Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7950

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
06/460252-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in de zaak Tano Jansen. Verdachte A (R.G.).

Vier verdachten in de zaak Tano Jansen zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen met een voorwaardelijk deel, een langere proeftijd dan gebruikelijk, verplichte psychiatrische behandeling en het betalen van een schadevergoeding van ruim €10.000,- aan de moeder van Tano Jansen, onder meer wegens de kosten van de begrafenis. Zie ook uitspraken LJN BK8054, BK8049 en BK8061.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/460252-09

Uitspraak d.d. 30 december 2009

Tegenspraak – dip / oip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A]

geboren te [plaats op geboortedatum ],

wonende te [postcode, plaats, adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘De Grittenborgh’ te Hoogeveen.

Raadsman: mr. Van Faassen, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 november 2009 en 16 december 2009.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21

juni 2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid beroofd en/of beroofd heeft/hebben gehouden,

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij verdachte en/of een of meer van zijn

mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten

en/of

- die [slachtoffer] (met een auto) opgehaald en/of

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en/of braakliggend

land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden/gegaan en/of

- die [slachtoffer] met een smoes de/een (zee)container ingelokt en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (binnen in die container) geduwd en/of geslagen

en/of ten val gebracht en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de deur(en) van die (zee)container

afgesloten/vergrendeld (eveneens toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of

open vuur/brand in die container bevond) en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] in die (zee)container achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 282 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21

juni 2009 tot en met 23 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of nalatig,

-die [slachtoffer] heeft/hebben opgesloten en/of opgesloten gehouden in

de/een (donkere) (zee)container, met daarin meerdere (brandbare) goederen

wetende dat deze [slachtoffer] doof was, claustrofobisch was, een aansteker bij

zich had en/of geen mobiele telefoon bij zich had en/of

-die [slachtoffer] in het ongewisse heeft/hebben gelaten over hoe lang deze

opsluiting zou duren en/of

-voor een langere periode, althans meerdere, dag(en)/u(u)r(en) de deur(en) van

die (zee)container meermalen, althans eenmaal, gesloten/vergrendeld

heeft/hebben gelaten, eveneens toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of

open vuur/brand in die container bevond en/of

- bij het aantreffen van die [slachtoffer] liggend op de vloer/grond van die

container geen (medische) hulp heeft/hebben verleend en/of geen (tijdige)

medische en/of andere hulp en/of (medische) verzorging heeft/hebben

ingeroepen,

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer]

zodanig letsel, te weten koolmonoxidevergiftiging, althans een te hoog

koolmonoxidegehalte in het bloed, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen

daarvan is overleden;

art 47 lid 1 afh/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2009 in de gemeente Apeldoorn en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een mobiele

telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele telefoon), in

elk geval enig goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [..] ([slachtoffer])

[..], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009

tot en met 23 juni 2009, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een mobiele telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele

telefoon), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn

mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door het vrijwillig

afgeven/uitlenen van [slachtoffer] aan verdachte en/of één of meerdere van zijn

mededader(s), onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juni 2009 (in de

nachtelijke uren) te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal, brand(en) heeft gesticht,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen

aldaar opzettelijk

-voor en/of nabij een woning aan het [adres], (oud) papier tussen,

althans op korte afstand van, één of meer bloembak(ken) gelegd en/of dat

papier met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan dat papier en/of één of meer (houten) bloembak(ken) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die bloembak(ken) en/of een op korte afstand van die

bloembak(ken) gelegen schuur, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was,

en/of

-voor en/of nabij een woning aan het [adres], kranten en/of (oud)

papier onder, althans op korte afstand van, één of meer conife(e)r(en) gelegd

en/of die kranten en/of dat papier met een aansteker aangestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met kranten en/of papier,

althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die kranten en/of

dat papier en/of één of meer conife(e)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die (andere) conife(e)r(en) en/of een zich op korte afstand van die conife(e)r(en)

bevindende woning aan het [adres] en/of zich op korte afstand van

die conife(e)r(en) bevindende ruit(en) van die woning , in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woning ([adres])

bevindende bewoner(s), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was,

en/of

-voor en/of nabij een woning aan het [adres], (oud) papier onder,

althans op korte afstand van, een auto (merk: Peugeot) gelegd en/of dat papier

met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan dat papier en/of die auto geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die auto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

-voor en/of nabij een woning aan de [adres], (oud) papier in een

plastic krat met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan dat papier en/of die krat en/of een zich in de nabijheid

van dat papier en/of die krat bevindende vuilniscontainer geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die container, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was,

en/of

-voor en/of nabij een schuur aan het [adres], (oud) papier onder,

althans op korte afstand van, een auto (merk: Alfa Romeo) gelegd en/of dat

papier met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan dat papier en/of die auto geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die auto en/of een zich op korte afstand van die auto bevindende schuur en/of

een zich op korte afstand van die schuur bevindende UPC-kast en/of zich op

korte afstand van die schuur bevindende auto's, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juni 2009 in de

nachtelijke uren in de gemeente Apeldoorn met een ander of anderen,

op of aan de volgende openbare weg(en), openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen de hieronder genoemde goederen, welk geweld bestond uit het

(telkens) met een aansteker aansteken van papier en/of kranten en dat

aangestoken papier en/of die aangestoken kranten (telkens) nabij en/of tegen

en/of onder die goederen leggen:

-aan het [adres], tegen één of meer bloembak(ken) en/of

-aan het [adres], tegen één of meer conife(e)r(en) en/of

-aan het [adres], tegen een auto (merk: Peugeot) en/of

-aan de [adres], tegen een vuilniscontainer en/of

-aan het [adres], tegen een auto (merk: Alfa Romeo);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs [eindnoot 1]

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek [eindnoot 2] was een melding bij de politie door de moeder van de zestienjarige [slachtoffer] op 21 juni 2009. [slachtoffer] was die middag niet thuis gekomen en hij had niet gereageerd op een aantal sms-berichten, die zij hem had gestuurd.

Op 22 juni 2009 werd [slachtoffer] landelijk als vermist gesignaleerd.

Op 23 juni 2009 werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in een container.

Hij lag [eindnoot 3] op zijn rug op de vloer van de container. In de container had een beperkt gebleven brand gewoed.

Sectie [eindnoot 4] op het lichaam van [slachtoffer] wees uit dat het overlijden van [slachtoffer] te wijten was aan koolmonoxidevergiftiging en inademing van hete lucht.

Op 24 juni 2009 meldde zich een drietal jongens bij de politie (verdachte, [medeverdachte B] en [medeverdachte C]). Naar aanleiding van hun verklaringen, onder meer inhoudende dat zij [slachtoffer] in een container hadden opgesloten om hem een lesje te leren, maar dat zij niets met de brand te maken hadden, werden zij als verdachten aangehouden. Diezelfde dag nog werd [medeverdachte D] eveneens aangehouden in verband met mogelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer].

B. Standpunt van het openbaar ministerie

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, op grond van de door de verdachten [verdachte A], [medeverdachte B], [medeverdachte D] en [medeverdachte C] afgelegde verklaringen.

Daaruit kan in de visie van de officier van justitie worden opgemaakt dat [verdachte A] en [medeverdachte B] het plan hebben opgevat om [slachtoffer] een lesje te leren. Aanvankelijk was er geen strak omlijnd plan, maar bovengenoemd voornemen kreeg in de loop van dat weekend wel steeds meer gestalte.

[verdachte A] en [medeverdachte B] hebben verklaard dat zij [slachtoffer] expres met een neptelefoontje over een pakketje handel naar en in de container hebben gelokt en vervolgens de deur hebben dichtgedaan en vergrendeld. Daarna zijn de vier verdachten met de auto gaan rijden. Anderhalf uur later zijn ze teruggekeerd om [slachtoffer] uit de container te halen.

In de visie van de officier van justitie kunnen [verdachte A] en [medeverdachte B] als medeplegers van de wederrechtelijke vrijheidsberoving worden beschouwd. Ook [medeverdachte D] kan volgens de officier van justitie als medepleger worden aangemerkt, nu er sprake is van een bewustheid van de samenwerking en hij zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de vrijheidsberoving. Voor medeplegen is niet vereist dat alle bestanddelen door alle betrokkenen afzonderlijk worden vervuld, enige betrokkenheid bij de uitvoeringshandelingen is al voldoende.

De officier van justitie is van mening dat de strafverzwarende grond: “tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden” bewezen kan worden verklaard, omdat het verband tussen de vrijheidsberoving en de dood van [slachtoffer] zodanig is, dat de dood als gevolg van die vrijheidsbeneming aan verdachten kan worden toegerekend. [slachtoffer] heeft bewust of onbewust brand gemaakt en is aan koolmonoxidevergiftiging overleden. Zonder de opsluiting zou de brand niet zijn ontstaan en zonder de opsluiting zou [slachtoffer] niet aan de gevolgen van de brand zijn overleden. Daarbij is niet vereist dat het opzet van de dader op de dood was gericht of dat de dood aan de schuld van de dader te wijten is.

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachten schuld hebben aan de dood van [slachtoffer] en dat deze dood voorzienbaar was. Verdachten hebben [slachtoffer] opgesloten in de container, wetende dat daar een gezondheidsrisico aan vast zat, wetende dat er troep in de container lag, wetende dat [slachtoffer] vuur bij zich had, wetende dat [slachtoffer] slechthorend was waardoor hij in een donkere omgeving een extra handicap had. Vervolgens hebben verdachten nadat zij [slachtoffer] liggend in de container hadden aangetroffen, geen hulp geboden of hulp gehaald, zich niet vergewist of de brandhaard was gedoofd en de deur dichtgedaan, terwijl het op dat moment volstrekt duidelijk was dat [slachtoffer] niet bij machte was om zelf de deur van de container open te duwen, ook niet als deze niet vergrendeld zou zijn. Waarschijnlijk en aannemelijk is dat [slachtoffer] op het moment dat de verdachten de container openden, nog niet was overleden. Ook wanneer [slachtoffer] op dat moment wel overleden zou zijn, dan nog is de dood door schuld, gelet op het handelen van de verdachten, bewijsbaar en wel in de zin van roekeloos handelen.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

Het onder 3 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie eveneens bewezen en wel in de medeplegenvariant van verduistering, op grond van de verklaring van [medeverdachte B] dat ze de telefoon van [slachtoffer] wilden stelen, de verklaring van [medeverdachte C] die de telefoon aan [slachtoffer] heeft gevraagd en het feit dat vervolgens alle verdachten van de telefoon gebruik hebben gemaakt.

Met betrekking tot de brandstichtingen (feit 4)

Ten aanzien van de ten laste gelegde brandstichtingen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte die branden heeft gesticht samen met [medeverdachte D]. De officier van justitie heeft zicht daarbij onder meer gebaseerd op de verschillende aangiften en de bekennende verklaringen van de verdachten. Alle branden hebben gemeen gevaar voor goederen opgeleverd en de coniferenbrand aan het [adres] heeft daarnaast ook levensgevaar voor personen opgeleverd.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar dat het strafverzwarende deel ’de dood ten gevolge hebbend’ niet kan worden bewezen.

De brand in de container kan alleen maar door [slachtoffer] zelf zijn veroorzaakt en was absoluut niet voorzienbaar. Verdachte en de medeverdachten zijn daarom volgens de raadsman niet verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer].

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde dood door schuld is door de raadsman aangevoerd dat de brand dermate onvoorzienbaar is geweest, dat de verdachten zich niet bewust van zo’n gevolg hadden behoeven te zijn.

De in de tenlastelegging opgesomde handelingen zijn bovendien niet als roekeloos te kwalificeren, evenmin als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig.

Door de raadsman is vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

Ten aanzien van de verduistering van de telefoon van [slachtoffer] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de brandstichtingen (feit 4)

Door de raadsman is met betrekking tot de aan verdachte ten laste gelegde brandstichtingen aangevoerd dat verdachte alleen betrokken is geweest bij de brandstichting van een bloemenbak aan het [adres] en het papier bij de auto aan het [adres] te Apeldoorn. De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de vrijheidsbeneming (feit 1)

Door [verdachte A], [medeverdachte B], [medeverdachte C] en en [medeverdachte D] zijn diverse verklaringen afgelegd.

[medeverdachte B] heeft verklaard [eindnoot 5] dat hij op zondag 21 juni 2009 samen met [medeverdachte C] met de auto naar [verdachte A] is gegaan. Vervolgens hebben ze [slachtoffer] opgehaald en daarna [medeverdachte D] en zijn met de auto wat rond gaan rijden.

De bedoeling was in eerste instantie om [slachtoffer] ergens te dumpen, zodat hij terug naar huis zou moeten lopen.

Tijdens het rondrijden zagen ze een zeecontainer staan, vlak bij het industrieterrein. Het idee om [slachtoffer] in de container op te sluiten was van [verdachte A] en hem. Ze wilden [slachtoffer] laten schrikken.

Hij heeft tegen [medeverdachte C] gezegd dat hij bij de weg op de uitkijk moest gaan staan en [medeverdachte C] heeft dat weer aan [medeverdachte D] gezegd. [medeverdachte D] stond erbij toen hij tegen [medeverdachte C] zei dat hij bij de weg op de uitkijk moest gaan staan.

Hij is samen met [verdachte A] en [slachtoffer] de container ingegaan. [medeverdachte D] en [medeverdachte C] waren een stukje verder gelopen. [verdachte A] en hij deden of ze wat zochten en [slachtoffer] hielp hen daarbij.

[verdachte A] en hij zijn vervolgens de container uitgegaan en hebben de container dichtgedaan. [verdachte A] hield de deur tegen en hij heeft het handvat omgedraaid. Van binnen uit is de container dan niet meer te openen. Ze konden nog zien dat [slachtoffer] eveneens richting de deur liep, maar vóórdat hij er uit kon hadden ze de deur al dicht gedaan. In de container lag allerlei afval op de grond.

Hij en [verdachte A] zijn vervolgens met de auto naar de weg gereden, waar [medeverdachte C] en [medeverdachte D] stonden.

Ze zijn vervolgens met de auto weggereden met de bedoeling een half uur of drie kwartier later terug te gaan om [slachtoffer] er weer uit te halen.

Terug bij de container aangekomen zag hij dat er verf van de container af was en voelde hij dat de container warm aanvoelde. Ze hebben de container opengedaan. Er kwam alleen maar rook uit. Ze hebben de rook laten optrekken en zagen daarna [slachtoffer] op de grond liggen. Hij zag dat [slachtoffer] dood was. Ze zijn geschrokken weggereden.

De verklaringen van verdachte [eindnoot 6] , [medeverdachte D][eindnoot 7] en [medeverdachte C] [eindnoot 8] komen tot zover overeen met deze verklaring, die naar het oordeel van de rechtbank op een duidelijke en aannemelijke wijze weergeeft wat zich op 21 juni 2009 rond de dood van [slachtoffer] heeft afgespeeld. De rechtbank volstaat dan ook met verwijzing naar die verklaringen met vermelding van de betreffende vindplaatsen in het proces-verbaal van de politie, nu verdachte de vrijheidsberoving sec ter terechtzitting heeft bekend.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde wederrechtelijk vrijheidsberoving bewezen kan worden.

Hoewel niet met vastomlijnde afspraken afgestemd, is het geheel van de gedragingen wel zodanig geweest dat er kan worden gesproken van een zekere bewustheid van de samenwerking tussen [verdachte A], [medeverdachte B], [medeverdachte C] en [medeverdachte D]. Er is dan ook sprake van medeplegen van deze vier betrokkenen.

Met betrekking tot de vraag of er tussen de vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer een zodanig verband bestaat dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de vrijheidsberoving aan verdachte kan worden toegerekend vloeit uit de gebezigde bewijsmiddelen voort:

- dat er brand is ontstaan in de container waarin verdachten [slachtoffer] hadden opgesloten [eindnoot 9]

- dat de oorzaak van de brand niet met volledige zekerheid is vast te stellen [eindnoot 10]

- dat de hitte en de koolmonoxide geleid hebben tot de dood van [slachtoffer] [eindnoot 11]

- dat [slachtoffer] de container niet uit kon. Hem is namelijk elke ontsnappingsmogelijkheid onthouden door het vergrendelen van de deur van de container en het vervolgens door alle verdachten verlaten van de plaats waar [slachtoffer] van zijn vrijheid werd beroofd.

Dit weggaan of niet terstond terugkeren is verdachten evenzeer te verwijten omdat zij door

de gepleegde vrijheidsberoving een bijzondere zorgplicht jegens [slachtoffer] hadden, namelijk dat bij calamiteiten direct ingegrepen zou kunnen worden. Door op zijn minst in de buurt te blijven en de container en daarmee [slachtoffer] deugdelijk in de gaten te houden zouden zij, hoe verwijtbaar de vrijheidsberoving op zichzelf ook was, mogelijk wel voldaan hebben aan de genoemde zorgplicht.

Uit het bovenstaande volgt dat tussen de ten laste gelegde vrijheidsberoving en de dood van [slachtoffer] een zodanig oorzakelijk verband bestaat dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de vrijheidsberoving aan de verdachte kan worden toegerekend. De omstandigheid dat het voor de verdachte niet voorzienbaar was dat de vrijheidsberoving zou eindigen met de dood van [slachtoffer] is voor die toerekening niet beslissend. Dat geldt evenzeer voor de eventuele onvoorzichtigheid van [slachtoffer] met betrekking tot het maken van een vuurtje.

De strafverzwarende omstandigheid van artikel 282, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank dan ook bewezen.

Met betrekking tot de dood door schuld (feit 2)

Voor de vraag of verdachten schuld hebben aan de dood van [slachtoffer] is van belang de vraag of verdachten welbewust een onaanvaardbaar groot risico van ernstige gevolgen hebben genomen door [slachtoffer] in de container op te sluiten dan wel die opsluiting te laten voortduren. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In het algemeen zal het voor korte tijd opsluiten van iemand in een container niet tot de dood leiden van die persoon. Dat verdachten wisten of konden weten dat [slachtoffer] slechthorend was, er rotzooi in de container lag, hij een aansteker bij zich had en geen telefoon meer had doet hier niet aan af. Dit zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden dat die snel tot fatale gevolgen leiden. Dat opgesloten personen vuur zullen maken in een dergelijke situatie is evenmin een voor de hand liggend gegeven.

Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [slachtoffer] nog in leven was, toen verdachten de deur opendeden en hem vonden.

Verdachte [medeverdachte B] [eindnoot 12] verklaart dat de container warm aanvoelde, terwijl de verf er afgebladderd was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de brand al even tevoren moet hebben gewoed.

De deskundige Dr K.J. Lusthof geeft op pag. 3 van zijn rapport als voorbeeld dat een CO-concentratie groter dan 0.5 tot 1% in het algemeen in een half uur dodelijk is, omdat dan de dodelijke grens van 65 % CO in het bloed is bereikt.

Daar komt bij dat de dood van [slachtoffer] waarschijnlijk niet alleen door CO, maar ook door een verhoogd CO 2 gehalte en het waarschijnlijk verlaagde zuurstofgehalte in de afgesloten container is veroorzaakt.

De rechtbank maakt uit het sectierapport op dat het CO-gehalte in het bloed van [slachtoffer] 84.5 % was. Toen de deur van de container geopend werd en de rook was weggetrokken is het CO-gehalte in de container sterk gedaald en de rechtbank acht niet aannemelijk dat het percentage CO in het bloed toen nog met meer dan 20 % is toegenomen.

Tenslotte acht de rechtbank in dit kader van belang dat de deskundige op pag. 4 overweegt dat reanimatie bij een CO vergiftiging tussen 15 en 65 % waarschijnlijk niet zinvol is. Tussen die percentages kan een hartstilstand optreden. Alle verdachten verklaren dat ze geen beweging meer in het lichaam zagen, zodat er vanuit moet worden gegaan dat er geen ademhaling en hartslag meer waren.

Hoewel de gevolgen in de onderhavige zaak - zoals boven is geoordeeld - voor rekening van verdachten komen, hebben zij in juridische zin geen schuld aan zijn dood.

Met betrekking tot de diefstal/verduistering van de telefoon (feit 3)

Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken. Uit de verschillende verklaringen blijkt namelijk dat [slachtoffer] voordat hij werd opgesloten zijn telefoon had uitgeleend aan [medeverdachte C]. [medeverdachte C] heeft de telefoon op een gegeven moment uit handen gegeven, in weerwil van de met [slachtoffer] gemaakte afspraak en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan verduistering van de telefoon. Verdachte heeft hier geen rol in gehad.

Met betrekking tot de brandstichtingen (feit 4)

De rechtbank acht de ten laste gelegde brandstichtingen bewezen, met uitzondering van de brandstichting aan de [adres] te Apeldoorn. De rechtbank baseert zich daarbij op de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van [medeverdachte D][eindnoot 13] en de verklaringen van de diverse aangevers [eindnoot 14].

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 21 juni 2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden,

immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten en

- die [slachtoffer] met een auto opgehaald en

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en braakliggend land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden en

- die [slachtoffer] met een smoes een zeecontainer ingelokt en

- vervolgens de deur van die container afgesloten en

- die [slachtoffer] in die container achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

4.

hij op tijdstippen op 20 juni 2009 in de nachtelijke uren te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander,

telkens opzettelijk brand heeft gesticht, immers hebben verdachte en zijn mededader toen

aldaar opzettelijk

- nabij een woning aan het [adres] oud papier tussen bloembakken gelegd en dat papier met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan dat papier en één of meer houten bloembakken geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een op korte afstand van die bloembakken gelegen schuur te duchten was,

en

- nabij een woning aan het [adres] oud papier onder één conifeer gelegd en dat papier met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan dat papier en één conifeer geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere coniferen en een zich op korte afstand van die coniferen bevindende woning aan het [adres] te duchten was en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woning ([adres]) bevindende bewoners te duchten was,

en

- nabij een woning aan het [adres] oud papier onder een auto (merk: Peugeot) gelegd en dat papier met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan dat papier en die auto geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto te duchten was,

en

- nabij een schuur aan het [adres] oud papier onder een auto (merk: Alfa Romeo) gelegd en dat papier met een aansteker aangestoken ten gevolge waarvan dat papier en die auto geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en een zich op korte afstand van die auto bevindende schuur en een zich op korte afstand van die schuur bevindende UPC-kast en zich op korte afstand van die schuur bevindende auto's te duchten was.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende;

4 primair:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport uitgebracht, bestaande uit een rapport van de psychiater Offermans [eindnoot 15] en een rapport van de psycholoog Labrijn [eindnoot 16] . Bij verdachte is volgens de deskundigen sprake van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis, voortkomende uit een antisociale gedragsstoornis.

Gelet op de bevindingen van de gedragsdeskundigen volgt de rechtbank hun conclusies in die zin dat zij van oordeel is dat het tenlastegelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst en de ver strekkende gevolgen van de vrijheidsberoving en de dood door schuld, de bepalende rol die verdachte in de gebeurtenissen heeft gespeeld, de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, alsmede met het gevaarzettende karakter van de door verdachte gepleegde brandstichtingen.

Door de raadsman is aangevoerd dat - uitgaande van een vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid ex artikel 282, derde lid van het Wetboek van Strafrecht (het de dood tot gevolg hebbende), een vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde dood door schuld en een gedeeltelijke vrijspraak van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten - kan worden volstaan met een straf conform het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd en een eventuele ambulante behandeling in een forensische setting. Een dergelijke ambulante behandeling zal in de visie van de raadsman de nodige tijd vergen en dat dient in de strafoplegging te worden verdisconteerd.

Uit de multidisciplinaire rapportage komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door een beperkte gewetensfunctie, een onvermogen om verantwoordelijkheid te nemen voor daden, alsmede een bepaalde ongevoeligheid voor het welbevinden van anderen.

Verdachte functioneert op een (beneden-) gemiddeld denkniveau, er is sprake van afhankelijkheid van wiet en alcoholmisbruik.

Verdachte is met name op zichzelf gericht, heeft een gebrek aan zelfinzicht en is impulsief, waarbij acting out gedrag tot de mogelijkheden behoort.

De kans op recidive ten aanzien van gewelddadig gedrag en andere antisociale delicten wordt door de psycholoog - met name ingegeven door de gehanteerde risicotaxatie - als hoog ingeschat, terwijl de psychiater van oordeel is dat er wel enig gevaar bestaat voor herhaling.

Geadviseerd wordt om in het kader van een deels voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde op te leggen een ambulante behandeling bij een forensische instelling, zoals De Waag of Kairos, naast een reclasseringstoezicht.

Door de reclassering is geadviseerd [eindnoot 17] om aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldingsgebod en een behandelverplichting, met een maximale proeftijd.

De verdachte dient zich dan te houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven door de reclassering en hij wordt verplicht om zich voor zolang de behandelaars dat nodig achten te laten behandelen bij een forensisch psychiatrische polikliniek (Kairos).

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een drietal vrienden schuldig gemaakt aan de vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Niet alleen het opsluiten van [slachtoffer] rekent de rechtbank verdachte en zijn mededaders zwaar aan maar ook het weggaan zonder dat enige maatregel werd getroffen om ongelukken te voorkomen. Tevens hebben verdachten niet direct alarm geslagen toen zij [slachtoffer] levenloos in de container aantroffen. Door hun mond te houden hebben zij de familie van [slachtoffer] geruime tijd in schrijnende onzekerheid gelaten. De gevolgen binnen het gezin, zoals ook door de moeder van [slachtoffer] is verwoord in haar schriftelijke slachtofferverklaring, zijn aangrijpend en invoelbaar. De verdwijning van [slachtoffer], zijn dood en de oorzaak daarvan hebben tot grote beroering geleid in de samenleving.

Verdachte heeft bij de gebeurtenissen een bepalende rol gespeeld.

Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij een aantal brandstichtingen welke niet alleen ergerlijk zijn te noemen maar in één geval ook had plaatsgevonden nabij een woning en dus ook een dramatisch gevolg had kunnen hebben. Tegen deze achtergrond is een straf zoals door de officier van justitie is geëist voor te stellen.

Niettemin komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging. In de eerste plaats is dat omdat verdachte van een deel van de ten laste legde feiten, de dood door schuld (en in mindere mate ook) de diefstal dan wel verduistering van de telefoon van [slachtoffer], zal worden vrijgesproken. Ook heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat uit de psychiatrische en psychologische onderzoeken is gebleken dat verdachte door zijn persoonlijkheidsstoornis en benedengemiddeld denkniveau als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat een langdurige behandeling is aangewezen. De rechtbank geeft uitdrukkelijk de voorkeur aan behandeling naast straf in plaats van uitsluitend afstraffen. Bij toepassing van de geëiste straffen van de officier van justitie is dat niet mogelijk. De rechtbank neemt voorts in acht de relatief jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij nauwelijks eerder met justitie in aanraking is geweest. Tenslotte heeft de rechtbank mee laten wegen dat verdachte de dramatische afloop nooit heeft gewild en dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de dood van [slachtoffer] zijn verdere leven mee zal moeten dragen

Op grond van het voorstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht een lang voorwaardelijk strafdeel met een maximale proeftijd op zijn plaats als stok achter de deur, maar ook teneinde de ambulante en langdurige behandeling mogelijk te maken.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft zich als nabestaande met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.200,86 (te vermeerderen met de wettelijke rente) gevoegd in het strafproces. De vordering ziet op de uitvaartkosten en de kosten voor een grafmonument.

De officier van justitie heeft gevorderd dat deze vorderingen “bij wijze van voorschot” integraal zal worden toegewezen, met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit, omdat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer].

Voorts heeft [slachtoffer brandstichting 1] zich als benadeelde partij gesteld met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 312,50 (aan materiele schade) terzake één van de onder feit 4 ten laste gelegde brandstichtingen

Ook hier heeft de officier van justitie de integrale toewijzing gevorderd, met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel en de daaraan verbonden vervangende hechtenis.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze vordering kan worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijs¬middelen en hetgeen verder ter terecht¬zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [moeder slachtoffer] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorde¬ring is voor toewijzing vatbaar.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer brandstichting 1], zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. De verdachte is voor de schade - naar burgerlijk recht - aansprakelijk.

De benadeelde partij [slachtoffer brandstichting 2] heeft een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingediend met betrekking tot één van de onder feit 4 ten laste gelegde brandstichtingen, maar heeft daarin geen schadebedrag aangegeven.

De rechtbank zal daarom deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden geldbedragen ten behoeve van genoemd slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 157 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende;

4 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

• verklaart verdachte strafbaar;

• veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk oordeelt,

ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door een forensisch psychiatrische polikliniek of een soortgelijke instelling. De veroordeelde zal zich dan dienen te houden aan de regels die hem door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

• beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

• veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente van het moment van het schadeveroorzakende feit en de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil.

Benadeelde partij Bedrag

1. [moeder slachtoffer] € 10.200,86;

[adres, postcode, plaats]

(rekeningnummer [cijfers])

ingang wettelijke rente 22 juni 2009

2. [slachtoffer brandstichting 1] € 312,50;

[adres], [postcode plaats]

(rekeningnummer [cijfers])

• legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende slachtoffers te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Slachtoffers Bedrag vervangende hechtenis

1. [moeder slachtoffer] voornoemd € 10.200,86 86 dagen;

2. [slachtoffer brandstichting 1] voornoemd € 312,50 6 dagen;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de

Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

• verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer brandstichting 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Kleinrensink en Krijger, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 december 2009.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Eindnoten:

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij stamproces-verbaal nr. 2009009508, gesloten en ondertekend op 13 oktober 2009 (voor zover niet anders is vermeld)

2. Stamproces-verbaal, dossierpag. 12, niet doorgenummerde pag. 2, 13, 14, 15, 17, 21, 25, 35

3. Forensisch dossier TGO Roseval, dossierpag. 57

4. Deskundigenrapport d.d. 18 september 2009, opgemaakt door de arts en patholoog Van Driessche, verbonden aan het NFI (Nederlands Forensisch Instituut), dossierpag. 226

5. Verklaringen ([medeverdachte B]), dossierpag. 519, 520, 528, 529, 530, 546, 562, 563, 596

6. Verklaringen ([verdachte A]), dossierpag. 345, 346, 347, 362, 367, 379

7. Verklaringen [medeverdachte D] , dossierpag. 749, 750, 752, 753, 754, 755, 757, 762, 763

8. Verklaringen ([medeverdachte C]), dossierpag. 633, 634, 635, 636, 654, 655

9. Forensisch dossier TGO Roseval, dossierpag. 57

10. Rapport NFI inzake brandtechnisch onderzoek, gedateerd 2 oktober 2005, opgemaakt door de deskundige ing. F.W.N. van Rijswijk

11. Deskundigenrapport NFI inzake pathologie onderzoek, gedateerd 18 september 2009, opgemaakt door de arts en patholoog P.M.I. van Driessche

12. Verklaring ([medeverdachte B]), dossierpag. 519.

13. Verklaring [medeverdachte D], dossierpag. 814, 815, 816

14. Aangifte van [slachtoffer brandstichting 1], dossierpag. 1481/148, aangifte van [slachtoffer brandstichting 2], dossierpag. 1487, aangifte [slachtoffer brandstichting 3], dossierpag. 1492, aangifte [slachtoffer brandstichting 4], dossierpag. 1501

15. Psychiatrische rapportage pro justitia gedateerd 14 december 2009, opgemaakt en ondertekend door de psychiater J.M.J.F. Offermans

16. Psychologische rapportage pro justitia gedateerd 22 november 2009, opgemaakt en ondertekend door de psycholoog drs. S Labrijn

17. Reclasseringsadvies gedateerd 15 december 2009, opgemaakt en ondertekend door de reclasseringswerker Kuijer