Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK4383

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
06/460659-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het steken van slachtoffer A. Hij wordt echter wel veroordeeld voor openlijk geweld tegen beide slachtoffers. Mede gelet op het tijdsverloop acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 60 uur op passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460659-06

Uitspraak d.d.: 25 november 2009

tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats] op [1987],

wonende te [adres en plaats].

Raadsman: mr. B.J. Sanders, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 11 november 2009.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging, nu het openbaar ministerie heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn een kennisgeving van verdere vervolging aan verdachte te betekenen, dan wel hem te dagvaarden.

Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit gelet op het tijdsverloop tussen de dag waartegen verdachte oorspronkelijk was gedagvaard

(13 juni 2008) en de zitting van 11 november 2009.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het primair aangevoerde op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor de zitting van 13 juni 2008 gezien dient te worden als een kennisgeving van verdere vervolging en dat het verweer daarom in zoverre niet kan slagen. Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie een te vergaande conclusie is, maar dat hij bij de te formuleren strafeis rekening zal houden met het tijdsverloop.

De rechtbank merkt ten aanzien van het primair gevoerde verweer op dat art. 244 Sv het openbaar ministerie opdraagt verdachte na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek binnen de daartoe gestelde termijn nadere informatie te verschaffen over de afwikkeling van de zaak. Het openbaar ministerie heeft, door verdachte te dagvaarden tegen de zitting van 13 juni 2008 - welke dagvaarding in persoon aan verdachte is betekend - verdachte binnen de door de rechtbank gestelde termijn ervan in kennis gesteld tot verdere vervolging over te gaan. Het verweer van de raadsman kan derhalve niet slagen.

Subsidiair is namens verdachte aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, aangezien sinds de dag waartegen verdachte oorspronkelijk was gedagvaard (13 juni 2008) zeventien maanden zijn verstreken, hetgeen niet als 'zo spoedig mogelijk dagvaarden' in de zin van art. 253 Sv kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat genoemd tijdsverloop langer is geweest dan wenselijk, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van openbaar ministerie. Wel zal de rechtbank bij een eventuele straftoemeting rekening houden met dit tijdsverloop.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 december 2006, te Zutphen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te

beroven, met dat opzet

-die [slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met een (vlinder)mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp, in de nabijheid van een oog en/of in/op het

gezicht, althans in het hoofd, heeft gestoken en/of gestoten en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 02 december 2006, te Zutphen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A]

- meermalen, althans eenmaal, met een (vlinder)mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, in de nabijheid van een oog en/of in het gezicht en/of in/op

het hoofd heeft gestoken en/of gestoten en/of gesneden en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een (vlinder) mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, in de (onder)arm heeft gestoken en/of gestoten en/of

gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 02 december 2006, te Zutphen, met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Oude Wand, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld

bestond uit het achtervolgen, althans achterna lopen, van die [slachtoffer A] en/of het

roepen om die [slachtoffer A] te gaan pakken en/of het lopen/rennen naar, althans in de

richting van die [slachtoffer A] en/of uit het omsingelen van die [slachtoffer A] en/of slaan

en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen van/tegen die [slachtoffer A]

en/of het steken en/of stoten en/of snijden met een (vlinder)mes, althans met

een scherp en/of puntig voorwerp, in de nabijheid van het oog van die [slachtoffer A]

en/of in het gezicht en/of in/op het hoofd en/of in de (onder)arm, waarbij

hij, verdachte, die [slachtoffer A] met een (vlinder)mes, althans met een scherp en/of

puntig voorwerp, in de nabijheid van het oog van die [slachtoffer A] en/of in het

gezicht en/of in/op het hoofd en/of in de (onder)arm heeft gestoken en/of

gestoten en/of gesneden en/of heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt

en/of getrapt, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een

of meer steekwond(en)), althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer A] ten

gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 december 2006, te Zutphen, aan [slachtoffer B]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus), heeft toegebracht,

door deze [slachtoffer B] opzettelijk (met kracht) op/tegen de neus, althans

in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 02 december 2006, in de gemeente Zutphen, met een ander of

anderen, op of aan de openbare weg, de Oude Wand, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit:

- het gewelddadig aanvallen en/of achterna lopen en/of omsingelen en/of

aanvallen van die [slachtoffer B] en/of

- het (met kracht) slaan/stompen op/tegen de neus, althans in/op/tegen het

gezicht, van die [slachtoffer B] en/of

- het meermalen, althans eenmaal, (met kracht) schoppen tegen de schouder

en/of de arm, althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer B],

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer B] met kracht op/tegen de neus, althans

in/op/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt, en welk door hem gepleegd

geweld zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus), althans enig lichamelijk

letsel voor die [slachtoffer B] ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het medeverdachte [medeverdachte A] is geweest die [slachtoffer A] met een mes heeft gestoken en verdachte dient derhalve van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Het onder 1 meer subsidiair kan bewezen worden op grond van onder andere de verklaringen van verdachte, aangever [slachtoffer A] en medeverdachte [medeverdachte D].

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, nu geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer B]. Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden, op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van [medeverdachte E], [medeverdachte D], [medeverdachte C] en aangever [slachtoffer B].

B. Standpunt van verdachte

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer A] heeft gestoken. Met betrekking tot het onder 2 meer subsidiair heeft de raadsman gesteld dat geen sprake is van openlijk geweld: er is wel wettig bewijs, maar geen overtuigend bewijs. Verdachte heeft zich niet bij de groep gevoegd om openlijk geweld te plegen en hij heeft getracht zich te distantiëren, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde is de raadsman van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman hetzelfde als het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde aangevoerd.

C. Beoordeling door de rechtbank

Algemene overwegingen

Op 2 december 2006 heeft aangever [slachtoffer A] in [café] in Zutphen een gesprek met verdachte.2 Na sluitingstijd van [café] loopt een groep jongens met [verdachte B] naar de shoarmazaak [shoarmazaak] aan de [adres]. De groep bestaat uit: verdachte en medeverdachten [medeverdachte A], [naam], [medeverdachte C], [medeverdachte E] en [medeverdachte D].3 Aangever [slachtoffer A] loopt -achter de groep van [verdachte B]- samen met o.a. [getuige A], [getuige B] en [slachtoffer B] ook richting [shoarmazaak]. Bij [shoarmazaak] krijgt [slachtoffer A] woorden met iemand uit de groep [verdachte B] en iemand uit die groep geeft [slachtoffer A] een vuistslag. Iemand uit de groep van [verdachte B] steekt [slachtoffer A] met een mes althans een scherp voorwerp. De arts heeft vastgesteld dat er bij [slachtoffer A] sprake is van steekwonden op het hoofd, in het gezicht en in de rechteronderarm.4 [slachtoffer B] is in zijn gezicht geslagen als gevolg waarvan zijn neus mogelijk is gebroken en terwijl hij op de grond lag, is hij geschopt.5

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Aangever [slachtoffer A] heeft verklaard dat hij met een paar vrienden richting [shoarmazaak] liep. Aldaar kwamen ze het groepje vrienden van verdachte tegen. Ze liepen eerst voor de groep van [slachtoffer A], maar toen zij hen gezien hadden, kwamen ze terug lopen in zijn richting.6

[medeverdachte A] heeft voorgesteld om [slachtoffer A] te pakken.7 [medeverdachte D] heeft bevestigd dat hij heeft gehoord dat iemand uit de groep zei: "Nu pakken we hem".8 [medeverdachte D] hoorde dat vier jongens uit de groep daarmee instemden.9 [medeverdachte A] heeft verklaard dat het goed mogelijk zou zijn dat tijdens de wandeling naar [shoarmazaak] het idee naar voren is gekomen om [slachtoffer A] te pakken.10 [medeverdachte D] heeft verklaard dat [medeverdachte A], [naam], [medeverdachte E] en verdachte terug renden in de richting van de jongen.11 De jongen liep achteruit en werd door [medeverdachte A], [naam] en verdachte opgejaagd.12

[slachtoffer A] kreeg een vuistslag in zijn gezicht, als gevolg waarvan aangever pijn ondervond.13 Op dat moment kwamen meerdere jongens om [slachtoffer A] heen staan.14 Getuige [slachtoffer B] heeft verklaard dat de jongens in een halve maan om hen heen stonden.15 Medeverdachte [medeverdachte E] heeft verklaard dat verdachte en hij genoeg hadden van de uitdagingen van [slachtoffer A] en dat zij in zijn richting liepen.16 Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer A] heeft weggeduwd.17 Een jongen uit de groep van verdachte -met lang haar- trok een mes en stak [slachtoffer A] meermalen.18 De rechtbank verwijst naar haar vonnis inzake medeverdachte [medeverdachte A] (parketnummer 06/460655-06) met betrekking tot haar oordeel dat [medeverdachte A] de persoon is geweest die [slachtoffer A] heeft gestoken.

Gelet op het hiervoor overwogene deelt de rechtbank het oordeel van de raadsman en de officier van justitie dat verdachte niet de persoon is geweest die [slachtoffer A] heeft gestoken. Om die reden zal de rechtbank verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is van openlijk in vereniging gepleegd geweld. Cliënt heeft deel uitgemaakt van de groep, maar ook zélf handelingen verricht jegens [slachtoffer A], hetgeen hij overigens ook zelf heeft verklaard. Het is de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zich wilde distantiëren. Het verweer van de raadsman slaagt niet en wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Aangever [slachtoffer B] heeft verklaard dat hij op 2 december 2009 op de Oude Wand te Zutphen door meerdere jongens is geslagen en geschopt.19 Bij [shoarmazaak] kwam een groep onbekende mannen op hem en [slachtoffer A] af. De groep ging als een halve maan om hen heen staan.20 Een man uit de groep trok een mes en maakte een stekende beweging richting [slachtoffer B].

Aangever pakte hierop een fiets en gooide die richting [verdachte B]. [slachtoffer B] rende weg en wilde de shoarmazaak invluchten, maar dat lukte niet en hij zag dat de groep mannen achter hem aan was gekomen.21 Aangever wilde wegrennen, maar hij kreeg de kans niet. Hij werd op zijn gezicht geslagen. Na die klap is [slachtoffer B] gevallen en toen hij op de grond lag, werd hij tegen zijn rechterschouder en -arm geschopt. Aangever probeerde overeind te komen, maar dat lukte niet omdat hij opnieuw werd geschopt.22 Uit de medische gegevens blijkt dat [slachtoffer B] mogelijk een gebroken neus heeft alsmede schouderklachten.

[slachtoffer B] heeft verdachte herkend als de persoon die hem heeft gestompt.23

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer B] heeft gestompt in zijn gezicht. Voorts heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat medeverdachte [medeverdachte E] [slachtoffer B] heeft geschopt terwijl deze op de grond lag. [medeverdachte E] heeft verklaard dat hij [slachtoffer B] tegen zijn bovenbeen heeft geschopt.24 Op het moment dat [slachtoffer B] overeind probeerde te komen, schopte hij hem.25 [medeverdachte E] heeft gezien dat [verdachte B] [slachtoffer B] met zijn vuist in zijn gezicht stootte.26 Getuige [medeverdachte D] heeft gezien dat [verdachte B] met zijn vuist naar [slachtoffer B] uithaalde.27

Getuige [getuige B] heeft gezien dat die hele groep jongens op [slachtoffer B] afliep en meerdere jongens uit die groep hem sloegen en schopten.28

[medeverdachte C] heeft verklaard dat de jongen die de fiets gooide bij [shoarmazaak] naar binnen wilde. Dat lukte niet, omdat de deur dicht zat. [medeverdachte E] en verdachte zijn op die jongen afgegaan en [medeverdachte C] zag "dat er vuisten door de lucht gingen".29

Het hiervoor vermelde in aanmerking genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu geen sprake is van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van de genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer B] heeft omsingeld en hem achterna is gerend. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte zich wilde distantiëren en derhalve is zij van oordeel dat naast wettig bewijs, eveneens voldoende overtuigend bewijs is. De rechtbank verwerpt het verweer en acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten dat verdachte samen met [medeverdachte E] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B].

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 (meer subsidiair)

hij op 2 december 2006 te Zutphen met een ander op of aan de openbare weg, de Oude Wand,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit het achtervolgen van die [slachtoffer A] en het roepen om die [slachtoffer A] te gaan pakken en het lopen/rennen naar die [slachtoffer A] en uit het omsingelen van die [slachtoffer A] en slaan

en stompen en duwen van/tegen die [slachtoffer A] en het steken met een vlindermes in de nabijheid van het oog van die [slachtoffer A] en in het gezicht en in/op het hoofd en in de onderarm.

2 (subsidiair)

hij op 2 december 2006, in de gemeente Zutphen met een ander, op of aan de openbare weg, de Oude Wand, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit:

- het achterna lopen en omsingelen en aanvallen van die [slachtoffer B] en

- het met kracht slaan/stompen op/tegen de neus van die [slachtoffer B] en

- het meermalen, althans eenmaal, met kracht schoppen tegen de schouder en de arm van die [slachtoffer B],

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer B] met kracht op/tegen de neus heeft geslagen/gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer B] ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1 (meer subsidiair)

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2 (subsidiair): openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de

schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

1. De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van één jaar. Tevens heeft hij een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis gevorderd met aftrek van voorarrest.

2. Door en namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit geen voorwaardelijke gevangenisstraf en een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist op te leggen.

3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte betrokken is geweest bij een geweldsincident aan de openbare weg. De omstandigheid dat de groep van verdachte zich tegen de groep van aangever heeft gekeerd, is een omstandigheid die voor de betrokkenen zeer beangstigend is geweest. Een dergelijk incident kan daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust zorgen. Mensen dienen zich op straat veilig te voelen.

Het gemak waarmee medeverdachte meermalen stekende bewegingen met een mes heeft gemaakt en daarbij aangever heeft verwond is een kwalijke zaak. Verdachte wist dat zijn medeverdachte vaker een mes op zak had. De omstandigheid dat gestoken is, wordt aan verdachte in mindere mate toegerekend dan aan medeverdachte [medeverdachte A], omdat het niet verdachte was die heeft gestoken. Verdachte en zijn vriendengroep zijn achter aangevers aangelopen en hebben hen omsingeld.

4. De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Evenmin is gebleken dat verdachte zich na 2 december 2006 heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

5. Gezien het tijdsverloop en het huidige blanco justitiële documentatie op het gebied van geweldsdelicten acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Mede gelet op de straf die aan medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte E] is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis passend is.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.419,14, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.075,--, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [slachtoffer A] tot een bedrag van € 3.205,-- vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat hij de genoemde post loonderving onvoldoende onderbouwd acht. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk verklaard te worden. De vordering van [slachtoffer B] kan naar het oordeel van de officier van justitie tot het gevorderde bedrag worden toegewezen.

De raadsman heeft primair afwijzing van de vorderingen van [slachtoffer A] en [slachtoffer B] bepleit, nu hij vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit. Subsidiair heeft hij niet-ontvankelijk bepleit van de vordering van [slachtoffer A] omdat de loonsderving onvoldoende onderbouwd is en de gevorderde immateriële schade geen recht doet aan de situatie. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer B] heeft hij bepleit dat de vordering tot een bedrag van € 412,-- kan worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De benadeelde partij [slachtoffer A] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Het is de rechtbank niet volledig duidelijk geworden of sprake is van een causaal verband tussen het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte en het ontstane letsel bij [slachtoffer A]. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer B] als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering wordt ten aanzien van de gevorderde materiële schade geheel toegewezen

(€ 325,--) en de gevorderde immateriële schade kan op dit moment geschat worden op een bedrag van € 375,--. De vordering wordt tot een bedrag van € 700,-- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2006. Wat betreft het meer of anders gevorderde wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte is voor de schade van [slachtoffer B] -naar burgerlijk recht- hoofdelijk aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op artikelen 22c, 22d, 27, 36f, 55, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 (meer subsidiair)

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2 (subsidiair): openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in haar vordering;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer B], [adres, plaats] (gironummer [nummer]) van een bedrag van € 700,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2006 en vermeerderd met de betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] (voornoemd), een bedrag te betalen van € 700,--, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 14 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan deze benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, Troost en Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 november 2009.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0631/06-209366, gesloten en getekend door [naam], brigadier van politie team Zutphen op 22 januari 2007.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 179).

3 Zie o.a. proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 137).

4 Een schriftelijk bescheid inhoudende medische gegevens van [slachtoffer A] (pagina 186), foto's van het letsel (pagina 203-205) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 181).

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 261).

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 180).

7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E] (pagina 43).

8 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte D] (pagina 106).

9 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte D] (pagina 106).

10 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte A] (pagina 137).

11 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte D] (pagina 106).

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte D] (pagina 112).

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 180).

14 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 180).

15 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 261).

16 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E] (pagina 37).

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 77).

18 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 180 en 181).

19 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 261).

20 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 261).

21 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 261).

22 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 262).

23 Proces-verbaal van spiegelconfrontatie (pagina 266).

24 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E] (pagina 37).

25 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E] (pagina 44).

26 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E] (pagina 44).

27 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte D] (pagina 107).

28 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (pagina 236).

29 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte C] (pagina 175).