Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK8022

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
09/67 WOW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangsombesluit kalverstal in Rietmolen vernietigd. De bestuursrechter van de rechtbank Zutphen heeft een besluit van de gemeente Berkelland vernietigd, waarin was gelast bouwwerkzaamheden voor een kalverstal in Rietmolen onmiddellijk stop te zetten. De bouwer was ook een dwangsom opgelegd.

De gemeente Berkelland was van mening dat de stal zonder bouwvergunning werd gebouwd. De rechter heeft echter geoordeeld dat er van rechtswege een bouwvergunning was verleend. Er was op 6 maart 2007 een bouwvergunning aangevraagd en volgens de rechter heeft de gemeente niet tijdig op die aanvraag beslist. De wet verbindt daaraan dan de conclusie dat de gevraagde vergunning van rechtswege is verleend.

De gemeente Berkelland had zich op het standpunt gesteld dat de bouwaanvraag in strijd was met het reconstructieplan "Achterhoek en Liemers". Daarom zou er geen vergunning van rechtswege zijn ontstaan. Dat standpunt is verworpen. De rechter is van oordeel dat het reconstructieplan deels onverbindend is wegens strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2010/130 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 09/67 WOW44

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Rietmolen,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat bij een controle op het perceel aan de [adres] tegenover [adres] te Rietmolen (kadastraal bekend gemeente Neede, [kadastrale gegevens]; hierna: het perceel) is geconstateerd dat hij is gestart met het bouwen van een stal zonder te beschikken over de noodzakelijke bouwvergunning. In verband hiermee heeft verweerder – naar de rechtbank het besluit begrijpt – eiser gelast de bouwwerkzaamheden onmiddellijk stop te zetten en een last onder dwangsom (van € 20.000,--) opgelegd die hij verbeurt indien de bouwwerkzaamheden worden voortgezet.

Het hiertegen namens eiser door drs. R.A.M. van Woerden, werkzaam bij LTO Noord advies te Doetinchem, gemaakte bezwaar heeft de rechtbank op verzoek van eiser en met instemming van verweerder in behandeling genomen als rechtstreeks beroep.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 oktober 2009, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H.F. Tjallingii en M. Lubberding.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 6 maart 2007 een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een kalverstal op het perceel. Bij brief van 2 april 2007 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen met voor toetsing van de aanvraag noodzakelijke gegevens en daaraan een termijn verbonden van vier weken. Bij besluit van 7 september 2007 heeft verweerder vervolgens de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aangehouden. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de aanvraag in overeenstemming is met het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening en redelijk eisen van welstand, maar strijdig met het van toepassing zijnde reconstructieplan. Dit betekent dat de aanvraag moet worden aangehouden in afwachting van het nieuwe bestemmingsplan waarin de doelstellingen van het reconstructieplan worden vertaald in bestemmingsplanvoorschriften, aldus verweerder. Eiser heeft tegen het besluit van 7 september 2007 geen rechtsmiddelen aangewend.

2.2. Het perceel van eiser is gelegen binnen de grenzen van het door provinciale staten van Gelderland op 23 februari 2005 vastgestelde reconstructieplan "Achterhoek en Liemers". Het perceel is daarin gelegen in een extensiveringsgebied. Daaronder wordt ingevolge artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.2.1. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voor zover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de wet aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Rwc is artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan. Ingevolge het derde lid geldt, voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de Rwc wordt in het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van de Rwc van toepassing is.

2.2.2. In het reconstructieplan "Achterhoek en Liemers" wordt op pagina 16 en 74 onder meer gesproken over doorwerking van de zonering intensieve veehouderij in bestemmingsplannen. Op pagina 101 wordt voorts het volgende vermeld:

“Doorwerking naar bestemmingsplan Op de extensiveringsgebieden die op de kaart 1:25.000 zijn aangewezen en die

aldus tot op de perceelsniveau zijn begrensd, is artikel 27, eerste lid van de

Reconstructiewet van toepassing. Het reconstructieplan geldt hiermee voor de

desbetreffende gebieden als voorbereidingsbesluit. Aanvragen om bouwvergunning

moeten als gevolg hiervan door burgemeester en wethouders worden aangehouden.

Burgemeester en wethouders toetsen de aanvragen aan het beleid dat

voor de extensiveringsgebieden geldt. Ontwikkelingen die dit reconstructieplan

door de voorbereidingsbescherming beoogt te weren in extensiveringsgebieden

zijn:

• nieuwvestiging van intensieve veehouderij;

• hervestiging van intensieve veehouderij;

• omschakeling naar intensieve veehouderij;

• uitbreiding van intensieve veehouderijen, tenzij de uitbreiding noodzakelijk

is om te voldoen aan de eisen van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid,

mits het aantal dierplaatsen niet toeneemt.

Aanvragen om bouwvergunning voor bouwplannen die aantoonbaar niet in

strijd zijn met de reconstructiedoelstellingen voor het extensiveringsgebied, kunnen

door burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 50 lid 4 van de

Woningwet worden afgehandeld.

Uit het voorgaande blijkt dat het beleid met betrekking tot de extensiveringsgebieden

in eerste instantie vooral gericht is op het tegengaan van ongewenste ontwikkelingen.

Om die reden en ook vanwege de noodzakelijke nadere detaillering

die op gemeentelijk niveau nog moet plaatsvinden, doorbreekt het reconstructieplan

geen aanhoudingsplicht (artikel 27 lid 2 Reconstructiewet) en voorziet

het ook niet in projecten, waarvoor het plan als vrijstelling ex artikel 19

WRO kan gelden overeenkomstig artikel 27, lid 3 van de wet.”

2.2.3. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2006 (LJN: AY8904, zaaknr. 200507318/1), dat de wijze waarop aldus in het reconstructieplan artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op gronden die als extensiveringsgebied zijn aangeduid, strijdig is met artikel 11, zesde lid, in samenhang met artikel 27 van de Rwc. Naar het oordeel van de rechtbank dient het reconstructieplan in zoverre daarom wegens strijd met de Rwc onverbindend te worden geacht. Dat betekent dat hier van planologische doorwerking op de voet van artikel 27 van de Rwc in het geheel geen sprake is.

2.3. Niet in geschil is dat de aanvraag om bouwvergunning zoals eiser die op 6 maart 2007 heeft ingediend niet in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat wat hiervoor is overwogen daarom tot de conclusie moet leiden dat de gevraagde bouwvergunning ingevolge artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet van rechtswege is verleend. Verweerder heeft immers niet binnen de ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet geldende termijn van 12 weken op de aanvraag beslist. Verweerders besluit van 7 september 2007 tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat dit besluit – rekening houdend met de opschorting van de beslistermijn die het gevolg is van de brief van verweerder van 2 april 2007 – is genomen na ommekomst van de beslistermijn en de bouwvergunning derhalve op dat moment al van rechtswege was verleend.

2.4. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden. Anders dan verweerder heeft aangenomen was immers van overtreding van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet (bouwen zonder bouwvergunning) geen sprake.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit van 2 december 2008 moet worden vernietigd. Er is aanleiding verweerder te veroor¬delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 145,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2009.