Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK6493

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
14-12-2009
Zaaknummer
09/1555 Wob
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek tot openbaarmaking van de 10 bijlagen bij het EVOA-kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op heroverweging van verweerder vooruit te lopen nu het bij wijze van voorolopige voorziening openbaar maken van stukken een vergaande maatregel is, die tot een onomkeerbare situatie leidt en zou neerkomen op een definitieve beslechting van het geschil wat die stukken betreft.

Voorts zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen derde-belanghebbenden aan te merken.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/112 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 09/1555 Wob

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[bedrijf A] BV

te [plaats],

verzoekster,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover van belang, besloten gevolg te geven aan het Wob-verzoek van verzoekster om openbaarmaking van de bijlagen bij EVOA-kennisgeving NL201867, met uitzondering van de naam van de geplande transporteur, het contract tussen [bedrijf B] en [bedrijf C], de bankgarantie, het afzetcontract en de lijst van transporteurs.

Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Bij brief van 2 november 2009 heeft Essent Milieu BV (hierna: Essent) zich als derde partij gesteld. Bij brief van 3 november 2009 heeft mr. M.R. Kooi, advocaat te Rotterdam, zich namens de geplande transporteur als derde partij gesteld

Bij brief van 4 november 2009 heeft verzoekster toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 november 2009, waar namens verzoekster is verschenen G. Draaijer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Amerongen en mr. J.J. Teeninga.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2 Verzoekster heeft op 13 december 2005 een overeenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van Essent, waarbij aan verzoekster exclusiviteit is verleend terzake van het bepalen van een verwerker voor de van die rechtsvoorganger afkomstige afvalstromen.

Op 16 september 2009 heeft verzoekster conservatoir derden beslag gelegd op banktegoeden van Essent, aangezien Essent volgens verzoekster via de firma [bedrijf B] rechtstreeks afval heeft geleverd aan een door verzoekster aangeleverde firma, [bedrijf D] te [plaats] (Polen) (hierna: de cementfabriek), als gevolg waarvan verzoekster meent jegens Essent aanspraak te kunnen maken op de overeengekomen fee van € 23.400.000,00.

Verzoekster heeft verzocht om openbaarmaking van de 10 bijlagen bij het EVOA-kennisgevingsdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging, nr. NL201867, zoals dat op 8 november 2007 bij [bedrijf D] (Uitvoering Afvalbeheer) is ingediend door

[bedrijf B], teneinde in een civiele procedure tegen Essent te kunnen onderbouwen dat het afval naar de betreffende cementfabriek in Polen is gegaan.

Bij besluit van 25 september 2009 heeft verweerder, voor zover van belang, besloten gevolg te geven aan het Wob-verzoek van verzoekster, met uitzondering van bijlagen 2 ( het contract tussen [bedrijf B] en [bedrijf C]), bijlage 3 (bankgarantie), bijlage 4 (afzetcontract tussen [bedrijf C] en de cementfabriek in Polen ) en bijlage 8 (de lijst van transporteurs, waaronder de naam van de geplande transporteur).

2.3 Verweerder heeft ter zitting allereerst de ontvankelijkheid van het bezwaar in twijfel getrokken.

De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat verzoekster bij e-mailbericht van 28 september 2009 haar bezwaren aangaande het bestreden besluit aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Daarop heeft verweerder – eveneens – bij e-mailbericht verzocht om schriftelijke indiening van het bezwaarschrift. Bij brief van 1 oktober 2009 is door verweerder verzocht om een origineel ondertekend bezwaarschrift vóór het einde van de bezwaartermijn. Dit verzoek heeft verweerder, na een op 6 oktober 2009 ontvangen fax-bericht van verzoekster, op 8 oktober 2009 herhaald. Op 28 oktober 2009 heeft verweerder een ondertekend schrijven d.d. 27 oktober 2009 ontvangen, waarin verzoekster aangeeft het verzuim met betrekking tot het bezwaarschrift van 28 september 2009, gericht tegen het besluit van 25 september 2009, te herstellen.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster het door verweerder aangegeven verzuim op 28 oktober 2009, derhalve binnen de door verweerder gestelde termijn, heeft hersteld. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat het op 28 oktober 2009 ontvangen bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat, had het in de reden gelegen dat verzoekster door verweerder op dit verzuim was gewezen. De voorzieningenrechter laat dan nog daar dat verweerder reeds over die gronden beschikte in de vorm van het e-mailbericht van 28 september 2009, en verzoekster in het bezwaarschrift van 27 oktober 2009 expliciet naar dat e-mailbericht verwijst.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen redenen op grond waarvan verweerder in redelijkheid gebruik zou kunnen maken van de in artikel 6:6 van de Awb vervatte bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4 Gelet op het verhandelde ter zitting heeft het verzoek om een voorlopige voorziening uitsluitend betrekking op de stukken waarin de naam van de cementfabriek te Polen (in het kader van de EVOA aangeduid als ‘definitieve inrichting voor nuttige toepassing’) is vermeld. De voorzieningenrechter stelt vast dat in dat geval uitsluitend de openbaarmaking van het afzetcontract (bijlage 4) bij de EVOA-kennisgeving in geding is, nu de naam van de betreffende cementfabriek in de overige bijlagen niet wordt genoemd.

2.5 In verband hiermee is de voorzieningenrechter allereerst van oordeel dat de geplande transporteur niet als derde belanghebbende in dit geding is aan te merken, nu diens naam niet voorkomt in bijlage 4, en ook anderszins niet gebleken is van enig belang van de geplande transporteur bij openbaarmaking van de betreffende bijlage. Ten aanzien van Essent is de voorzieningenrechter eveneens van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks belang bij het besluit, voorzover daarbij openbaarmaking van bijlage 4 in het geding is. Dat verzoekster van plan is de bewuste bijlage te gebruiken in een civiele procedure jegens Essent maakt dit niet anders.

2.6 Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in artikel 10, waarin de absolute en de relatieve uitzonderingsgronden op het uitgangspunt van openbaarheid zijn opgenomen.

In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het bedrijfs- en fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

In het vierde lid van dit artikel is – voor zover hier van belang – bepaald dat in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege blijft voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van het afzetrapport.

Met betrekking tot de openbaarmaking van (uitsluitend) de naam van de cementfabriek als definitieve inrichting voor nuttige toepassing heeft verweerder allereerst overwogen dat die in het kader van een eerder Wob-verzoek reeds aan verzoekster is verstrekt en die naam daarmee openbaar is, zodat verweerder niet nogmaals hoeft over te gaan tot verstrekking van de naam.

De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat de door verzoekster gewenste openbaarmaking van het afzetcontract dient te worden onderscheiden van de enkele openbaarmaking van de naam van de betreffende cementfabriek.

Naar tussen partijen niet in geding is bevat dit (in de Poolse taal opgestelde) afzetcontract milieu-informatie, zodat op grond van artikel 10, vierde lid van de Wob in afwijking van artikel 10, eerste lid en onder c, openbaarmaking uitsluitend achterwege blijft voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de contractuele gegevens als vertrouwelijke bedrijfsinformatie in de zin van artikel 10, eerste lid onder c, van de Wob zijn te beschouwen, waarbij openbaarmaking de concurrentiepositie van de betrokken bedrijven ernstig kan schaden. Het belang van openbaarmaking van deze gegevens weegt volgens verweerder niet op tegen het belang van partijen bij geheimhouding.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat er naar vaste rechtspraak alleen sprake is van vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van genoemd artikellid indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt.

Vastgesteld moet worden dat de reeds openbare informatie omtrent het betreffende afvaltransport inzicht geeft in onder meer de identiteit van de afvalproducent (Essent) en de ontvanger ([bedrijf C]). Voorts is de identiteit van de uiteindelijke cementfabriek, zoals die in het afzetcontract staat vermeld, door verweerder ook reeds openbaar gemaakt. Gelet hierop hebben noch [bedrijf C], noch de uiteindelijke cementfabriek, nog belang bij geheimhouding van het afzetcontract, voor zover daaruit blijkt dat beide ondernemingen met betrekking tot de verwerking van het afval met elkaar hebben gecontracteerd.

Bij gebreke aan een vertaling van het in de Poolse taal opgestelde afzetcontract is voorts voor de voorzieningenrechter niet met zekerheid na te gaan of daarin sprake is van vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van wetenswaardigheden met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces. Bijgevolg is thans evenmin na te gaan in hoeverre verweerder gevolgd kan worden in de door hem in het kader van artikel 10, vierde lid, Wob op dit punt gemaakte belangenafweging.

Voor zover er echter in bijlage 4 al sprake zou zijn van zodanige vertrouwelijke gegevens omtrent de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dat verweerder daarbij in redelijkheid de belangen van de betrokken bedrijven zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de openbaarheid, is de voorzieningenrechter er vooralsnog niet van overtuigd dat sprake is van zodanige verwevenheid van die gegevens met de door verzoekster in het bijzonder gewenste informatie omtrent de contracterende partijen, welke informatie in het bijzonder blijkt uit de aanhef, uit § 1, en uit de ondertekening van het betreffende afzetcontract, dat het voor verweerder niet mogelijk zou zijn om van het afzetcontract een ingekorte, dat wil zeggen: een van vertrouwelijke gegevens omtrent de technische bedrijfsvoering of het productieproces ontdane, versie te verstrekken. Verweerder zal hier in het kader van de door hem te nemen beslissing op bezwaar expliciet aandacht aan dienen te schenken.

2.7 De voorzieningenrechter ziet thans evenwel geen aanleiding op die heroverweging van verweerder vooruit te lopen. Hierbij is van belang dat het bij wijze van voorlopige voorziening openbaar maken van stukken een vergaande maatregel is, die tot een onomkeerbare situatie leidt. Openbaarmaking van stukken zou immers neerkomen op een definitieve beslechting van het geschil wat die stukken betreft.

Uit hetgeen verzoekster heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat er op dit moment nog sprake is van een zodanige acute noodzaak tot openbaarmaking dat verzoekster de beslissing op haar bezwaarschrift, die blijkens het verhandelde ter zitting medio december 2009 valt te verwachten, niet af kan wachten.

Gelet hierop zal het verzoek worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 november 2009.