Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7517

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
06/580090-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing onderzoeksvragen in de zaak Joanne Noordink naar aanleiding van de pro-formazitting op woensdag 16 december 2009. De politie hield de verdachte dinsdag 24 maart 2009 aan. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij het overlijden van Joanne Noordink en diefstal van goederen uit haar woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/580090-09

Uitspraak d.d. 23 december 2009

Tegenspraak / dip - oip - oip

TUSSENBESLISSING

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1976],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring "De Kruisberg" te Doetinchem.

Raadsman mr. Pel, advocaat te Hattem.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 16 december 2009. Deze (regie)zitting was gepland om de procesdeelnemers in de gelegenheid te stellen mogelijke onderzoekswensen en eventuele andere vragen aan de orde te stellen.

Onderzoeksvragen1

Verzoek tot inbeslagneming computer [getuige]

Door de raadsman is verzocht om inbeslagneming van de computer van een vriendin van [slachtoffer], te weten de getuige [getuige], dit naar aanleiding van de verklaring die deze getuige op 10 december 2009 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd over haar emailwisseling met [slachtoffer].

De raadsman acht het van belang dat de computer met het volledige mailverkeer van/aan/met betrekking tot [slachtoffer] wordt veiliggesteld in het kader van de waarheidsvinding, met name met het oog op de leefwereld van [slachtoffer] en haar omgaan met relaties

- waaronder verdachte - en de tenlastegelegde diefstal op 22 juli 2008.

De officier van justitie is primair van oordeel dat de mailwisseling niet relevant is voor enig in het kader van deze strafzaak door de rechtbank te beantwoorden vraag.

De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde emailwisseling in een te ver verwijderd verband staat tot het tenlastegelegde, terwijl de rechtbank overigens niet is gebleken van enig belang in het kader van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek zal daarom als niet in strijd met het verdedigingsbelang worden afgewezen.

Bevel d.d. 12 december 2008 spoedtap/stealth-plaatsing

De raadsman heeft verzocht om toevoeging aan het strafdossier van het bevel van de (piket)officier van justitie Kooi tot het plaatsen van een spoedtap en stealth-plaatsing.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat er terzake die spoedtap en stealth-plaatsing geen bevel van de (piket) officier van justitie Kooi voorhanden is, omdat deze maatregelen hebben plaatsgevonden in het kader van hulpverlening en derhalve geen bevel noodzakelijk is.

De raadsman heeft op dit punt ingestemd met het voorstel van de officier van justitie om genoemde (piket) officier daarover een proces-verbaal van bevindingen te laten opmaken. De rechtbank zal daartoe de stukken in handen stellen van de officier van justitie.

Aanvullende vragen naar aanleiding van beantwoording vragen toxicoloog

Door de raadsman is opheldering gevraagd aan de officier van justitie met betrekking tot de vraag waarom geen femoraal bloed is afgenomen van [slachtoffer] c.q. geschikt onderzoeksmateriaal is veiliggesteld. Dit in verband met de brief van de toxicoloog dr. Verschraagen van 27 november 2009, waaruit voortvloeit dat er geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van evt. anticonceptiva in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] omdat er geen geschikt onderzoekmateriaal is veiliggesteld. Het NFI is daardoor niet in staat de gevraagde onderzoeken uit te voeren. De raadsman wil van de toxicoloog weten welk instituut /laboratorium wel in staat is een dergelijk onderzoek te verrichten. De raadsman is van oordeel dat het anticonceptiegebruik van [slachtoffer] relevant is voor de beoordeling van deze strafzaak.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de raadsman uit het oog lijkt te verliezen dat het stoffelijke overschot van [slachtoffer] ruim drie maanden na haar vermissing is aangetroffen en het afnemen van femoraal bloed dan geen standaardprocedure meer is. Vast staat in ieder geval dat er geen femoraal bloed is afgenomen.

De rechtbank heeft op 9 september 2009 - aangezien de officier van justitie zich niet had verzet tegen een toewijzing van de door de raadsman geformuleerde onderzoeksvraag - de stukken in handen gesteld van de officier van justitie, teneinde aan de toxicoloog, de apotheker dr. M. Verschraagen een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze onderzoeksvraag, gericht op het gebruik van anticonceptiva door [slachtoffer], niet is gebleken van enig belang in het kader van de door de rechtbank te beantwoorden vragen ex de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Verzoek ouders [slachtoffer] via OvJ

De raadsman heeft zich verzet tegen het verzoek van de ouders van [slachtoffer] om toevoeging aan het strafdossier van twee dvd's, één betreffende een documentaire van de EO en één betreffende een bezoek van de ouders aan Uganda, aangezien daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt.

Het is de rechtbank bekend dat er een wetsvoorstel aanhangig is ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, welk wetsvoorstel vermoedelijk in de loop van 2010 in werking zal treden. Op dit moment is er geen wettelijke basis om stukken van nabestaanden aan het strafdossier toe te voegen anders dan in de zin van de benadeelde partij en in het kader van het spreekrecht (schriftelijke slachtofferverklaring). Op dit moment is evenmin bekend welke vorm van overgangsrechtbij de invoering van deze wet van toepassing zullen zijn. Als bijvoorbeeld in het kader van het overgangsrecht bepaald zou worden dat de nieuwe wet geldt voor zaken waarin de vervolging aanvangt na de inwerkingtreding van die wet, ligt de zaak anders dan wanneer de nieuwe bepalingen onmiddellijke werking zouden hebben.

Vooralsnog kan het via de officier van justitie door de ouders van [slachtoffer] gedane verzoek dan ook niet worden beoordeeld.

In het verlengde hiervan ligt dat ook het hieraan gekoppelde conditioneel verzoek van de raadsman op dit moment nog niet beoordeeld kan worden.

Psychiatrisch tegenonderzoek

De raadsman heeft in een vroegtijdig stadium reeds aangegeven een psychiatrisch

(tegen-)onderzoek te wensen, zodra de rapportage van het PBC omtrent verdachte voorhanden is. Vanuit de verdediging is daarvoor prof. dr G. Glas benaderd.

Door de officier van justitie is onder meer gesteld dat zij niet kan inschatten of de voorgestelde deskundige voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een deskundige in het kader van de Wet deskundige in strafzaken worden gesteld.

De rechtbank zal de stukken in het kader van het door de raadsman gevraagde tegenonderzoek in handen stellen van de rechter-commissaris, zulks ter verdere beoordeling van de rechter-commissaris.

Tijdspad inhoudelijke behandeling

Ter terechtzitting heeft de rechtbank aangegeven een tijdspad te willen bepalen met het oog op de inhoudelijke behandeling van de zaak, met het verzoek aan de raadsman om ruim voordien zijn verhinderdata op te geven.

Gelet op het psychiatrisch tegenonderzoek en de tijd die daar naar verwachting mee zal zijn gemoeid, ontkomt de rechtbank er op dit moment niet aan om het onderzoek te schorsen voor onbepaalde tijd.

Beslissing

De rechtbank:

* heropent het onderzoek;

* stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, ten behoeve van de benoeming van een deskundige met het oog op het door de raadsman verzochte tegenonderzoek;

* stelt de stukken in handen van de officier van justitie opdat door de (piket)officier van justitie Kooi een proces-verbaal van bevindingen wordt opgemaakt omtrent de spoedtap en stealth-plaatsing;

* wijst de overige verzoeken af;

* schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, maar niet langer dan drie maanden na heden. De klemmende redenen dat de schorsing langer dan één maand is, is gelegen in de tijdsduur die gemoeid zal zijn met de door de deskundige over verdachte uit te brengen (tegen)rapportage en het zittingsrooster van de rechtbank.

* de rechtbank beveelt de oproeping van verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting, met kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Prisse en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2009.

Eindnoten

1 Notities inzake [verdachte]/OM (kenmerk 09.199-P)