Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK8049

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
06/460255-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in de zaak Tano Jansen. Verdachte B (R. van P.).

Vier verdachten in de zaak Tano Jansen zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen met een voorwaardelijk deel, een langere proeftijd dan gebruikelijk, verplichte psychiatrische behandeling en het betalen van een schadevergoeding van ruim €10.000,- aan de moeder van Tano Jansen, onder meer wegens de kosten van de begrafenis. Zie ook uitspraken LJN BK8054, BK8061 en BK7950.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460255-09

Uitspraak d.d. 30 december 2009

Tegenspraak - dip / oip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats, 1990],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Achterhoek' te Zutphen.

Raadsman: mr. Verdoorn, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 november 2009 en 16 december 2009.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni

2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van

de vrijheid beroofd en/of beroofd heeft/hebben gehouden,

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij verdachte en/of een of meer van zijn

mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten en/of

- die [slachtoffer] (met een auto) opgehaald en/of

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en/of braakliggend

land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden/gegaan en/of

- die [slachtoffer] met een smoes de/een (zee)container ingelokt en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (binnen in die container) geduwd en/of geslagen

en/of ten val gebracht en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de deur(en) van die (zee)container

afgesloten/vergrendeld (eveneens toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of

open vuur/brand in die container bevond) en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] in die (zee)container achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 282 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21

juni 2009 tot en met 23 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of nalatig,

-die [slachtoffer] heeft/hebben opgesloten en/of opgesloten gehouden in

de/een (donkere) (zee)container, met daarin meerdere (brandbare) goederen

wetende dat deze [slachtoffer] doof was, claustrofobisch was, een aansteker bij

zich had en/of geen mobiele telefoon bij zich had en/of

-die [slachtoffer] in het ongewisse heeft/hebben gelaten over hoe lang deze

opsluiting zou duren en/of

-voor een langere periode, althans meerdere, dag(en)/u(u)r(en) de deur(en)

van die (zee)container meermalen, althans eenmaal, gesloten/vergrendeld

heeft/hebben gelaten, eveneens toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of

open vuur/brand in die container bevond en/of

- bij het aantreffen van die [slachtoffer] liggend op de vloer/grond van die

container geen (medische) hulp heeft/hebben verleend en/of geen (tijdige)

medische en/of andere hulp en/of (medische) verzorging heeft/hebben

ingeroepen,

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer]

zodanig letsel, te weten koolmonoxidevergiftiging, althans een hoog

koolmonoxidegehalte in het bloed, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen

daarvan is overleden;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2009 in de gemeente Apeldoorn en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een mobiele

telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele telefoon), in

elk geval enig goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009

tot en met 23 juni 2009, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een mobiele telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele

elefoon), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn

mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door het vrijwillig

afgeven/uitlenen van [slachtoffer] aan verdachte en/of één of meerdere van zijn

mededader(s), onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs (eindnoot1)

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek (eindnoot 2) was een melding bij de politie door de moeder van de zestienjarige [slachtoffer] op 21 juni 2009. [slachtoffer] was die middag niet meer thuis gekomen en hij had niet gereageerd op een aantal sms-berichten, die zij hem had gestuurd.

Op 22 juni 2009 werd [slachtoffer] landelijk als vermist gesignaleerd.

Op 23 juni 2009 werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in een container.

Hij lag (eindnoot 3) op zijn rug op de vloer van de container. In de container had een beperkt gebleven brand gewoed.

Sectie (eindnoot 4) op het lichaam van [slachtoffer] wees uit dat het overlijden van [slachtoffer] te wijten was aan koolmonoxidevergiftiging en inademing van hete lucht.

Op 24 juni 2009 meldde zich een drietal jongens bij de politie ([verdachte A], verdachte en [verdachte C]). Naar aanleiding van hun verklaringen, onder meer inhoudende dat zij [slachtoffer] in een container hadden opgesloten om hem een lesje te leren, maar niets met de brand te maken hadden, werden zij als verdachten aangehouden. Diezelfde dag nog werd [verdachte D] eveneens aangehouden in verband met mogelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer].

B. Standpunt van het openbaar ministerie

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, op grond van de door de verdachten [verdachte A], [verdachte B], [verdachte D] en [verdachte C] afgelegde verklaringen.

Daaruit kan in de visie van de officier van justitie worden opgemaakt dat [verdachte A] en [verdachte B] het plan hebben opgevat om [slachtoffer] een lesje te leren. Aanvankelijk was er geen strak omlijnd plan, maar bovengenoemd voornemen kreeg in de loop van dat weekend wel steeds meer gestalte.

[verdachte A] en [verdachte B] hebben verklaard dat zij [slachtoffer] expres met een neptelefoontje over een pakketje handel naar en in de container hebben gelokt en vervolgens de deur hebben dichtgedaan en vergrendeld. Daarna zijn de vier verdachten met de auto gaan rijden. Anderhalf uur later zijn ze teruggekeerd om [slachtoffer] uit de container te halen.

In de visie van de officier van justitie kunnen [verdachte A] en [verdachte B] als medeplegers van de wederrechtelijke vrijheidsberoving worden beschouwd. Ook [verdachte D] kan volgens de officier van justitie als medepleger worden aangemerkt, nu er sprake is van een bewustheid van de samenwerking en hij zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de vrijheidsberoving. Voor medeplegen is niet vereist dat alle bestanddelen door alle betrokkenen afzonderlijk worden vervuld, enige betrokkenheid bij de uitvoeringshandelingen is al voldoende.

De officier van justitie is van mening dat de strafverzwarende grond: "tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden" bewezen kan worden verklaard, omdat het verband tussen de vrijheidsberoving en de dood van [slachtoffer] zodanig is, dat de dood als gevolg van die vrijheidsbeneming aan verdachten kan worden toegerekend. [slachtoffer] heeft bewust of onbewust brand gemaakt en is aan koolmonoxidevergiftiging overleden. Zonder de opsluiting zou de brand niet zijn ontstaan en zonder de opsluiting zou [slachtoffer] niet aan de gevolgen van de brand zijn overleden. Daarbij is niet vereist dat de opzet van de dader op de dood was gericht of dat de dood aan de schuld van de dader te wijten is.

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachten schuld hebben aan de dood van [slachtoffer] en dat deze dood voorzienbaar was. Verdachten hebben [slachtoffer] opgesloten in de container, wetende dat daar een gezondheidsrisico aan vast zat, wetende dat er troep in de container lag, wetende dat [slachtoffer] vuur bij zich had, wetende dat [slachtoffer] slechthorend was waardoor hij in een donkere omgeving een extra handicap had. Vervolgens hebben verdachten nadat zij [slachtoffer] liggend in de container hadden aangetroffen, geen hulp geboden of hulp gehaald, zich niet vergewist of de brandhaard was gedoofd en de deur dichtgedaan, terwijl het op dat moment volstrekt duidelijk was dat [slachtoffer] niet bij machte was om zelf de deur van de container open te duwen, ook niet als deze niet vergrendeld zou zijn. Waarschijnlijk en aannemelijk is dat [slachtoffer] op het moment dat de verdachten de container openden, nog niet was overleden. Ook wanneer [slachtoffer] op dat moment wel overleden zou zijn, dan nog is de dood door schuld, gelet op het handelen van de verdachten, bewijsbaar en wel in de zin van roekeloos handelen.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

Het onder 3 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie eveneens bewezen en wel in de medeplegenvariant van verduistering, op grond van de verklaring van [verdachte B] dat ze de telefoon van [slachtoffer] wilden stelen, de verklaring van [verdachte C] die de telefoon aan [slachtoffer] heeft gevraagd en het feit dat vervolgens alle verdachten van de telefoon gebruik hebben gemaakt.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen kan worden verklaard, maar dat de dood van [slachtoffer] niet als het redelijkerwijs van die vrijheidsbeneming te verwachten gevolg aan verdachte kan worden toegerekend. Van dit punt dient vrijspraak te volgen.

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

Met betrekking tot de verweten dood door schuld heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Er was voldoende zuurstof in de container, wanneer er geen brand was ontstaan. Die brand is niet door roekeloosheid of onvoorzichtigheid van verdachte ontstaan. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat [slachtoffer] al overleden was op het moment dat de container geopend werd. Inroepen van hulp had geen zin meer. Verdachte had in zijn leven meer doden gezien en hij wist dus wat er aan de hand was.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

De raadsman acht bewijs aanwezig voor de verduistering van de telefoon.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

Door [verdachte A], [verdachte B], [verdachte C] en en [verdachte D] zijn diverse verklaringen afgelegd.

Verdachte heeft verklaard (eindnoot 5) dat hij op zondag 21 juni 2009 samen met [verdachte C] met de auto naar [verdachte A] is gegaan. Vervolgens hebben ze [slachtoffer] opgehaald en daarna [verdachte D] en zijn met de auto wat rond gaan rijden.

De bedoeling was in eerste instantie om [slachtoffer] ergens te dumpen, zodat hij terug naar huis zou moeten lopen.

Tijdens het rondrijden zagen ze een zeecontainer staan, vlak bij het industrieterrein. Het idee om [slachtoffer] in de container op te sluiten was van [verdachte A] en hem. Ze wilden [slachtoffer] laten schrikken.

Hij heeft tegen [verdachte C] gezegd dat hij bij de weg op de uitkijk moest gaan staan en [verdachte C] heeft dat weer aan [verdachte D] gezegd. [verdachte D] stond erbij toen hij tegen [verdachte C] zei dat hij bij de weg op de uitkijk moest gaan staan.

Hij is samen met [verdachte A] en [slachtoffer] de container ingegaan. [verdachte D] en [verdachte C] waren een stukje verder gelopen. [verdachte A] en hij deden of ze wat zochten en [slachtoffer] hielp hen daarbij.

[verdachte A] en hij zijn vervolgens de container uitgegaan en hebben de container dichtgedaan. [verdachte A] hield de deur tegen en hij heeft het handvat omgedraaid. Van binnen uit is de container dan niet meer te openen. Ze konden nog zien dat [slachtoffer] eveneens richting de deur liep, maar vóórdat hij er uit kon hadden ze de deur al dicht gedaan. In de container lag allerlei afval op de grond.

Hij en [verdachte A] zijn vervolgens met de auto naar de weg gereden, waar [verdachte C] en [verdachte D] stonden.

Ze zijn vervolgens met de auto weggereden met de bedoeling een half uur of drie kwartier later terug te gaan om [slachtoffer] er weer uit te halen.

Terug bij de container aangekomen zag hij dat er verf van de container af was en voelde hij dat de container warm aanvoelde. Ze hebben de container opengedaan. Er kwam alleen maar rook uit. Ze hebben de rook laten optrekken en zagen daarna [slachtoffer] op de grond liggen. Hij zag dat [slachtoffer] dood was. Ze zijn geschrokken weggereden.

De verklaringen van [verdachte A] (eindnoot )6, [verdachte D] (eindnoot 7) en [verdachte C] (eindnoot 8) komen tot zover overeen met deze verklaring, die naar het oordeel van de rechtbank op een duidelijke en aannemelijke wijze weergeeft wat zich op 21 juni 2009 rond de dood van [slachtoffer] heeft afgespeeld. De rechtbank volstaat dan ook met verwijzing naar die verklaringen met vermelding van de betreffende vindplaatsen in het proces-verbaal van de politie, nu verdachte de vrijheidsberoving sec ter terechtzitting heeft bekend.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde wederrechtelijk vrijheidsberoving bewezen kan worden.

Hoewel niet met vastomlijnde afspraken afgestemd, is het geheel van de gedragingen wel zodanig geweest dat er kan worden gesproken van een zekere bewustheid van de samenwerking tussen [verdachte A], [verdachte B], [verdachte C] en [verdachte D]. Er is dan ook sprake van medeplegen van deze vier betrokkenen.

Met betrekking tot de vraag of er tussen de vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer een zodanig verband bestaat dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de vrijheidsberoving aan verdachte kan worden toegerekend vloeit uit de gebezigde bewijsmiddelen voort:

- dat er brand is ontstaan in de container waarin verdachten [slachtoffer] hadden opgesloten (eindnoot 9)

- dat de oorzaak van de brand niet met volledige zekerheid is vast te stellen(eindnoot 10)

- dat de hitte en de koolmonoxide geleid hebben tot de dood van [slachtoffer] (eindnoot 11)

- dat [slachtoffer] de container niet uit kon. Hem is namelijk elke ontsnappingsmogelijkheid onthouden door het vergrendelen van de deur van de container en het vervolgens door alle verdachten verlaten van de plaats waar [slachtoffer] van zijn vrijheid werd beroofd.

Dit weggaan of niet terstond terugkeren is verdachten evenzeer te verwijten omdat zij door

de gepleegde vrijheidsberoving een bijzondere zorgplicht jegens [slachtoffer] hadden, namelijk dat bij calamiteiten direct ingegrepen zou kunnen worden. Door op zijn minst in de buurt te blijven en de container en daarmee [slachtoffer] deugdelijk in de gaten te houden zouden zij, hoe verwijtbaar de vrijheidsberoving op zichzelf ook was, mogelijk wel voldaan hebben aan de genoemde zorgplicht.

Uit het bovenstaande volgt dat tussen de ten laste gelegde vrijheidsberoving en de dood van [slachtoffer] een zodanig oorzakelijk verband bestaat dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de vrijheidsberoving aan de verdachte kan worden toegerekend. De omstandigheid dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat de vrijheidsberoving zou eindigen met de dood van [slachtoffer] is voor die toerekening niet beslissend. Dat geldt evenzeer voor de eventuele onvoorzichtigheid van [slachtoffer] met betrekking tot het maken van een vuurtje.

De strafverzwarende omstandigheid van artikel 282, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank dan ook bewezen.

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

Voor de vraag of verdachten schuld hebben aan de dood van [slachtoffer] is van belang de vraag of verdachten welbewust een onaanvaardbaar groot risico van ernstige gevolgen hebben genomen door [slachtoffer] in de container op te sluiten dan wel die opsluiting te laten voortduren. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In het algemeen zal het voor korte tijd opsluiten van iemand in een container niet tot de dood leiden van die persoon.

Dat verdachten wisten of konden weten dat [slachtoffer] slechthorend was, er rotzooi in de container lag, hij een aansteker bij zich had en geen telefoon meer had doet hier niet aan af. Dit zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden dat die snel tot fatale gevolgen leiden. Dat opgesloten personen vuur zullen maken in een dergelijke situatie is evenmin een voor de hand liggend gegeven.

Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [slachtoffer] nog in leven was, toen verdachten de deur opendeden en hem vonden.

Verdachte [verdachte B] (eindnoot 12) verklaart dat de container warm aanvoelde, terwijl de verf er afgebladderd was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de brand al even tevoren moet hebben gewoed.

De deskundige Dr K.J. Lusthof geeft op pag. 3 van zijn rapport als voorbeeld dat een CO-concentratie groter dan 0.5 tot 1% in het algemeen in een half uur dodelijk is, omdat dan de dodelijke grens van 65 % CO in het bloed is bereikt.

Daar komt bij dat de dood van [slachtoffer] waarschijnlijk niet alleen door CO, maar ook door een verhoogd CO 2 gehalte en het waarschijnlijk verlaagde zuurstofgehalte in de afgesloten container is veroorzaakt.

De rechtbank maakt uit het sectierapport op dat het CO-gehalte in het bloed van [slachtoffer] 84.5 % was. Toen de deur van de container geopend werd en de rook was weggetrokken is het CO-gehalte in de container sterk gedaald en de rechtbank acht niet aannemelijk dat het percentage CO in het bloed toen nog met meer dan 20 % is toegenomen.

Tenslotte acht de rechtbank in dit kader van belang dat de deskundige op pag. 4 overweegt dat reanimatie bij een CO vergiftiging tussen 15 en 65 % waarschijnlijk niet zinvol is. Tussen die percentages kan een hartstilstand optreden. Alle verdachten verklaren dat ze geen beweging meer in het lichaam zagen, zodat er vanuit moet worden gegaan dat er geen ademhaling en hartslag meer waren.

Hoewel de gevolgen in de onderhavige zaak - zoals boven is geoordeeld - voor rekening van verdachten komen, hebben zij in juridische zin geen schuld aan zijn dood.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken. Uit de verschillende verklaringen blijkt namelijk dat [slachtoffer] voordat hij werd opgesloten zijn telefoon had uitgeleend aan [verdachte C]. [verdachte C] heeft de telefoon op een gegeven moment uit handen gegeven, in weerwil van de met [slachtoffer] gemaakte afspraak en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan verduistering van de telefoon. Verdachte heeft hier geen rol in gehad.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 21 juni 2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd en beroofd heeft gehouden,

immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten en

- die [slachtoffer] met een auto opgehaald en

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en braakliggend land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden en

- die [slachtoffer] met een smoes een zeecontainer ingelokt en

- vervolgens de deur van die container afgesloten en

- die [slachtoffer] in die container achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport uitgebracht, bestaande uit een rapport van de psychiater Offermans (eindnoot 13) en een rapport van de psycholoog Fennema (eindnoot 14). Bij verdachte is volgens de deskundigen sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis PDD-NOS, van een psychotische stoornis NAO en er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid.

Ten tijde van het tenlastegelegde was er in ieder geval sprake van de genoemde ontwikkelingsstoornis en zwakbegaafdheid.

Met de eensluidende conclusie van de gedragsdeskundigen dat het tenlastegelegde, indien bewezen, verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, kan de rechtbank zich verenigen. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het onder 1, 2, 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst en de ver strekkende gevolgen van de vrijheidsberoving en de dood door schuld, de grote rol die verdachte in de gebeurtenissen heeft gespeeld en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke straf niet past bij de ernst en het gevolg van de strafbare feiten (doelend op de feiten 1 en 2) en de door haar geformuleerde eis aan de ondergrens zit van de straffen die passend en geboden zijn bij dit soort ernstige feiten.

Door de raadsman is, met het oog op de door hem bepleite vrijspraken en de adviezen die door de gedragsdeskundigen zijn gegeven, aangevoerd dat een gevangenisstraf bestaande uit een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht en een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht kan worden volstaan. De raadsman heeft zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de duur van het voorwaardelijk strafdeel.

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging nog aangevoerd dat verdachte lang in de beperkingen heeft gezeten, dat de publiciteit rond deze zaak niet gering is geweest en dit onder meer ook tot gevolg heeft gehad dat verdachte in het huis van bewaring in elkaar is geslagen.

Uit de multidisciplinaire rapportage komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van een vrij ernstige ontwikkelingsstoornis en forse cognitieve beperkingen. Complexe situaties kan hij slechts beperkt overzien, hij heeft een beperkt invoelend en probleemoplossend vermogen. Onder druk kan dat tot impulsdoorbraken of een kortstondige psychotische ontregeling leiden.

Ter voorkoming van de kans op recidive wordt geadviseerd een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling in combinatie met een verplicht reclasseringscontact op te leggen als bijzondere voorwaarde(n) bij een (deels) voorwaardelijke straf.

Behandeling dient zich met name te richten op toename van het besef van- en inzicht in zijn problematiek, toewerken naar een goede daginvulling, opstellen van een risicoanalyse en delictketen, onderzoeken van gedragsalternatieven en het aanleren van meer adequate sociale vaardigheden. Door de psychologe is geadviseerd om daaraan een maximale proeftijd te verbinden.

Ter terechtzitting is door de psychiater nog naar voren gebracht dat bij verdachte sprake is van een kwetsbare basis, waardoor hij bij stress en spanning sneller dan gemiddeld in de problemen zal komen. Een goede dagbesteding, regelmaat en structuur zijn van belang, waarbij deskundigenhulp de komende jaren naast de steun die hij vanuit de familie krijgt onontbeerlijk is.

Door de jeugdreclassering is geadviseerd (eindnoot 15) om aan verdachte een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen en aan het voorwaardelijk deel als bijzondere voorwaarde op te leggen een verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt meewerken aan de behandeling zoals voorgesteld in het persoonlijkheidsonderzoek.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een drietal vrienden schuldig gemaakt aan de vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Niet alleen het opsluiten van [slachtoffer] rekent de rechtbank verdachte en zijn mededaders zwaar aan maar ook het weggaan zonder dat enige maatregel werd getroffen om ongelukken te voorkomen. Tevens hebben verdachten niet direct alarm geslagen toen zij [slachtoffer] levenloos in de container aantroffen. Door hun mond te houden hebben zij de familie van [slachtoffer] geruime tijd in schrijnende onzekerheid gelaten. De gevolgen binnen het gezin, zoals ook door de moeder van [slachtoffer] is verwoord in haar schriftelijke slachtofferverklaring, zijn aangrijpend en invoelbaar. De verdwijning van [slachtoffer], zijn dood en de oorzaak daarvan hebben tot grote beroering geleid in de samenleving.

Verdachte heeft bij de gebeurtenissen een bepalende rol gespeeld. De verdachte is eerder met justitie in aanraking geweest. Uit het strafblad blijkt dat verdachte diverse malen met politie en justitie in contact is gekomen terzake geweldsgerelateerde delicten en dat hij nog in een proeftijd liep (eindnoot 16). Tegen deze achtergrond is een straf zoals door de officier van justitie is geëist voor te stellen.

Niettemin komt de rechtbank komt tot een lagere strafoplegging. In de eerste plaats is dat omdat verdachte van een deel van de ten laste legde feiten, de dood door schuld en (in mindere mate ook) de diefstal dan wel verduistering van de telefoon van [slachtoffer], zal worden vrijgesproken. Ook heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat uit de psychiatrische en psychologische onderzoeken is gebleken dat verdachte door zijn geestelijke stoornis en gebrekkig en verstoorde ontwikkeling als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat een langdurige behandeling en begeleiding is aangewezen. De rechtbank geeft uitdrukkelijk de voorkeur aan behandeling naast straf in plaats van uitsluitend afstraffen. Bij toepassing van de onvoorwaardelijk geëiste straf van de officier van justitie is dat niet mogelijk. De rechtbank neemt voorts in acht de relatief jonge leeftijd van verdachte.

Tenslotte heeft de rechtbank mee laten wegen dat verdachte de dramatische afloop nooit heeft gewild en dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de dood van [slachtoffer] zijn verdere leven mee zal moeten dragen

Op grond van het voorstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht een lang voorwaardelijk strafdeel met een maximale proeftijd op zijn plaats als stok achter de deur, maar ook teneinde de ambulante en langdurige behandeling mogelijk te maken.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft zich als nabestaande met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.200,86 (te vermeerderen met de wettelijke rente) gevoegd in het strafproces. De vordering ziet op de uitvaartkosten en de kosten voor een grafmonument.

De officier van justitie heeft gevorderd dat deze vordering "bij wijze van voorschot" integraal zal worden toegewezen, met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde bepleit, omdat - kort gezegd - verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer].

Voor het geval de rechtbank daarover anders mocht oordelen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [moeder slachtoffer] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk oordeelt,

ook als dit inhoudt dat veroordeelde zal deelnemen aan een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling. De veroordeelde zal zich dan dienen te houden aan regels die hem door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer], T[adres] (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 10.200,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2009, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer] voornoemd, een bedrag te betalen van € 10.200,86, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 86 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader(s) het schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Kleinrensink en Krijger, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 december 2009.

Eindnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij stamproces-verbaal nr. 2009009508, gesloten en ondertekend op 13 oktober 2009 (voor zover niet anders is vermeld)

2 Stamproces-verbaal, dossierpag. 12, niet doorgenummerde pag. 2, 13, 14, 15, 17, 21, 25, 35

3 Forensisch dossier TGO Roseval, dossierpag. 57

4 Deskundigenrapport d.d. 18 september 2009, opgemaakt door de arts en patholoog Van Driessche, verbonden aan het NFI (Nederlands Forensisch Instituut), dossierpag. 226

5 Verklaringen [verdachte B], dossierpag. 519, 520, 528, 529, 530, 546, 562, 563, 596

6 Verklaringen [verdachte A], dossierpag. 345, 346, 347, 362, 367, 379

7 Verklaringen [verdachte D], dossierpag. 749, 750, 752, 753, 754, 755, 757, 762, 763

8 Verklaringen [verdachte C], dossierpag. 633, 634, 635, 636, 654, 655

9 Forensisch dossier TGO Roseval, dossierpag. 57

10 Rapport NFI inzake brandtechnisch onderzoek, gedateerd 2 oktober 2005, opgemaakt door de deskundige ing. F.W.N. van Rijswijk

11 Deskundigenrapport NFI inzake pathologie onderzoek, gedateerd 18 september 2009, opgemaakt door de arts en patholoog P.M.I. van Driessche

12 Verklaring [verdachte B], dossierpag. 519.

13 Psychiatrische rapportage pro justitia gedateerd 15 december 2009, opgemaakt en ondertekend door de psychiater J.M.J.F. Offermans

14 Psychologische rapportage pro justitia gedateerd 19 november 2009, opgemaakt en ondertekend door de psychologe drs. J.G. Fennema

15 Strafrapportage William Schrikker Jeugdreclassering d.d. 10 december 2009, opgemaakt en ondertekend door de reclasseringswerker Kranenburg

16 Uittreksel justitiële documentatie gedateerd 29 juni 2009