Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BK8791

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
06/460287-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzetheling van een aanzienlijke hoeveelheid gestolen sieraden en horloges. De rechtbank legt op een gevangenisstraf en een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelsematige daders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460287-09

Uitspraak: 12 januari 2009

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987 te plaats],

wonende aan [adres, plaats].

Raadsvrouw: mr. N.C. Milani, advocaat te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 november 2009 en 29 december 2009.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2009 tot en met 18 juli 2009, althans in of omstreeks de maand juli 2009, te [plaats], gemeente Harderwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden (diverse kettingen (11) en/of diverse ringen (23) en/of diverse (paar) oorbellen (6) en/of diverse hangers (15) en/of diverse armbanden (3) en/of een tongpiercing en/of een navelpiercing) en/of een (aantal) horloge(s) en/of enig geldbedrag (800 Euro) en/of een (draagbare) dvd-speler en/of een (aantal) kentekenbewij(s)(zen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310/311 Wetboek van Strafrecht;

ALTHANS, dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2009 tot en met 18 juli 2009, althans in of omstreeks de maand juli 2009, te [plaats], gemeente Harderwijk en/of [plaats], gemeente Barneveld, in elk geval in Nederland, een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden (een of meerdere armbanden en/of kettingen en/of ringen en/of oorbellen en/of hangers) en/of een (aantal) horloge(s) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van genoemde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht.

Ter kennisgeving gevoegde feiten

Op 3 november 2009 heeft de officier van justitie door middel van een brief twee ad informandum feiten bij de zaak gevoegd. Het betreft hier de vermeende betrokkenheid van verdachte bij een hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit, bekend onder parketnummer 06/850285-09.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten

Tussen 15 en 18 juli 2009 vond er een diefstal plaats uit een woning te [plaats]. Hierbij werd onder meer een kluis met een grote hoeveelheid sieraden en horloges weggenomen. Nadat aangever [slachtoffer] thuiskwam van vakantie ontdekte hij deze diefstal. Vervolgens belde hij naar diverse goudhandelaren, waaronder [naam A] te [plaats]. Tijdens dit telefoongesprek ontstond het vermoeden dat [naam A] een deel van de gestolen sieraden en horloges had ingekocht. [slachtoffer] en zijn vrouw zijn hierna naar [naam A] gegaan en herkenden daar een groot deel van de bij hen weggenomen sieraden en horloges. [naam A] had deze sieraden en horloges van verdachte gekocht. Deze voorwerpen maakten deel uit van een partij die verdachte te koop aanbood. [naam A] heeft de gouden voorwerpen tegen sloopprijs gekocht, de doublé-sieraden heeft [naam A] niet gekocht. De doublé-sieraden heeft verdachte in zijn keukenkastje gelegd. Deze sieraden zijn later door de vader van verdachte bij de politie ingeleverd. De vrouw van [slachtoffer] herkende deze doublé-sieraden als haar eigendom

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de primair tenlastegelegde inbraak. Volgens de officier van justitie kan de subsidiair tenlastegelegde schuldheling wel bewezen worden verklaard. De officier van justitie baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer], de verklaringen van getuige [naam A] en de ongeloofwaardige verklaringen van verdachte.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zowel de inbraak als de heling ontkend. Hij heeft verklaard dat hij de sieraden te goeder trouw van iemand anders heeft gekocht en vervolgens gedeeltelijk heeft doorverkocht aan [naam A]. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de hele tenlastelegging. Volgens de raadsvrouw kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat de sieraden van misdrijf afkomstig waren.

Oordeel van de rechtbank t.a.v. het primair tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank t.a.v. het subsidiair tenlastegelegde

Verdachte heeft van diefstal afkomstige sieraden en horloges voorhanden gehad en een deel daarvan overgedragen. Verdachte ontkent dat hij wist of had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Bij de beoordeling van het feit acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat verdachte de sieraden en horloges tegen sloopprijs heeft verkocht aan [naam A]. De sloopprijs lag veel lager dan de reële waarde van de sieraden en horloges. Deze handelwijze duidt erop dat verdachte de goederen snel te gelde wilde maken. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte al kort na de diefstal, die niet eerder dan op 15 juli 2009 plaatsvond, de sieraden en horloges te koop heeft aangeboden. Goudhandelaar [naam A] heeft immers verklaard dat verdachte op 18 juli 2009 rond het middaguur zijn zaak binnenkwam en sieraden te koop aanbood. Verdachte heeft dus hooguit enkele dagen na de diefstal de sieraden en horloges voorhanden gekregen en vervolgens verkocht. Door dit geringe tijdsverloop wordt de schijn gewekt dat verdachte de goederen heeft verkregen van iemand die direct bij de diefstal betrokken was. Tot slot acht de rechtbank de aard van de onderhavige goederen van belang. Het is een feit van algemene bekendheid dat sieraden en horloges voorwerpen zijn die vaak buit worden gemaakt bij vermogensdelicten. Bijzondere oplettendheid is bij zulke voorwerpen dan ook geboden. Dit geldt helemaal voor verdachte die, gelet op zijn uitgebreide documentatie op het gebied van vermogensdelicten, een gewaarschuwd mens was.

In onderlinge samenhang beschouwd zijn bovenstaande feiten en omstandigheden belastend. Verdachte heeft geprobeerd om dit te weerleggen. Volgens hem heeft hij de sieraden te goeder trouw van een derde gekocht, [naam B]. [Naam B] zou hebben verklaard dat hij de relatie met zijn vriendin had verbroken en daarom sieraden wilde verkopen tegen sloopprijs. Verdachte zou vervolgens de sieraden hebben gekocht van [Naam B] en daarna hebben doorverkocht aan [naam A]. Deze verklaring wordt echter weersproken door getuige [naam A]. Hij heeft verklaard dat verdachte zijn zaak binnenkwam en vertelde dat het uit was met zijn vrouw of vriendin. Volgens de getuige had verdachte het dus niet over de verbroken relatie van iemand anders maar over zijn eigen beëindigde verhouding. Ook [naam B] ontkent dat hij sieraden heeft verkocht aan verdachte. Op andere punten stroken de verklaringen van verdachte evenmin met andere bewijsmiddelen. Zo heeft verdachte verklaard dat hij veel vaker bij [naam A] is geweest, waaronder een paar keer medio juli 2009. [naam A] heeft echter ter terechtzitting onder ede verklaard dat hij niet vaker goud of sieraden heeft gekocht van verdachte en zeker niet in juli 2009.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte daarom ongeloofwaardig en niet overeenkomstig de waarheid. De rechtbank hecht dan ook geen waarde aan deze verklaringen. In samenhang met de hierboven geschetste belastende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de sieraden en horloges heeft moeten begrijpen dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht opzetheling daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 15 juli 2009 tot en met 18 juli 2009 te [plaats] en/of [plaats], een grote hoeveelheid sieraden en horloges voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van genoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het misdrijf opzetheling op.

Strafbaarheid van de verdachte

Door H. Scharft, psycholoog, is een rapport over verdachte opgesteld. Hij concludeert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, emotionele onvolwassenheid en neiging tot somatisatie. Volgens de psycholoog zijn er echter geen aanwijzingen dat deze stoornis van invloed was ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte handelde veeleer doelbewust met een duidelijk materieel motief. Scharft concludeert dan ook dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was. De rechtbank neemt deze conclusie over; deze strookt met de indruk die de rechtbank ter terechtzitting heeft verkregen.

Verdachte is strafbaar, omdat er ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 175 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts eist de officier van justitie dat verdachte voorwaardelijk wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD). Bij deze strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw voldoet verdachte niet aan de criteria voor de ISD-maatregel, omdat verdachte niet verslaafd is. De raadsvrouw verzoekt subsidiair om de duur van de voorwaardelijke ISD-maatregel te beperken tot één jaar. Volgens de verdediging kunnen de ad informandum feiten meegenomen worden. Verdachte heeft deze feiten ter terechtzitting bekend.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft bij de strafoplegging tevens de twee ter kennisneming gevoegde zaken in aanmerking genomen. Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat verdachte deze feiten heeft gepleegd en verdachte heeft deze feiten ook bekend.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een grote hoeveelheid waardevolle sieraden en horloges heeft geheeld. Deze goederen waren afkomstig van een diefstal uit een woning. Het plegen van dit soort diefstallen loont voornamelijk doordat er personen zijn die de weggenomen goederen kopen of verhandelen. Door de bewezenverklaarde heling heeft verdachte dan ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf 2004 veel vaker met justitie in aanraking is gekomen vanwege vermogensdelicten. Verdachte is diverse malen veroordeeld tot (forse) gevangenisstraffen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een vermogensfeit te plegen. Vanwege het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend.

De op te leggen maatregel

Ten aanzien van de ISD-maatregel overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft een misdrijf gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Tevens is verdachte de afgelopen vijf jaar vaker dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een verslaving niet is vereist voor de oplegging van deze maatregel. Verdachte voldoet dan ook aan de wettelijke criteria voor ISD-plaatsing.

In het hiervoor al aangehaalde psychologisch rapport schrijft Scharft dat het recidivegevaar bij verdachte vooral is gelegen in het leefmilieu en de normen en waarden van verdachte. Een aantal persoonlijkheidskenmerken maakt hem daarnaast kwetsbaar voor negatieve invloeden vanuit zijn omgeving. De psycholoog adviseert om verdachte in een strak kader te helpen om zijn identiteit te versterken en te resocialiseren. Binnen een ambulant kader kan dit niet gerealiseerd worden. Een opname in een klinische instelling zoals Groot Batelaar biedt volgens de psycholoog meer tijd en structuur en heeft meer kans op een succesvol resocialisatietraject. De psycholoog adviseert om dit te laten plaatsvinden in het juridische kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel.

Vanwege de bevindingen van de psycholoog, de veelvuldige recidive van verdachte en de omstandigheid dat eerder opgelegde straffen verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen het opleggen van de voorwaardelijke ISD-maatregel eist. De voorwaardelijke maatregel vormt het juridische kader om de klinische behandeling in Groot Batelaar te laten plaatsvinden. In navolging van de psycholoog acht de rechtbank deze klinische opname nodig om ervoor te zorgen dat verdachte in de toekomst niet meer recidiveert. Deze opname kan plaatsvinden op 13 januari 2010, zoals blijkt uit een reclasseringsrapport van 28 december 2009. Verdachte heeft ter terechtzitting ook ingestemd met deze opname.

De vordering van de benadeelde partij

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in dit strafproces. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het beslag

Bij de stukken bevindt zich een beslaglijst van 8 december 2009, ten behoeve van de zitting van 29 december 2009. Op deze lijst staan 30 voorwerpen. De rechtbank zal alleen een beslissing nemen over deze voorwerpen.

De inbeslaggenomen sieraden en horloges zijn gestolen van [slachtoffer]. Vervolgens heeft verdachte deze sieraden en horloges geheeld, waarna deze voorwerpen onder [naam A] in beslag zijn genomen. Omdat er geen strafvorderlijk belang meer is bij de handhaving van het beslag, zal de rechtbank teruggave van de voorwerpen gelasten aan [naam A].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 38m, 38p, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

• verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als opzetheling;

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

• beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

• legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de tijd van twee jaren;

• bepaalt, dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

• stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden aangegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt dat verdachte na de onderstaande klinische behandeling deelneemt aan het traject Woon- en Werktraining van Groot Batelaar in Ede;

2. dat veroordeelde zich per 13 januari 2010 laat opnemen in de Forensische GGZ Groot Batelaar te Lunteren, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, echter voor een termijn niet langer dan tien maanden;

• geeft de reclassering opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

• verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

• gelast de teruggave van de 30 in beslag genomen voorwerpen van de beslaglijst van 8 december 2009 aan [naam A].

Aldus gewezen door mrs. Feraaune, voorzitter, Kleinrensink en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kooij, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreffen dit delen van het politiedossier met kenmerk 2009040851-36. Dit dossier bevat een aantal in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal.

2 Voornoemd dossier, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 39 e.v.

3 Verklaring van getuige [naam A] ter terechtzitting. Voorts proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 39 e.v.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en verklaring van getuige [naam A] ter terechtzitting.

5 Voornoemd dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 130.

6 Voornoemd dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 90.

7 Voornoemd dossier, proces-verbaal van verhoor getuige [naam C], p. 92.

8 Verklaring getuige [naam A] ter terechtzitting en verklaring verdachte ter terechtzitting.

9 Voornoemd dossier, proces-verbaal van aangifte, goederenlijst, p. 43 e.v.

10 Zie vaststaande feiten.

11 Voornoemd dossier, proces-verbaal van verhoor getuige [naam A], p, 63 e.v. Dit wordt bevestigd door de beelden van de beveiligingscamera van [naam A]: voornoemd dossier, ambtelijk verslag, p. 8. Politiefunctionarissen zien op de inbeslaggenomen videobeelden dat verdachte de zaak van [naam A] betreedt. De camerabeelden geven aan dat dit op 18 juli 2009 plaatsvond. Voorts stellen de verbalisanten vast dat de datumweergave van de camerabeelden klopt, op een kleine tijdsafwijking na.

12 Uittreksel Justitiële Documentatie omtrent verdachte, d.d. 23 juli 2009.

13 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

14 Verklaring getuige [naam A] ter terechtzitting.

15 Voornoemd dossier, proces-verbaal van verhoor getuige [naam B], p. 115 e.v.

16 Verklaringen verdachte ter terechtzitting.

17 Verklaring getuige [naam A] ter terechtzitting.