Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK5875

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
09/1417
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het dwangsombesluit en de weigering om vergunning te verlenen voor het reclamebord (aan de Zutphen-Emmerikseweg, afslag Wolfsstraat in Toldijk) berusten niet op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn daarom gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 09/1417

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Toldijk,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2009 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een vergunning te verlenen voor de plaatsing van het reclamebord aan de Zutphen-Emmerikseweg, afslag Wolfsstraat in Toldijk.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 19 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft G.W. van der Bend, te Zelhem, beroep ingesteld. Verweerder heeft de gedingstukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is met instemming van partijen versneld – gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening met reg.nr.: 09/1401 – behandeld ter zitting van 24 november 2009, waar eiser is verschenen, bijgestaan door Van der Bend. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Heringa.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Bronckhorst 2008 (hierna: de verordening) is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

Ingevolge het vijfde lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Ingevolge artikel 4.4.2, eerste lid, van de verordening is het verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

Ingevolge het vijfde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

b. in het belang van de verkeersveiligheid;

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

2.2. In de door verweerder vastgestelde beleidsnota “Permanente reclame” van juni 2008 (hierna: beleidsnota) is in onderdeel 5.4 Buitengebied, voor zover hier van belang, vermeld dat in het buitengebied in beginsel alle reclameborden als ontoelaatbaar worden aangemerkt. Een bij uitzondering toelaatbaar reclamebord moet in beginsel binnen een straal van 20 m rond de hoofdingang worden geplaatst. Indien een onderneming vanaf de weg niet zichtbaar is, kan een uitzondering worden gemaakt op deze straal tot 75 m. De rechtbank heeft in wat eiser heeft betoogd geen aanknopingspunten gevonden om (onderdeel 4 van) de – ook als beleidskader voor welstandsbeoordeling op grond van de Woningwet dienende – beleidsnota onverbindend te achten.

2.3. Het in geding zijnde platte reclamebord van 120 bij 122 cm is geplaatst ter vervanging van een teloor gegaan reclameobject, dat eerder door de voormalige gemeente Steenderen tijdelijk werd gedoogd. Het reclamebord is geplaatst in het buitengebied bij Toldijk op de hoek Wolfsstraat / Zutphen-Emmerikseweg, op een afstand van ca. 4,5 m van de wegrand waar de berm overgaat in een greppel.

2.4. Niet in geschil is dat de plaatsing van het reclamebord niet is aan te merken als bouwen als bedoeld in de Woningwet. Evenmin is in geschil dat eiser het reclamebord heeft geplaatst zonder de daartoe op grond van artikel 4.4.2, eerste lid, van de verordening vereiste vergunning. De plaats van het reclamebord valt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser heeft betoogd, binnen de – ruime – reikwijdte van het in artikel 1.1, onder a, van de verordening omschreven begrip weg. De conclusie is dat het reclamebord ook is geplaatst zonder de daartoe op grond van de artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de verordening vereiste vergunning.

2.5. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft verweerder geweigerd om aan eiser vergunningen als bedoeld in de artikelen 2.1.5.1 en 4.4.2 van de verordening te verlenen voor de plaatsing van het reclamebord, omdat het op een afstand van ca. 500 m – en dus meer dan de op grond van de beleidsnota maximaal toelaatbare afstand van 75 m van de hoofdingang van de onderneming van eiser – is geplaatst.

2.6. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit, waarbij de weigering om de gevraagde vergunning voor de plaatsing van reclamebord te verlenen in stand is gelaten, niet berust op een deugdelijke motivering, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de beleidsnota en het verhandelde ter zitting is niet inzichtelijk geworden op welke van de in de artikelen 2.1.5.1, vijfde lid, en 4.4.2, vijfde lid, van de verordening limitatief opgesomde weigeringsgronden de in de beleidsnota vermelde maximaal toelaatbare afstand van 75 m is terug te voeren. Niet valt in te zien dat de eis in het belang van de verkeersveiligheid in de beleidsnota is opgenomen, zoals door verweerder ter zitting desgevraagd aangegeven. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat de eis niet is terug te voeren op de weigeringsgronden met betrekking tot welstand. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. Niet gebleken is dat eiser proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.9. Ter voorlichting van partijen wordt nog het volgende opgemerkt. In de overwegingen 2.2. tot en met 2.4. zijn beroepsgronden van eiser uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Eiser heeft hier dus ongelijk gekregen. Als hij wil voorkomen dat de uitspraak op dit punt komt vast te staan, moet hij tegen deze overwegingen van de uitspraak hoger beroep instellen.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.