Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK4206

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
102240 - HA RK 09-25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens. Letselschadeslachtoffer wenst inzage in het door de verzekeraar van de wederpartij over haar aangelegde (medisch) dossier. Dat inzagerecht geldt wel voor onder meer de brieven van de verzekeraar waarbij persoonsgegevens van het slachtoffer aan de advocaat/advocaten zijn toegestuurd, maar niet voor de overige correspondentie tussen verzekeraar en eigen advocaat, interne notities en werkaantekeningen van de medisch adviseur.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/83
JA 2010/84 met annotatie van A. Wilken

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rekestnummer: 102240 / HA RK 09-25

Beschikking van 8 oktober 2009

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verblijvende te [adres] ([land]),

verzoekster,

gemachtigde: [gemachtigde] te ([land])

en

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

handelende onder de naam CENTRAAL BEHEER ACHMEA,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster,

gemachtigde mr. A.C. den Hartog te Amsterdam.

Verzoekster zal hierna [verzoekster] worden genoemd. Verweerster zal hierna Centraal Beheer worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoekster] dat op 16 april 2009 ter griffie is binnengekomen

- het verweerschrift van Centraal Beheer

- de aantekeningen van de griffier van de op 28 mei 2009 gehouden mondelinge behandeling, waaruit blijkt dat ter terechtzitting zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van [verzoekster] en mr. A.C. den Hartog namens Centraal Beheer en dat ter zitting zijn overgelegd de pleitnota van [verzoekster] en de pleitnota van Centraal Beheer

- de akte houdende uitlating van Centraal Beheer

2. De feiten

2.1. Op 25 september 1989 heeft [verzoekster] een medische ingreep ondergaan in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis te Amsterdam, hierna: het SLAZ. De ingreep werd verricht door [naam], hierna: [naam].

2.2. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat [naam] ten opzichte van haar een medische fout heeft gemaakt waardoor zij onder meer arbeidsongeschikt is geraakt. [verzoekster] heeft [naam] aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van deze fout geleden schade en nog te lijden schade.

2.3. [naam] is als arts (mede-)verzekerde onder de aansprakelijkheidsverzekering die het SLAZ destijds bij Centraal Beheer heeft afgesloten.

2.4. Op 4 oktober 1994 heeft [verzoekster] een Akkoord Verklaring ondertekend (productie 5 van [verzoekster]). Deze verklaring luidt, voor zover relevant:

"(…)

Ondergetekende gaat er mee akkoord, dat door de behandelend(e) arts(en) inlichtingen worden verstrekt met betrekking tot de medische behandeling/het ongeval d.d. 25 sept. 1989 aan de medisch adviseur van CENTRAAL BEHEER SCHADEVERZEKERING N.V. te Apeldoorn

(…)

Ondergetekende gaat ermee akkoord, dat de medisch adviseur indien en voor zover dat nodig is in het kader van de schadebehandeling de betrokken medewerkers en adviseurs van CENTRAAL BEHEER SCHADEVERZEKERING N.V. informeert omtrent de verstrekte inlichtingen.

(…)

Deze verklaring heeft een geldigheidsduur van één jaar, na welke periode hiervan geen gebruik meer kan worden gemaakt (…)".

2.5. Op 6 januari 1999 heeft [verzoekster] een machtiging getekend (productie 3 van Centraal Beheer). De tekst van deze machtiging luidt, voor zover relevant:

"(…)

Ondergetekende, mevrouw [verzoekster] (…), machtigt de medisch adviseur van Centraal Beheer om de in zijn bezit zijnde medische documentatie, ondergetekende betreffende, ter vertrouwelijke kennisneming ter hand te stellen aan de advocaat (…) te Amsterdam.

Deze machtiging heeft, behoudens eerdere intrekking, een geldigheidsduur van één jaar na ondertekening (…)".

2.6. [verzoekster] en [naam] dan wel Centraal Beheer hebben tevergeefs getracht hun geschil over een aan [verzoekster] te betalen schadevergoeding buiten rechte op te lossen.

2.7. [verzoekster] heeft [naam] gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. [naam] heeft in deze procedure verweer gevoerd en op 17 januari 2007 is vonnis gewezen. [verzoekster] heeft tegen dit vonnis appel aangetekend, omdat zij het onder meer niet eens is met het oordeel van de rechtbank over haar hypothetisch inkomen zonder medische fout. In de procedure in hoger beroep is nog niet beslist.

2.8. Op 17 februari 2009 heeft [verzoekster] aan Centraal Beheer het volgende geschreven (productie 1 van [verzoekster]):

"(…) In het kader van uw schadebehandeling in bovengenoemd dossier hebt u, in uw hoedanigheid van verzekeraar en als zodanig mede optredende namens mijn contractspartij [naam], die wegens het maken van een medische fout jegens mij tot schadevergoeding verplicht is, de beschikking over mijn persoonsgegevens, waaronder ook mijn medische gegevens. Uit een groot aantal bronnen is mij gebleken dat u mij betreffende persoonsgegevens verwerkt in de zin van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP).

Met het oog hierop verzoek ik u, voor zover nodig sommeer ik u, mij de mededeling ex artikel 35 WBP te zenden. Artikel 35 lid 2 WBP legt op u, nu u mij betreffende persoonsgegevens verwerkt, de verplichting mij een volledig overzicht te zenden van mij betreffende persoonsgegevens, in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens (…)".

2.9. Centraal Beheer heeft op deze brief per fax van 16 maart 2009 onder meer als volgt gereageerd (productie 2 van [verzoekster]) : “(…) Daar waar dat bijvoorbeeld inkomensgegevens betrof en informatie over uw werkzaamheden op de (…) hebben wij - althans Raasveld Expertise - deze van u via uw advocaat verkregen, al dan niet bij wijze van producties in het kader van de aanhangige gerechtelijke procedure. Datzelfde geldt grotendeels voor de gegevens omtrent uw gezondheid. Deze zijn zonder uitzondering onder verantwoordelijkheid van de medisch adviseur verzameld door personen die deel uitmaken van de Functionele eenheid. Deze informatie is ofwel van u via uw advocaat verkregen, ofwel afkomstig uit het medisch dossier dat dr. [naam] onder zich had, ofwel via uw machtiging d.d. 4 oktober 1994 (…). Alle personen die u in uw brief opsomt, alsmede de behandelaars bij het NRL, Raasveld Expertise en Houthoff (Buruma) advocaten te Amsterdam en Den Haag hebben toegang gehad tot voormelde gegevens voor zover dat nodig was om hun aandeel in uw aanspraken op de verzekering van dr. [naam] te beoordelen (…).

Naast medische -en inkomensgegevens bevindt zich bij de stukken in ons dossier een verklaring van (…) aangaande uw functioneren (…). Ook deze verklaring is bij een processtuk gevoegd en derhalve reeds in uw bezit (…)”

Als bijlage is bij deze brief gevoegd een “Lijst van brieven waarin persoonsgegevens verwerkt zijn”. Op deze lijst staan 13 brieven en/of rapporten vermeld, gedateerd van 17 maart 1994 tot 15 januari 2009.

2.10. Op 17 maart 2009 heeft [verzoekster] wederom een brief geschreven aan Centraal Beheer (productie 3 van [verzoekster]). Deze brief luidt, voor zover relevant:

"(…)

Ik heb kennis genomen van de inhoud van uw fax van 16 maart 2009. Op de tweede pagina van uw fax legt u een verband met de lopende procedure. [tussen [verzoekster] en [naam], rb] Mijn verzoek heeft daarop geen betrekking, het gaat mij om de verwerking van mijn persoongegevens, mijn rechten ex EVRM, Grondwet en WBP ter zake van mijn persoonlijke levenssfeer. Uw opgave voldoet niet aan de WBP (…)".

2.11. Op 24 maart 2009 heeft [verzoekster] het volgende aan Centraal Beheer geschreven (productie 5 van Centraal Beheer):

"(…)

Het spijt mij zeer te moeten constateren dat u mij de gegevens waarom ik u, in het vervolg op uw onvoldoende beantwoording van mijn brief van 17 februari 2009, in mijn fax van 17 maart 2009 vroeg nog steeds niet hebt verstrekt.

"(…)

Dit zo zijnde wens ik thans inzage van mijn volledige medisch dossier, overeenkomstig artikel 6.1.1. van de Gedragscode Verwerking Persoongegevens Financiële Instellingen. In dit dossier dienen zich behalve alle mij betreffende medische gegevens ook kopieën, respectievelijk afdrukken, te bevinden van de door uw medisch adviseur gevoerde correspondentie en de door hem verzonden en ontvangen emails en notities van gevoerde telefoongesprekken, alsmede de adviezen of rapporten die door uw medische adviseurs zijn uitgebracht. Het dient daarbij niet alleen te gaan om de contacten met tot de functionele eenheid behorende personen of instellingen; doch ook om de contacten met personen en instellingen die niet tot de functionele eenheid behoren of behoorden.

Ik neem mij voor u ter verkrijging van deze inzage aanstaande maandag, 30 maart 2009, te bezoeken. Wilt u mij mededelen op welke locatie het volledige dossier zich bevindt en op welk tijdstip ik daar ter verkrijging van de gewenste inzage terecht kan (…)".

2.12. Op deze brieven heeft Centraal Beheer bij fax op 27 maart 2009 als volgt geantwoord, voor zover relevant (productie 4 van [verzoekster]):

"(…) In vervolg op uw brieven (…) bericht ik u dat uw medisch dossier gedurende de afgelopen jaren achtereenvolgens verzameld en beheerd is door Veduma Medisch Adviseurs te Zaltbommel.

De tweede vraag in uw brief van 17 maart jl. ziet op een van de aansprakelijkheidsverzekeraar die naast Centraal Beheer bij de zaak betrokken zou zijn. Daarvan is geen sprake. Dr. [naam] is medeverzekerde onder de polis die het ziekenhuis bij Centraal Beheer had aangesloten.

In uw brief van 24 maart jl. verzoekt u om inzage in uw volledige medisch dossier. Dit bevindt zich bij dr. [naam2] van Veduma Medisch Adviseurs te Zaltbommel. Wij hebben hem gevraagd een overzicht op te stellen van de stukken die zich in uw medisch dossier bevinden. Zodra wij dit overzicht hebben ontvangen zullen wij u dit verstrekken. Daarna kunt u desgewenst een afschrift ontvangen van de door u gewenste stukken.

(…)

Mocht u ondanks het voorgaande aanbod om toezending van stukken evenwel vasthouden aan uw voornemen om het dossier bij dr. [naam2] te Zaltbommel in te willen zien, dan verzoek ik u mij dat te laten weten. Ik zal er dan voor zorgen dat u dr. [naam2] op korte termijn kunt bezoeken (…)".

2.13. [verzoekster] heeft diezelfde dag als volgt gereageerd (productie 7 van [verzoekster]):

“(…) Ik zal nog gaarne uw uitdrukkelijke bevestiging ontvangen, dat er aan de zijde van uw (mede)verzekerde –anders dan mij uitdrukkelijk is meegedeeld – geen andere verzekeraar en geen andere advocaat en geen andere advocatenkantoren (dan de mij uit de stukken bekende advocaten van kantoor Houthoff) bij de zaak betrokken is/zijn (…)”.

2.14. Centraal Beheer heeft daarop [verzoekster] bij fax van 2 april 2009 geschreven (productie 8 van [verzoekster]):

“(…) In antwoord op uw vraag in uw faxbericht van 27 maart jl. kunnen wij u meedelen dat naast Houthoff Buruma Advocaten te Amsterdam het kantoor van DLA Piper te Amsterdam bij deze zaak is betrokken namens het SLAZ Ziekenhuis (…)”.

2.15. Bij brief van 7 april 2009 heeft medisch adviseur [naam2] (hierna ook: [naam2]) aan Centraal Beheer een overzicht gestuurd van alle medische stukken die zich in het medisch dossier van [verzoekster] bevinden (productie 7 van Centraal Beheer). Het ruim twee bladzijden tellende overzicht vermeldt brieven en rapportages uit de periode 1982 – 2009 en sluit met de vermelding van de vijf personen die vanuit Veduma bij het dossier betrokken zijn. Naast [naam2] wordt ook [naam3] als medisch adviseur genoemd.

2.16. Op 8 april 2009 heeft de echtgenoot van [verzoekster] op het kantoor van Veduma Medisch Adviseurs te Zaltbommel inzage gekregen in het medisch dossier van [verzoekster]. Bij dit dossier was de hiervoor vermelde brief van [naam2] aan Centraal Beheer gevoegd. Een afschrift van deze brief is aan de echtgenoot van [verzoekster] verstrekt.

3. Het verzoek

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank

1. Centraal Beheer te bevelen alsnog te voldoen aan het verzoek ex artikel 35 lid 2 Wet Bescherming Persoonsgevens (Wbp), in die zin dat zij opgave doet van elke verwerking van haar betreffende persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens door primair een lijst te verstrekken van alle informatiedragers (brieven, rapporten, overzichten, notities, deskundigenberichten, telefoonnotities, e-mailberichten enzovoorts, ongeacht of deze in papieren of in andere vorm beschikbaar zijn) en voorts om aan [verzoekster] kopieën, afschriften of uittreksels hiervan te verstrekken van daartoe door [verzoekster] uit de bedoelde lijst geselecteerde informatiedragers;

2. Centraal Beheer te veroordelen aan [verzoekster] ter vergoeding van de immateriële schade het door de rechtbank naar billijkheid vast te stellen bedrag te voldoen, alsmede een bedrag van € 500,-- ter vergoeding van materiële schade; beide bedragen te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot aan de datum van de betaling;

3. Centraal Beheer te verbieden persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens te gebruiken buiten het kader waarbinnen zij daarover op basis van een geldige machtiging de beschikking heeft gekregen (afwikkeling van de schadevordering waarvoor dr. [naam] aansprakelijk is) en derhalve geen persoonsgegevens ter beschikking te stellen aan derden, zoals de advocaten van DLA Piper en medewerkers van het SLAZ Ziekenhuis, en voorts Centraal Beheer te bevelen om binnen acht dagen na betekening van deze beschikking, alle persoonsgegevens en stukken waarin persoonsgegevens zijn verwerkt bij degenen die deze niet hadden mogen ontvangen, zoals DLA Piper en het SLAZ Ziekenhuis - maar ook anderen indien daarvan sprake is - terug te halen, in die zin dat zij de originele stukken, brieven, rapporten, etcetera zoals die door haar of namens haar aan degenen die die stukken niet hadden mogen ontvangen heeft gezonden of doen zenden, ophaalt of doet ophalen en zij er verantwoordelijkheid voor neemt dat deze derden geen kopieën daarvan zullen hebben of houden of aan anderen ter beschikking stellen, hetgeen onverminderd ook geldt voor de verzekeraar die overigens bij de zaak is betrokken en waaromtrent Centraal Beheer thans nog geen informatie heeft verstrekt, en de aldus teruggehaalde stukken terstond, nadat zij teruggehaald zijn, in de genoemde originele vorm aan [verzoekster] af te geven;

4. te bepalen dat Centraal Beheer een dwangsom verbeurt van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag gedurende welke zij na de zevende dag na betekening van deze beschikking met het verstrekken van deze opgave en/of met het verstrekken van de door [verzoekster] gevraagde kopieën, afschriften of uittreksels of met het terughalen en afgeven van de stukken als hiervoor onder 3. genoemd, in gebreke blijft;

5. Centraal Beheer te veroordelen in de kosten van de procedure;

6. en voorts haar beslissingen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2. Ter terechtzitting heeft [verzoekster] haar verzoek in die zin gewijzigd dat de dwangsom geen betrekking zal hebben op het terughalen en afgeven van de gegevens als bedoeld in onderdeel 3 van het verzoekschrift.

3.3. Aan haar verzoek legt [verzoekster] in het licht van de feiten de volgende stellingen ten grondslag.

Centraal Beheer verzamelt en verwerkt medische gegevens van [verzoekster] in het kader van een vordering van [verzoekster] op de bij Centraal Beheer medeverzekerde arts [naam].

Bij brief van 17 februari 2009 heeft [verzoekster] aan Centraal Beheer op de voet van artikel 35 Wbp verzocht haar in begrijpelijke vorm een volledig overzicht te sturen van de door Centraal Beheer verwerkte persoonsgegevens.

De door Centraal Beheer bij fax van 16 maart 2009 verstrekte opgave is echter globaal en incompleet en voldoet niet aan de eisen van artikel 35 lid 2 Wbp.

Op de vraag van [verzoekster] welke medisch adviseurs verantwoordelijk zijn geweest voor het verzamelen en verwerken van haar medische gegevens heeft Centraal Beheer zonder opgave van redenen geen antwoord gegeven.

Inzage op 8 april 2009 in het door Centraal Beheer over [verzoekster] aangelegde dossier bij Veduma Medisch Adviseurs te Zaltbommel, heeft geleerd dat dit dossier niet compleet is. Stukken uit de periode 1994 – 2006 ontbreken, terwijl het dossier vrijwel uitsluitend afschriften bevat van door [verzoekster] ter beschikking gestelde stukken. De door de medisch adviseur ontvangen en verzonden correspondentie, zijn medische adviezen, een opgave van de door hem aan de Functionele eenheid verstrekte medische informatie en dergelijke ontbreken.

Het feit dat de huidige medisch adviseur [naam2] niet beschikt over het volledige medisch dossier biedt een sterke aanwijzing dat er geen sprake is geweest van een zorgvuldig beheer van de gegevens, waarbij de leden van de Functionele eenheid op een door de gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna ook: de Gedragscode) voorziene wijze onder verantwoordelijkheid van de medisch adviseur hebben gefungeerd.

Centraal Beheer heeft voorts zonder geldige machtiging persoonsgegevens van [verzoekster] verzameld en verwerkt.

Ook heeft Centraal Beheer zonder toestemming van [verzoekster] haar persoonsgegevens aan derden verstrekt, zoals aan steeds weer andere artsen, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen, het SLAZ en aan een onbekend aantal advocaten van het kantoor DLA Piper en zo in strijd gehandeld met de Grondwet, het Handvest van de Europese Unie, het EVRM, de Wbp en de op de Wbp gebaseerde Gedragscode. Centraal Beheer dient de aan DLA Piper en het SLAZ verstrekte gegevens terug te halen en aan [verzoekster] te verstrekken.

[verzoekster] heeft door het handelen door Centraal Beheer materiële en immateriële schade schade geleden. Centraal Beheer is gehouden die te vergoeden.

[verzoekster] heeft er belang bij dat het Centraal Beheer wordt verboden haar persoonsgegevens ter beschikking te stellen aan niet tot de Functionele Eenheid behorende personen.

4. Het verweer

4.1. Centraal Beheer heeft primair verzocht dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de verzoeken van [verzoekster] kennis te nemen, althans [verzoekster] hierin niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair de verzoeken 1 tot en met 6 af zal wijzen en [verzoekster] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2. Centraal Beheer heeft voor alle weren aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is, omdat op grond van artikel 2.8.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank sector civiel van september 2008 een verzoekschrift niet in behandeling genomen wordt als de zaak bij het College Bescherming Persoonsgegevens is aangebracht. Nu [verzoekster] op 10 januari 2007 bij deze instantie een klacht heeft ingediend, is de rechtbank Zutphen niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

Voor zover de rechtbank anders oordeelt, voert Centraal Beheer primair aan dat de Wbp niet van toepassing is op de onderhavige zaak, omdat het dossier waar [verzoekster] inzage van verzoekt geen bestand is in de zin van artikel 2 Wbp.

Subsidiair heeft zij het volgende aangevoerd.

[verzoekster] heeft inzage gekregen in alle stukken waar zij op grond van artikel 35 lid 2 Wbp recht op heeft. Daarnaast heeft zij zowel van Centraal Beheer als van de medisch adviseur van Centraal Beheer, [naam2], een overzicht ontvangen van de verwerkte persoonsgegeven. Centraal Beheer heeft geen opgave gedaan van de correspondentie die zij heeft gevoerd met [verzoekster]s belangenbehartiger in de procedure tegen dr. [naam], mr. Beer, omdat zij veronderstelt dat [verzoekster] daar al over beschikt. Voor zover [verzoekster] over een overzicht van die correspondentie wenst te beschikken, kan zij deze stukken eenvoudigweg bij haar advocaat opvragen. Het complete overzicht van de inhoud van het medisch dossier is aan [verzoekster] verstrekt.

Centraal Beheer heeft er een rechtens te respecteren belang bij dat aan [verzoekster] niet alle verwerkingen van haar gegevens worden verstrekt. Interne notities en correspondentie met haar advocaten is niet onderworpen aan het inzagerecht van [verzoekster].

Het inzageverzoek van [verzoekster] is bedoeld om te bewerkstelligen dat van een “fair trial and equality of arms” in de procedure tussen [naam] en [verzoekster] geen sprake is. [verzoekster] maakt zo geen gebruik van haar inzagerecht om te controleren of deze gegevens correct zijn, maar om Centraal Beheer in haar belangen te schaden. Dit levert misbruik van recht op.

Voor zover [verzoekster] er over klaagt dat Centraal Beheer onzorgvuldig met haar persoonsgegevens is omgegaan, geldt dat de onderhavige procedure daar niet toe strekt.

Centraal Beheer heeft geen gegevens verzameld en verwerkt zonder geldige machtiging van [verzoekster]. Voor zover [verzoekster] doelt op het rapport van dr. [naam4] geldt dat dr. [naam4] is ingeschakeld als medisch deskundige en dat het Centraal Beheer vrijstond om een deskundigenbericht door een vakgenoot te laten toetsen.

Gedurende de gehele behandeling van dit dossier heeft Centraal Beheer medisch adviseurs, aanvankelijk eigen later externe, gehad die verantwoordelijk waren voor het verzamelen en beheren van het dossier van [verzoekster].

Centraal Beheer heeft geen medische stukken aan SLAZ en DLA Piper toegezonden, anders dan die zich al in het medisch dossier van SLAZ bevonden en in de procedure tussen [naam] en [verzoekster] zijn overgelegd. [naam] heeft er als procespartij recht op en belang bij dat hij van de processtukken kennis neemt. Bij brief van 1 november 1999 heeft Centraal Beheer SLAZ als verzekeringnemer op de hoogte gesteld van de mogelijkheid dat de eventueel uit te betalen schadevergoeding de bij haar verzekerde som zou kunnen overschrijden. Dit zou kunnen betekenen dat [naam] en/of het SLAZ voor het meerdere rechtstreeks zou kunnen worden aangesproken door [verzoekster].

[naam] en SLAZ hebben derhalve een direct belang bij de uitkomst van de procedure tussen [naam] en [verzoekster] en dat vereist dat [naam] en het SLAZ worden bijgestaan door een eigen juridisch adviseur. Deze adviseur is verbonden aan het kantoor DLA Piper.

Het verzoek tot het vergoeden van materiële en immateriële schade valt buiten de reikwijdte van deze procedure. De schade mist overigens iedere onderbouwing. [verzoekster] heeft ook niet aangetoond en onderbouwd dat zij schade heeft geleden door het vermeende niet of op onjuiste wijze voldoen door Centraal Beheer aan haar verzoek tot inzage.

Een veroordeling om persoonsgegevens terug te halen dan wel een verbod om deze gegevens te verstrekken aan derden valt buiten de reikwijdte van deze procedure. Centraal Beheer kan hier niet toe worden veroordeeld.

Er is geen plaats voor het opleggen van een dwangsom. Centraal Beheer verzoekt subsidiair de op te leggen dwangsommen te matigen en te maximeren.

Centraal Beheer verzet zich tegen de door [verzoekster] gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de eventuele beslissing van de rechtbank. De procedure is voor de bedrijfsvoering van Centraal Beheer van groot belang en een eventuele uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal, nu Centraal Beheer tegen een voor haar ongunstige beslissing in hoger beroep zal komen, verstrekkende gevolgen voor haar hebben. Inzage kan immers niet meer ongedaan gemaakt worden en inzage in bijvoorbeeld interne notities en correspondentie met haar advocaat over de letselschadeprocedure kan daarom de procespositie van Centraal Beheer onomkeerbaar schaden.

5. De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank

5.1. Centraal Beheer heeft voor alle weren een beroep gedaan op de onbevoegdheid van deze rechtbank, stellend dat [verzoekster] op 10 januari 2007 een klacht heeft ingediend bij het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en dat het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank sector civiel bepaalt dat een verzoekschrift niet in behandeling genomen kan worden als de zaak bij het CBP is aangebracht.

Dit beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank treft geen doel.

[verzoekster] heeft immers ter terechtzitting van 28 mei 2009 onweersproken verklaard dat het CBP bij brief van 11 april 2007 haar heeft meegedeeld dat het de door [verzoekster] ingediende klacht tegen Centraal Beheer niet in behandeling neemt, omdat die klacht zodanig verbonden is met de civiele procedure (de rechtbank begrijpt: de door [verzoekster] bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte procedure) dat deze klacht in die procedure naar voren gebracht kan worden.

De rechtbank concludeert hieruit dat de zaak niet (langer) aanhangig is bij het CBP, zodat het beletsel dat de zaak al bij een ander college ter beoordeling voorligt zich niet (meer) voordoet. Nu Centraal Beheer niet heeft weersproken dat het CBP [verzoekster] heeft meegedeeld dat het CBP de zaak niet in behandeling neemt, ziet de rechtbank geen aanleiding van [verzoekster] te verlangen dat zij een kopie van het bericht van het CBP dat het de behandeling heeft gestaakt in het geding brengt.

De toepasselijkheid van de Wbp

5.2. Vervolgens moet beoordeeld worden of [verzoekster] in haar op de Wbp gebaseerde verzoeken ontvangen kan worden. Centraal Beheer heeft dit betwist en aangevoerd dat het door haar aangelegde medisch dossier niet een bestand is in de zin van de Wbp.

Artikel 2 van de Wbp beperkt de reikwijdte van deze wet tot de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

In artikel 1 aanhef en onder c Wbp wordt de volgende definitie van de term bestand gegeven:

Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.

5.3. In de Memorie van Toelichting van thans artikel 1 aanhef en onder c Wbp is daarover het volgende geschreven:

“Wat betreft de niet-geautomatiseerde verwerkingen vallen alleen bestanden, en dus bijvoorbeeld niet ongestructureerde dossiers onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel (artikel 2, eerste lid) (...)

Een "bestand" kan zowel geautomatiseerde als niet-geautomatiseerde verwerkingen bevatten. Van een bestand is sprake als de persoonsgegevens onderdeel uitmaken van een gestructureerd geheel dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen (…)

Op grond van artikel 1 van de WPR [Wet Persoonsregistratie, de voorloper van de Wbp, rb] is voor de vraag of er sprake is van een persoonsregistratie van belang dat het gaat om een "samenhangende verzameling". Bij handmatige verwerkingen gaat het eveneens om de vraag of de verzameling "met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd". Beide vereisten - een samenhangend geheel en systematische toegankelijkheid - zijn eveneens bepalend voor de vraag of er sprake is van een bestand in de zin van het onderhavige artikel. In de begripsomschrijving van "bestand" hebben de vereisten echter een ruimer bereik: ook de geautomatiseerde gegevensverwerkingen moeten aan beide vereisten voldoen wil er sprake zijn van een bestand. (…) Bij geautomatiseerde verwerkingen wordt de systematische toegankelijkheid in de WPR steeds aanwezig geacht. Wat handmatige verwerkingen betreft komt die reikwijdte van het begrip "bestand" overeen met die van het begrip "persoonsregistratie" in de WPR (…)”.

5.4. Centraal Beheer heeft verklaard dat het betreffende dossier niet automatisch wordt verwerkt, maar een individueel “papieren” dossier is dat geen vooraf bepaalde structuur bevat en uit losse aantekeningen en min of meer chronologische geordende documenten van allerlei aard bestaat. Het dossier is niet toegankelijk in combinatie met een geautomatiseerd bestand met een verwijsfunctie naar meerdere dossiers en het is evenmin gestructureerd volgens specifieke criteria met betrekking tot personen. De procesdossiers staan bij Centraal Beheer in een afgesloten kast en zijn gerangschikt op schadenummer. Kopieën van medische stukken die onderdeel uitmaken van het procesdossier staan in een andere ruimte. Het medisch dossier bevindt zich bij medisch adviseur Veduma, omdat Centraal Beheer zelf geen medisch adviseurs meer in dienst heeft. Bovendien heeft het dossier slechts betrekking op één persoon, [verzoekster], en dus niet op meerdere personen, aldus Centraal Beheer.

5.5. Vooropgesteld wordt dat zodra een verzekeraar de beschikking krijgt over gegevens van een letselschadeslachtoffer, hij zich bezig houdt met het verwerken van (medische) persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Het mag zo zijn dat de persoonsgegevens van [verzoekster] door Centraal Beheer zijn opgeslagen in een “papieren” dossier, al dan niet in een afzonderlijke kast, maar dat enkele feit sluit niet uit dat het een bestand is in de zin van de Wbp. Het schadedossier van [verzoekster] vormt een onderdeel van het verzekeringsdossier van [naam]/SLAZ en dat dossier maakt op zijn beurt weer deel uit van het totale bestand aan dossiers van bij Centraal Beheer verzekerden. Onderdeel van dit schadedossier is het medisch dossier van [verzoekster]. De medische dossiers waar Centraal Beheer de beschikking over heeft in het kader van afdoening van letselschadezaken worden beheerd door haar ‘externe’ adviseur, bij gebreke van eigen, ‘interne’ medische adviseurs. Daarmee maken de persoonsgegevens van [verzoekster], ook op zichzelf bezien, onderdeel uit van een bestand in de zin van de Wbp. Gelet op de omvang van haar bedrijf moet er bovendien van worden uit gegaan dat Centraal Beheer deze dossiers aldus heeft gestructureerd dat zij bijvoorbeeld met een al dan niet geautomatiseerd bestand met verwijsfunctie gemakkelijk toegang tot die dossiers heeft. Het in de correspondentie tussen partijen gehanteerde kenmerk ‘A0810 F83751’ wijst daar ook op. Het door Centraal Beheer aangehouden medisch dossier van [verzoekster] moet daarom worden aangemerkt als (onderdeel van) een bestand in de zin van de Wbp.

Omvang van het inzagerecht

5.6. Nu Centraal Beheer heeft aangevoerd dat het inzagerecht van [verzoekster] beperkt is tot de gegevens waartoe [verzoekster] al inzage heeft gekregen, dient allereerst bepaald te worden wat tot het medisch dossier van [verzoekster] behoort en wat niet.

5.7. Het uitgangspunt van de Wbp en de daaraan ten grondslag liggende richtlijn is dat de burger moet kunnen nagaan welke persoonsgegevens over hem zijn verzameld en hoe deze zijn verwerkt. Artikel 1 van de Wbp bepaalt dat onder verwerking van persoonsgegevens wordt verstaan:

“elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens”.

Inzage door [verzoekster] in de verzameling en verwerking van haar persoonsgegevens is voor [verzoekster] alleen mogelijk als inzicht wordt geboden in de persoonsgegevens die [verzoekster] en de haar behandelend(e) arts(en) aan Centraal Beheer hebben verstrekt en de verwerking van die gegevens, waaronder ook is begrepen het verstrekken van die persoonsgegevens aan derden, waaronder de leden van de Functionele eenheid als bedoeld in de Gedragscode.

Weliswaar is de goedkeurende verklaring van het CBP voor deze Gedragscode op 5 februari 2008 vervallen, maar uit hetgeen Centraal Beheer ter terechtzitting heeft aangevoerd, maakt de rechtbank op dat Centraal Beheer zich nog steeds gebonden acht aan de Gedragscode.

Artikel 6.1.1. van de Gedragscode bepaalt:

“ het verzamelen van gegevens omtrent iemands gezondheid is, onder verantwoordelijkheid van de medisch adviseur, voorbehouden aan personen die deel uitmaken van de Functionele eenheid. (...) Betrokkene heeft het recht -bij voorkeur via een door hem of haar benoemde vertrouwensarts- een op hem of haar betrekking hebbend medisch dossier volledig, met uitzondering van de werkaantekeningen van de medisch adviseur, in te zien en daarvan kopieën te ontvangen, tenzij de privacy van in het rapport besproken derden zich daartegen verzet.

Omdat de omvang en de invulling van het recht van de betrokkene om van de verantwoordelijke overzichten te ontvangen van de verwerkte persoonsgegevens mede afhangt van hetgeen hierover is bepaald in de Gedragscode, zal de rechtbank bij de beoordeling van de verzoeken van [verzoekster] ook hetgeen in deze Gedragscode wordt voorgeschreven, meewegen.

5.8. Naar het oordeel van de rechtbank behoren tot het dossier van [verzoekster] derhalve alle door Centraal Beheer verzamelde gegevens over [verzoekster] en alle stukken waaruit de verwerking van die persoonsgegevens blijkt. Op de vraag of dit impliceert dat ook de door [verzoekster] aan Centraal Beheer verstrekte machtigingen, de aanbiedingsbrieven aan de (eigen) advocaten, de correspondentie van de medisch adviseur met [naam] en andere geraadpleegde artsen, de door de medisch adviseur aan de Functionele eenheid verstrekte gegevens, de medische adviezen van de medisch adviseur(s) en de correspondentie van Centraal Beheer met haar advocaat tot het dossier behoren en onder het inzagerecht van [verzoekster] vallen, zoals zij stelt en Centraal Beheer betwist, zal hierna worden ingegaan.

5.9. Daarbij geldt dat [verzoekster] niet alleen in staat moet zijn te controleren welke persoonsgegevens Centraal Beheer heeft verzameld en verwerkt, maar ook of de medische adviseur (slechts) die informatie aan de Functionele eenheid heeft verstrekt waartoe hij op grond van (de toelichting op) de Gedragscode bevoegd was. Ingevolge die toelichting stelt de medisch adviseur immers slechts die medische gegevens beschikbaar aan de Functionele eenheid die nodig zijn voor het beoordelen van de letselschade.

5.10. [verzoekster] heeft aangevoerd dat Centraal Beheer haar geen volledig overzicht heeft verstrekt van de verwerking van haar persoonsgegevens door Centraal Beheer, omdat in het aan haar ter inzage aangeboden dossier ontbreken de door haar verstrekte machtigingen, de aanbiedingsbrieven aan advocaten, een lijst van medisch adviseurs die het medisch dossier onder beheer hebben (gehad), de correspondentie die de medisch adviseur met [naam] en met de verschillende geraadpleegde artsen heeft gevoerd, een aantal medische adviezen van de medisch adviseur(s) en de correspondentie van Centraal Beheer met de eigen advocaat.

5.11. Ten aanzien van de machtigingen heeft Centraal Beheer aangevoerd dat zij geen wettelijke aanknopingspunten heeft gevonden voor de verplichting deze in het dossier op te nemen. Zij heeft de rechtbank uitdrukkelijk verzocht haar oordeel hierover te geven.

Basisprincipe van de Wbp is dat persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze dienen te worden verwerkt. Omdat het Centraal Beheer niet vrij staat zonder daartoe door [verzoekster] gemachtigd te zijn medische gegevens over [verzoekster] te verzamelen, dienen de machtigingen onderdeel uit te maken van het dossier van [verzoekster], opdat zij kan controleren of Centraal Beheer gemachtigd was de zich in het medisch dossier bevindende gegevens op te vragen en of Centraal Beheer al dan niet zelfstandig verdere medische stukken heeft verzameld zonder daartoe gemachtigd te zijn. Het feit dat [verzoekster] inmiddels de beschikking heeft over deze machtigingen doet niet af aan het oordeel dat de machtigingen onderdeel van het medisch dossier van [verzoekster] zijn. Nu [verzoekster] echter al over deze machtigingen beschikt en aan de hand daarvan zich een oordeel heeft kunnen vormen, behoeft Centraal Beheer deze niet meer te verstrekken. [verzoekster] heeft overigens ter zitting toegezegd dat zij geen kopieën zal vragen van stukken die zij al bezit.

5.12. Ook ten aanzien van de aanbiedingsbrieven aan advocaten geldt dat [verzoekster] in staat moet zijn te controleren of haar persoonsgegevens door Centraal Beheer dan wel haar medisch adviseur op de door de wet en Gedragscode voorgeschreven wijze zijn verwerkt. De medisch adviseur is immers slechts gerechtigd om uitsluitend voor de procedure noodzakelijke medische informatie over [verzoekster] aan de leden van de Functionele eenheid te verstrekken.

[verzoekster] heeft de medisch adviseur van Centraal Beheer voor de duur van één jaar vanaf 6 januari 1999 gemachtigd om de in zijn bezit zijnde medische documentatie ter vertrouwelijke kennisneming ter hand te stellen aan de advocaat mr. E.W. van Slooten. Ingevolge deze machtiging was het de medisch adviseur derhalve toegestaan het gehele medisch dossier (uitsluitend) aan de in de machtiging met name genoemde advocaat van Centraal Beheer te verstrekken. Uit de verklaring van Centraal Beheer dat de aanbiedingsbrieven in een aparte map worden bewaard begrijpt de rechtbank evenwel dat medische gegevens van [verzoekster] ook aan andere advocaten dan voornoemde mr. Van Slooten zijn verstrekt.

Het enkele feit dat Centraal Beheer deze aanbiedingsbrieven niet in het medische dossier bewaart, maar in een aparte map leidt niet tot een ander oordeel. Centraal Beheer kan niet door simpelweg enkele stukken uit het medisch dossier in een andere map op te bergen bewerkstelligen dat deze stukken niet onder de werking van de Wbp vallen.

5.13. Centraal Beheer heeft betoogd dat de aanbiedingsbrieven gelijk gesteld moeten worden met de persoonlijke werkaantekeningen van de arts. Verwijzend naar onder meer de toelichting op artikel 7:454 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) en de schakelbepaling van artikel 7:464 eerste lid BW heeft zij betoogd dat werkaantekeningen van de arts gescheiden van het medisch dossier dienen te worden bewaard omdat zij geen deel uitmaken van het dossier en dat de aard van de rechtsbetrekking tussen [verzoekster] en Centraal Beheer zich in deze situatie tegen een dossierplicht verzet.

Deze verwijzing naar het BW noch de verwijzing naar de KNMG richtlijn inzake het omgaan met medische gegevens kan Centraal Beheer baten. In de KNMG Richtlijn worden persoonlijke werkaantekeningen beschreven als aantekeningen die bedoeld zijn voor de eigen, voorlopige gedachtevorming die bij de arts gerezen indrukken, vermoedens of vragen bevatten en die niet bedoeld zijn om onder ogen van anderen dan de arts zelf te komen. Een aanbiedingsbrief verschilt in zoverre van werkaantekeningen dat een brief bij uitstek is bedoeld om onder ogen van anderen, de geadresseerden, te komen. Centraal Beheer heeft nog aangevoerd dat het KNMG haar medisch adviseur desgevraagd heeft meegedeeld dat advocatenbrieven niet vallen onder de dossierplicht, zodat daarop in het kader van het inzagerecht geen aanspraak gemaakt kan worden. De rechtbank gaat aan deze verklaring voorbij, nu Centraal Beheer geen inzicht heeft gegeven in de aan het KNMG voorgelegde vragen en de vraag aan het KNMG kennelijk is gesteld in het kader van de Wet inzake de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst en niet in het kader van de Wbp, nog daargelaten welk gewicht aan deze standpunten bij de beslechting van dit juridische geschil zou moeten worden toegekend.

5.14. Ten aanzien van de correspondentie tussen Centraal Beheer en haar advocaat geldt het navolgende.

Hoewel [naam] en niet Centraal Beheer de wederpartij is van [verzoekster] in de procedure waarin [verzoekster] vergoeding van de door haar als gevolg van het letsel geleden schade vordert, merken zowel [verzoekster] als Centraal Beheer de in die procedure voor [naam] optredende advocaat aan als de “eigen” advocaat van Centraal Beheer. Omdat de rechtbank ervan uit gaat dat de betreffende advocaat door Centraal Beheer in de arm is genomen om ook aan [naam] rechtsbijstand te verlenen in die procedure, zal ook zij deze advocaat aanmerken als de eigen advocaat van Centraal Beheer.

5.15. Deze eigen advocaat van Centraal Beheer behoort tot de Functionele eenheid, althans kan op één lijn gesteld worden met een lid van de Functionele eenheid. Door inzage in de aanbiedingsbrieven aan advocaten, waaronder de eigen advocaat van Centraal Beheer, kan [verzoekster] nagaan welke persoonsgegevens aan deze advocaat zijn verstrekt. Verdere correspondentie met de eigen advocaat moet gelijk gesteld worden met werkaantekeningen en met interne notities en valt derhalve (vide 5.7 en 5.17) buiten het inzagerecht van [verzoekster].

Zou dat anders zijn, dan zou dat immers de normale correspondentie met de eigen advocaat volledig verstoren en op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de vertrouwelijke relatie tussen advocaat en cliënt. Als regel geldt dan ook dat nadat de persoonsgegevens ingevolge de door [verzoekster] afgegeven machtiging aan de advocaat zijn verstrekt, daarover in het verkeer tussen raadsman en cliënt vrijelijk gesproken moet kunnen worden.

Behoudens de aanbiedingsbrieven heeft het inzagerecht van [verzoekster] derhalve geen betrekking op de correspondentie tussen Centraal Beheer en haar eigen advocaat.

5.16. Uit hetgeen de gemachtigde van [verzoekster] in zijn pleitnota onder 22 vermeldt, begrijpt de rechtbank dat [verzoekster] alleen inzage in de werkaantekeningen van de medisch adviseur wenst in het geval deze aantekeningen zich in het dossier bevinden en dat zij erkent dat de medisch adviseur zijn werkaantekeningen buiten het medisch dossier mag houden. Uit het door [naam2] opgestelde overzicht van 7 april 2009 maakt de rechtbank op dat de werkaantekeningen van de medisch adviseurs(s) conform de Gedragscode niet in het dossier zijn opgenomen. De vraag of [verzoekster] ook het recht op inzage heeft in deze werkaantekeningen, dient derhalve ontkennend beantwoord te worden.

5.17. Ten aanzien van interne notities die persoonlijke gedachten van leden van de Functionele eenheid bevatten en uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad is het niet vanzelfsprekend dat deze bedoeld zijn om samen met de persoonsgegevens in een bestand te worden opgenomen. Deze interne notities kunnen gelijkgesteld worden met de werkaantekeningen van de medisch adviseur en maken derhalve geen onderdeel uit van het medisch dossier van [verzoekster], zoals ook blijkt uit het door [naam2] opgestelde overzicht van de stukken die zich in het medisch dossier bevinden. Maar zouden deze notities al deel uitmaken van het medisch dossier van [verzoekster], dan mag van Centraal Beheer verwacht worden dat zij wat deze aantekeningen betreft het medisch dossier opschoont, aangezien het inzagerecht van [verzoekster] niet ziet op deze notities.

5.18. Anders ligt dat bij de medisch adviezen die door de medisch adviseurs van Centraal Beheer zijn uitgebracht. Aangenomen wordt dat van deze adviezen wel beoogd is dat zij onderdeel uitmaken van het medisch dossier van [verzoekster]. Uit de brief van [naam2] van 7 april 2009 aan Centraal Beheer blijkt ook dat zich in het dossier een aantal medische adviezen bevindt van medische adviseurs van Centraal Beheer dan wel van andere, vanuit Veduma bij het dossier betrokkenen. Centraal Beheer heeft aangevoerd dat alle medische adviezen die in het kader van de letselschadeprocedure zijn opgesteld, deel uitmaken van het medisch dossier dat de gemachtigde van [verzoekster] heeft ingezien bij Veduma. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat partijen het erover eens zijn dat alle medische adviezen van de medisch adviseurs deel uitmaken van het medisch dossier dat Centraal Beheer van [verzoekster] aanhoudt en dat deze adviezen onderworpen zijn aan het inzagerecht van [verzoekster] op grond van de Wbp.

5.19. In de als productie 7 door Centraal Beheer in het geding gebrachte inhoudsopgave staat wel vermeld welke brieven en rapporten de medisch adviseur(s) heeft/hebben ontvangen van verschillende specialisten en van [naam], maar een overzicht van de correspondentie die met [naam] en met de verschillende geraadpleegde artsen is gevoerd ontbreekt. De brieven die zijn vermeld in de lijst van brieven waarin persoonsgegevens zijn verwerkt (productie 4 van Centraal Beheer), worden ook alle vermeld in het overzicht van productie 7, behoudens de verklaring van Mac Lean van 31 december 2008, de brief van 17 maart 1994 van [naam] aan mr. Beer, (de advocaat van [verzoekster] in de procedure tegen [naam], rb), de brief van mr. Beer aan [naam] van 29 maart 1994 en de brief van 25 juli 1994 van prof. [naam5] aan mr. Beer. Ook op deze lijst van productie 4 ontbreken derhalve de brieven die de medisch adviseur aan de verschillende rapporterende artsen heeft gestuurd. Omdat aangenomen moet worden dat in deze brieven persoonsgegevens van [verzoekster] zijn verwerkt, dienen deze brieven deel uit te maken van het medisch dossier en geldt het inzagerecht van [verzoekster] ook voor deze brieven.

Centraal Beheer is niet ingegaan op de stelling van [verzoekster] dat zij ten onrechte geen inzage in deze correspondentie heeft gehad, zodat van de juistheid van die stelling uitgegaan moet worden.

5.20. Nu Centraal Beheer [verzoekster] heeft meegedeeld wie als medisch adviseurs zijn opgetreden, behoeft de vraag of Centraal Beheer deze informatie dient te verstrekken, geen beantwoording meer. Overigens dient Centraal Beheer de betrokkene ook ongevraagd te informeren wie zij als medisch adviseur inschakelt.

5.21. [verzoekster] heeft nog aangevoerd dat het medisch dossier dat zij bij [naam2] heeft laten inzien niet haar (complete) medisch dossier is, omdat in dit dossier alleen kopieën van (proces-)stukken zitten. Ten aanzien van de informatie die de behandelende artsen aan Centraal Beheer hebben gezonden, geldt dat het niet aannemelijk is dat deze artsen hun originele dossier aan Centraal Beheer hebben gezonden. Aangenomen moet worden dat zij Centraal Beheer afschriften hebben gestuurd van de stukken die zich in hun dossiers bevinden. Anderzijds komt het aannemelijk voor dat niet-behandelend artsen aan wie gevraagd is te rapporteren over de gezondheidstoestand van [verzoekster] een origineel rapport aan Centraal Beheer hebben gezonden.

Maar wat hier ook van zij, uit de Wbp blijkt niet dat Centraal Beheer gehouden is originele stukken in het medisch dossier te doen bewaren. Waar zij slechts kopieën heeft ontvangen, kan zij slechts kopieën in het dossier voegen. Uit het enkele feit dat het dossier dat [verzoekster] bij [naam2] heeft laten inzien kopieën van stukken bevat, kan dan ook niet zonder meer geconcludeerd worden dat dit niet het medisch dossier van [verzoekster] is.

5.22. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Centraal Beheer [verzoekster] geen volledig overzicht heeft verstrekt van de verwerken van de persoonsgegevens van [verzoekster].

Misbruik van recht?

5.23. Ten aanzien van de stelling van Centraal Beheer dat [verzoekster] misbruik van recht maakt door van haar te verlangen dat zij opgave doet van elke verwerking van [verzoekster] betreffende persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens door primair een lijst te verstrekken van alle informatiedragers (brieven, rapporten, overzichten, notities, deskundigenberichten, telefoonnotities, e-mailberichten enzovoorts, ongeacht of deze in papieren of in andere vorm beschikbaar zijn) en voorts om aan [verzoekster] kopieën, afschriften of uittreksels hiervan te verstrekken van daartoe door [verzoekster] uit de bedoelde lijst geselecteerde informatiedragers is het volgende van belang.

Het inzagerecht dat artikel 35 van de Wbp verschaft, is bedoeld om de betrokkene in staat te stellen na te gaan of bij de opslag en verwerking van haar persoonsgegevens haar recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer gewaarborgd wordt. Niet elke verwerking van persoonsgegevens vormt een inbreuk op de persoonlijke levensfeer. Of dit het geval is, is afhankelijk van de aard van de gegevens en de wijze waarop deze worden gebruikt. Met name de verwerking van gevoelige gegevens, zoals medische gegevens, zal snel de persoonlijke levensfeer raken. De Wbp geeft de betrokkene aanspraak met betrekking tot verwerking van haar betreffende persoonsgegevens, ongeacht de vraag of er sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levensfeer. Is er sprake van een beroep op inzage in een medisch dossier dan zal daarom niet snel geoordeeld worden dat er sprake is van misbruik van recht.

5.24. Centraal Beheer heeft aangevoerd dat [verzoekster] haar recht misbruikt, omdat haar inzageverzoek niet anders bedoeld is dan om Centraal Beheer te schaden en om [verzoekster]s procespositie te verbeteren ten nadele van Centraal Beheer.

Niet alleen heeft [verzoekster] gemotiveerd weersproken dat zij slechts om haar procespositie jegens (de verzekerde van) Centraal Beheer te verbeteren, het verzoek om inzage heeft gedaan, maar ook al zou slechts de wens om haar procespositie te verbeteren aan haar verzoek ten grondslag liggen, dan kan nog niet gezegd worden dat zij misbruik van recht maakt. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in de procedure tegen (de verzekerde van) Centraal Beheer, is daartoe ontoereikend.

Het beroep op artikel 43 sub e Wbp

5.25. Artikel 43 sub e Wbp bepaalt dat de verantwoordelijke het bepaalde in artikel 35 Wbp buiten toepassing kan laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Het beroep dat Centraal Beheer heeft gedaan op dit artikel ten aanzien van de interne notities van de leden van de Functionele eenheid behoeft geen bespreking, gelet op het oordeel dat deze interne notities geen onderdeel uitmaken van het medisch dossier. Dat geldt ook voor de correspondentie tussen Centraal Beheer en haar eigen advocaat, met uitzondering van de aanbiedingsbrieven waarbij Centraal Beheer deze advocaat persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verschaft.

Ten aanzien van deze aanbiedingsbrieven en de aanbiedingsbrieven die Centraal Beheer mogelijkerwijs aan anderen heeft gestuurd, is gesteld noch gebleken dat het in het belang van de bescherming van [verzoekster] noodzakelijk is dat haar de inzage in de betreffende aanbiedingsbrieven wordt ontzegd. Centraal Beheer heeft onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat het in het belang van de bescherming van de rechten en plichten van Centraal Beheer of van de geadresseerden van die brieven is dat een uitzondering wordt gemaakt op het inzagerecht van [verzoekster].

Het beroep op het bepaalde in artikel 43 sub e Wbp treft daarom geen doel.

5.26. Het verzoek van [verzoekster] om Centraal Beheer te bevelen alsnog te voldoen aan het verzoek ex artikel 35 lid 2 Wbp zal als na te noemen worden toegewezen. Centraal Beheer heeft wel aangevoerd dat er geen plaats is voor het opleggen van dwangsommen, maar dit niet nader onderbouwd, zodat aan deze stelling voorbijgegaan wordt.

De conclusie dat Centraal Beheer in gebreke is geweest met het verstrekken aan [verzoekster] van een volledig overzicht van de verwerking van haar persoonsgegevens, is aanleiding een dwangsom te verbinden aan het bevel aan Centraal Beheer alsnog te voldoen aan het verzoek van [verzoekster]. Wel zal de dwangsom gematigd en aan een maximum gebonden worden. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

De vordering tot vergoeding van materiele en immateriële schade en de vorderingen onder 3 van het verzoekschrift

5.27. Artikel 46 van de Wbp bepaalt dat in het geval een beslissing als bedoeld in artikel 45 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, de belanghebbende zich tot de rechtbank kan wenden met het schriftelijke verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38 tweede lid, toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 niet te honoreren.

Artikel 49 bepaalt dat -kort gezegd- indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften hij aanspraak kan maken op schadevergoeding.

Nu artikel 46 Wbp niet verwijst naar het bepaalde in artikel 49 Wbp dient de vordering tot schadevergoeding bij dagvaarding aanhangig gemaakt te worden.

Ook de vorderingen als weergegeven onder 3.1.3 van haar verzoekschrift vallen niet onder het bereik van artikel 46 Wbp en dienen daarom bij dagvaarding aanhangig gemaakt worden.

Eerst nadat [verzoekster] inzage in haar dossier heeft gehad, kan worden vastgesteld of Centraal Beheer zodanig ten opzichte van [verzoekster] in strijd heeft gehandeld met de bij of krachtens de Wbp gegeven voorschriften, dat [verzoekster] aanspraak kan maken op schadevergoeding. Dat geldt ook voor de vorderingen onder 3.1.3 Centraal Beheer heeft immers gemotiveerd de stelling van [verzoekster] weersproken dat zij persoonsgegevens heeft doorgegeven aan steeds weer andere artsen, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen, het SLAZ en aan een onbekend aantal advocaten van het kantoor DLA Piper.

In de omstandigheid dat eerst na de door [verzoekster] verlangde inzage de vorderingen onder 3.1.2 en 3.1.3 van het verzoekschrift ter beoordeling voor kunnen liggen, ziet de rechtbank aanleiding in de onderhavige zaak geen gebruik te maken van de wisselbepaling van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

[verzoekster] zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden voor wat betreft de onderdelen 3.1.2 en 3.1.3 van haar verzoek. Het staat haar uiteraard vrij deze vorderingen alsnog bij dagvaarding in te stellen.

5.28. Centraal Beheer geldt in deze procedure als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal daarom veroordeeld worden in de kosten van deze procedure. De tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] gevallen kosten worden begroot op € 904,-- (2 punten x factor 1 x € 452,--).

5.29. Centraal Beheer heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoekster] om deze beschikking uitvoerbaar te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De onderhavige zaak is voor haar bedrijfsvoering van groot belang. Zij is reeds nu voornemens van een voor haar ongunstige beslissing in hoger beroep te komen. Een mogelijke uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal verstrekkende gevolgen hebben. Inzage in het dossier kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Inzage in bijvoorbeeld interne notities en correspondentie met haar advocaat kan haar procespositie onomkeerbaar schaden.

Het is voorstelbaar dat toewijzing van het door [verzoekster] verzochte een hausse aan inzageverzoeken teweeg zal brengen bij verzekeringsmaatschappijen en andere partijen die verwikkeld zijn in een juridische procedure.

5.30. Het inzagerecht van [verzoekster] strekt zich niet uit tot de interne notities en de correspondentie tussen Centraal Beheer en haar advocaat, met uitzondering van de aanbiedingsbrief/brieven aan deze advocaat, zodat aan de daaraan gerelateerde bezwaren van Centraal Beheer tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking voorbij gegaan kan worden. Zou al de uitkomst van deze procedure voor anderen aanleiding zijn om inzage in hun dossier te verzoeken, dan valt niet in te zien hoe dat kan worden voorkomen door deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking belet Centraal Beheer niet om hoger beroep tegen deze beschikking in te stellen. Wordt Centraal Beheer in hoger beroep in het gelijk gesteld, dan kan zij met die uitspraak eventueel de door haar verwachte hausse aan inzageverzoeken pareren.

Ten slotte moet geoordeeld worden dat het belang van [verzoekster] bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze beschikking, mede gelet op de duur van het geschil tussen partijen en de aard van de voorziening, voorrang heeft boven het belang van Centraal Beheer bij de weigering van een dergelijke verklaring.

6. De beslissing

De rechtbank,

6.1. beveelt Centraal Beheer alsnog te voldoen aan het verzoek ex artikel 35 lid 2 Wbp van [verzoekster], in die zin dat zij opgave doet van elke verwerking van [verzoekster] betreffende persoonsgegevens door primair een lijst te verstrekken van alle informatiedragers en voorts aan [verzoekster] kopieën, afschriften of uittreksels te verstrekken van daartoe door [verzoekster] uit de bedoelde lijst geselecteerde informatiedragers, met dien verstande dat Centraal Beheer [verzoekster] geen inzage behoeft te verschaffen in de werkaantekeningen van de medisch adviseur(s) van Centraal Beheer, in de interne notities die persoonlijke gedachten van leden van de Functionele eenheid bevatten en uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad en in de correspondentie tussen Centraal Beheer en haar advocaat, met uitzondering van de aanbiedingsbrief/brieven waarin Centraal Beheer aan deze advocaat persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verstrekt;

6.2. veroordeelt Centraal Beheer tot betaling van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij na de zevende dag na betekening van deze beschikking in gebreke blijft met de verstrekking van deze opgave en/of met het verstrekken van de door [verzoekster] gevraagde kopieën, afschriften of uittreksels, zulks tot een maximum van

€ 5.000,--;

6.3. veroordeelt Centraal Beheer in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] gevallen en begroot op € 904,-- aan salaris gemachtigde;

6.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in de onder 3.1.2 en 3.1.3 weergegeven onderdelen van haar verzoekschrift;

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Vergunst, M. Engelbert-Clarenbeek en J.S.W. Lucassen en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2009.