Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BL5711

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
105461 KG RK 09-608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toegewezen wrakingsverzoek. In de onderhavige zaken was door de rechter geen gehoor gegeven aan het uitdrukkelijke verzoek van de wrakers om de bij de procedure horende voorvragen te beantwoorden, op grond dat hij reeds tijdens zijn voorbereiding naar deze vragen had gekeken. Evenmin had de rechter laten blijken, deze voorvragen in een later stadium aan de orde te zullen stellen. De meervoudige wrakingskamer kwam op grond van deze gang van zaken tot de conclusie dat bij de wrakers de schijn van vooringenomenheid van de rechter kon zijn gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

rekestnummer: 105461 KG RK 09-608

Beschikking van 25 augustus 2009 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

1. [verzoeker A]

2. [verzoeker B]

beiden wonende te Heerde,

verzoekers,

strekkende tot wraking van:

[rechter]

vice-president in deze rechtbank,

verweerder.

Verzoekers zullen worden aangeduid met het [verzoekers]. Verweerder zal worden aangeduid met [rechter].

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

- de verzoeken van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming te Amersfoort, hierna de Stichting, ter griffie ontvangen op 2 juli 2009 en geadministreerd onder de nummers

104349 JERK 09-696 en 104350 JERK 09-697, strekkende tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en tot machtiging ter uithuisplaatsing van de minderjarige dochters van het [verzoekers], geheten [dochters];

- het proces-verbaal van de zitting van [rechter] van 11 augustus 2009, op welke zitting [verzoekers] [rechter] heeft gewraakt;

- het stuk van het [verzoekers], houdende de wrakinggronden, op 11 augustus 2009 na de zitting binnengekomen bij de centrale informatiebalie in deze rechtbank;

- het verweerschrift van [rechter];

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter openbare zitting van 20 augustus 2009;

- de pleitnota van het [verzoekers].

2. Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1 Het [verzoekers] wraakt [rechter] - samengevat - op de volgende gronden. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 augustus 2009 van de verzoeken van de Stichting, heeft het [verzoekers], [rechter] uitdrukkelijk verzocht om eerst de voorvragen te behandelen; het echtpaar wilde dat eerst de indicatiebesluiten en de plannen van aanpak die de Stichting met betrekking tot hun kinderen heeft uitgebracht, zouden worden getoetst. Mr [rechter] heeft hiertoe niet willen overgaan onder de mededeling dat hij deze stukken al vóór de zitting had getoetst, aldus het echtpaar. Mr [rechter] heeft door zo te handelen de indruk gewekt dat het zinloos was om deze voorvraag aan de orde te stellen, aangezien hij vóór de zitting al een positief oordeel had gevormd over de vraag of de Stichting ontvankelijk was in haar verzoeken. Voorts stelt het echtpaar zich op het standpunt dat [rechter] niet alle relevante stukken heeft kunnen inzien want het indicatiebesluit over Linda zat daar niet bij.

Ook heeft [rechter] de door het [verzoekers] overgelegde bezwaarschriften niet tijdens de zitting willen inzien. Hij heeft ze in het plastic mapje laten zitten en hij heeft niet de indruk gewekt dat hij van plan was ze te gaan lezen.

2.3 Op het verweer van [rechter] zal - zo nodig - onder 3. worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Op de voet van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3 In het licht van deze jurisprudentie moet worden onderzocht of de door het [verzoekers] aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

3.4 Uit het proces-verbaal van de zitting van 11 augustus 2009, zoals dat aan het [verzoekers] is verzonden, kan worden afgeleid dat [rechter] niet heeft willen ingaan op het verzoek van het [verzoekers] om, alvorens de verzoeken van de Stichting inhoudelijk te behandelen, de daaraan ten grondslag liggende indicatiebesluiten en plannen van aanpak eerst te toetsen op de ontvankelijkheid ervan. Hij heeft dit (op dat moment) kennelijk niet willen doen op grond dat hij die stukken reeds vóór de zitting had getoetst. Dit volgt uit het proces-verbaal zoals dat aan het [verzoekers] is verzonden, waar dat luidt:

"(…)

Ouders:

Indiening verweerschriften, wij willen graag dat u nu de verzoeken toetst, de indicatiebesluiten.

Rechter:

Ik heb de verzoeken al getoetst voor aanvang van de zitting en daarom ga ik deze nu niet toetsen.

Wij gaan nu praten over de verzoeken met elkaar en over twee weken krijgt u mijn beslissing.

Ouders:

Dan wordt u nu gewraakt.

(…)"

3.5 Gelet op deze passage in het proces-verbaal is de wrakingskamer met het [verzoekers] van oordeel dat het optreden van [rechter] de hiervoor onder 3.2 en 3.3 omschreven toets niet kan doorstaan en dat de schijn is gewekt van een gebrek aan onbevangenheid bij [rechter] ten aanzien van de door het [verzoekers] opgeworpen vraag over de ontvankelijkheid van de Stichting. Hij heeft te kennen gegeven dat hij vóór de zitting de stukken al had getoetst en heeft vervolgens - zonder het maken van enig voorbehoud voor het later tijdens die zitting behandelen van de voorvragen - de zitting voortgezet en het [verzoekers] niet in de gelegenheid gesteld om hun visie hierover te geven. Hij heeft evenmin uitgelegd dat en waarom deze zogenaamde voorvragen niet aan de orde waren dan wel eventueel nog in voor het [verzoekers] gunstige zin beantwoord zouden kunnen worden in de uiteindelijke beslissing. Door zó te handelen heeft hij onvoldoende voorkomen dat hij bij het [verzoekers] de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.

3.8 Reeds op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 3.2 bedoeld. Het verzoek zal dus worden toegewezen. De overige door het [verzoekers] aangevoerde gronden en door [rechter] gevoerde weren behoeven in dit licht geen bespreking meer.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek tot wraking van [rechter] toe;

4.2 bepaalt dat de behandeling van de verzoeken, bij de rechtbank bekend onder de nummers 104349 JERK 09-696 en 104350 JERK 09-697, van [rechter] worden overgenomen door een andere rechter.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Vrieze , president, mr. A.B.A.P.M. Varenhorst,

vice-president en mr. P.J. Hödl, rechter en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2009 in aanwezigheid van mr. H.C. Wichers Hoeth, griffier.