Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK2850

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
09/1565
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Referendumverzoek IJsselsprong Zutphen

De raad van de gemeente Zutphen heeft het verzoek van verzoeker om een raadplegend correctief referendum met betrekking tot het raadsbesluit van 18 mei 2009 tot vaststelling van het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een referendum met betrekking tot het besluit van 18 mei 2009, gelet op de aard en omvang van de wijzigingen daarin ten opzichte van eerdere raadsbesluiten over de IJsselsprong en het vergevorderde stadium waarin de bestuurlijke samenwerking tussen de bij het initiatief betrokken partijen zich al bevindt, thans een te zwaar middel zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 09/1565

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker]

te Zutphen,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Zutphen

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2009 heeft verweerder het verzoek van verzoeker van 4 juni 2009 tot het houden van een correctief raadplegend referendum over het besluit van verweerder van 18 mei 2009, nr. 2009-0074, afgewezen.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 2009, waar verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. van Zwieten de Blom, advocaat te Zutphen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de “Referendumverordening voor de gemeente Zutphen 2005” (hierna: de verordening) neemt de raad uiterlijk binnen vier weken na een voorstel van het college van burgemeester en wethouders, zoals bedoeld in artikel 10, zesde lid onder a (bij voldoende steunbetuigingen van kiesgerechtigden) of b (bij onvoldoende steunbetuigingen van kiesgerechtigden), een beslissing of er wel of niet een referendum zal worden gehouden.

Indien de raad afwijzend beslist op een voorstel zoals bedoeld in artikel 10, zesde lid onder a, doet hij dat ingevolge het tweede lid van artikel 11 voldoende gemotiveerd.

2.3. Op 18 mei 2009 heeft verweerder besloten:

1. akkoord te gaan met het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong, als nadere uitwerking van de eerder door de raad vastgestelde IGSV en PKB-maatregelen, zoals gevraagd door de staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat in haar brief van 7 juli 2008 en dit voorstel aan haar toe te zenden;

2. opdracht te geven voor het opstellen van een samenwerkingsovereenkomst tussen alle bij dit initiatief betrokken partijen, waarin organisatie, financiering en te hanteren planfiguur worden vastgelegd;

3. deze samenwerkingsovereenkomst in het najaar ter vaststelling voor te leggen aan de raad.

2.4. Verweerder heeft het verzoek tot het houden van een correctief raadplegend referendum over het onder 2.3. weergegeven besluit bij het thans bestreden besluit afgewezen, omdat het besluit van 18 mei 2009 niet beoogt wijzigingen met principiële gevolgen voor de gemeente Zutphen aan te brengen in de eerder genomen raadsbesluiten over het project IJsselsprong en snelle besluitvorming voor de bij dit initiatief betrokken partijen (de regio Stedendriehoek, de gemeenten Brummen, Voorst en Zutphen, de provincie Gelderland en het waterschap Veluwe) van belang is, gelet op de stand van zaken met betrekking tot de Planologische Kernbeslissing (PKB) “Ruimte voor de Rivier”. Het zou daarom volgens verweerder een te zwaar middel zijn om over het besluit van 18 mei 2009 door middel van een referendum de bevolking te raadplegen. Verweerder verwijst in dit verband verder naar de bijlage bij het raadsvoorstel.

2.5. Verzoeker betoogt in bezwaar dat het besluit van 18 mei 2009 het gehele project IJsselsprong omvat en dat verweerder derhalve een te beperkte uitleg geeft aan het besluit van 18 mei 2009 en daarmee aan het referendumverzoek. Gelet daarop is de afwijzing van het referendumverzoek volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.

2.6. De voorzieningenrechter overweegt dat er ruimschoots voldoende steunbetuigingen aan het referendumverzoek zijn ontvangen en dat het referendumverzoek ook overigens aan de daaraan op grond van de verordening te stellen eisen voldoet. In de toelichting bij artikel 11 van de verordening is vermeld dat de beslissing van de raad op het referendumverzoek in alle gevallen positief of negatief kan zijn. Als de raad, ondanks voldoende steun voor het referendum, toch besluit om geen referendum te houden, dan heeft hij daarvoor volgens de toelichting bij de verordening een speciale motiveringsplicht. De raad heeft gelet op het vorenstaande een discretionaire bevoegdheid tot het al dan niet houden van een correctief raadplegend referendum. Daarbij past een terughoudende rechterlijke toetsing.

2.7. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat belangrijke onderdelen van het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong – en met name de ontwikkeling van grootschalige woningbouw in en bij Zutphen aan de westzijde van de IJssel – al vanaf omstreeks 2000 in een reeks van eerdere raadsbesluiten zijn vastgelegd.

Eind juni 2008 hebben de gemeenteraden van Brummen, Voorst en Zutphen de Intergemeentelijke Structuurvisie (IGSV) IJsselsprong vastgesteld. De IGSV is een integraal voorstel voor gebiedsontwikkeling, waarin is opgenomen:

- een alternatief voorstel ten opzichte van de PKB “Ruimte voor de Rivier” voor de waterveiligheid, bestaande uit een dijkverlegging Cortenoever met een overstromingsfrequentie van bij voorkeur eens in de 100 jaar, een brede geul door de uiterwaarden bij Zutphen, een vergraving van de Marswaard en een langetermijnreservering

voor de Voorsterklei, waarmee voldaan kan worden aan de veiligheids-kortetermijnopgave (16.000 m³/seconde bij Lobith in 2015) en de langetermijnopgave (18.000 m³/seconde bij Lobith rond 2050);

- een voorstel voor de stedenbouwkundige hoofdopzet van de woningbouwopgave (voor maximaal 3.000 woningen);

- een voorstel voor de rondwegen Leuvenheim, De Hoven en Voorst, waarbij voor Voorst een aantal alternatieven is geformuleerd;

- een voorstel voor versterking van landschap en natuur.

Bij brief van 7 juli 2008 heeft de staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat aangegeven niet akkoord te kunnen gaan met de maatregelen die in het IGSV zijn opgenomen om te voldoen aan de veiligheids-kortetermijnopgave, aangezien deze de gestelde taakstelling bij de Voorsterklei niet haalt. De staatssecretaris heeft daarbij verzocht te onderzoeken of door het treffen van andere of aanvullende maatregelen al op korte termijn kan worden voldaan aan de langetermijnopgave.

De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in diens vaststelling dat de meest ingrijpende wijzigingen in het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong ten opzichte van het IGSV, betrekking hebben op de naar aanleiding van de vraagstelling van de staatssecretaris voor de waterveiligheid te nemen maatregelen bij de Voorsterklei (gemeente Voorst) en Cortenoever (gemeente Brummen). De stedenbouwkundige hoofdopzet van de woningbouwopgave is niet gewijzigd. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat het referendumverzoek betrekking heeft op het gehele voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong, wat verweerder blijkens het verhandelde ter zitting ook heeft onderkend.

2.8. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder, anders dan verzoeker betoogt, in het bestreden besluit niet een te beperkte uitleg gegeven aan het raadsbesluit van 18 mei 2009 met betrekking tot het voorstel Integrale Gebiedsontwikkeling IJsselsprong. Wel is de motivering van het bestreden besluit naar voorlopig oordeel innerlijk tegenstrijdig door enerzijds uit het raadsvoorstel de overweging over te nemen dat het besluit van 18 mei 2009 een aantal sterk met elkaar samenhangende voorstellen betreft, waaruit niet zonder meer onderdelen gehaald kunnen worden, zoals bijvoorbeeld de woningbouw, maar anderzijds te overwegen dat het project IJsselsprong als zodanig niet ter discussie staat. Naar voorlopig oordeel voldoet de motivering van het bestreden besluit in zoverre niet aan de daaraan ingevolge artikel 3:46 van de Awb te stellen eisen.

2.9. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat hij niet al eerder heeft overwogen om een referendumverzoek met betrekking tot een eerder raadsbesluit over de IJsselsprong in te dienen, omdat hij aanvankelijk heeft getracht de woningbouwplannen in en bij Zutphen aan de westzijde van de IJssel te beïnvloeden met het geven van inspraakreacties. Voorts heeft verzoeker aangegeven dat naar zijn inschatting het draagvlak onder de bevolking voor een referendum gaandeweg is ontstaan. Bovendien heeft verzoeker aangevoerd dat de staatssecretaris naar aanleiding van het IGSV heeft verzocht om andere of aanvullende maatregelen teneinde te voldoen aan de (lange termijn) veiligheidsopgave.

Het vorenstaande laat naar voorlopig oordeel onverlet dat verweerder zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een correctief raadplegend referendum met betrekking tot het besluit van 18 mei 2009, gelet op de aard en omvang van de wijzigingen daarin ten opzichte van het IGSV en het vergevorderde stadium waarin de bestuurlijke samenwerking tussen de betrokken partijen zich al bevindt, thans een te zwaar

middel zou zijn. Dat verzoeker om hem moverende redenen niet in een eerder stadium om een referendum heeft verzocht, maakt dit niet anders.

2.10. Gelet op wat hiervoor onder 2.9. is overwogen kan het onder 2.8. geconstateerde motiveringsgebrek naar verwachting bij de te nemen beslissing op bezwaar worden geheeld.

Om die reden kan thans niet worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.11. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. de Jong. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.