres lijkt te stellen heeft verweerder bij die ontheffing wel oog gehad voor de door haar gestelde belangen. Verweerder heeft echter aan die belangen geen gewicht toegekend, omdat de in geding zijnde ontheffing aan die belangen geen afbreuk doet. Daarbij heeft verweerder overwogen dat lagere hekken, waarvoor geen bouwvergunning is vereist, tot eenzelfde (mogelijke) aantasting van de belangen van eiseres kunnen leiden en dat dit zelfs ook het geval is bij volledige afwezigheid van hekken. De rechtbank kan verweerder in deze overwegingen volgen. Er is slechts sprake van een geringe overschrijding van de hoogte die bouwvergunningvrij op deze plaats mag worden gerealiseerd en die overschrijding als zodanig leidt niet tot een (mogelijke) aantasting van de belangen van eiseres. Het belang van eiseres ligt hier, zoals ook verweerder heeft aangegeven, niet zozeer in de vergunde hekwerken, als wel in de aanwezigheid van de in/uitritten waarbij de hekwerken worden geplaatst. Verweerder heeft daarom in de gestelde belangen van eiseres geen aanleiding hoeven zien de noodzakelijke ontheffing niet te verlenen. Dat ruimtelijke bezwaren aan het verlenen van die ontheffing in de weg zouden staan is gesteld noch gebleken.

2.7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2010.