Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK0676

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
06/460273-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van de ISD-maatregel, nu naar zijn mening de ISD-maatregel als ultimum remedium dient te worden opgelegd en er in de onderhavige zaak nog een andere strafmodaliteit is, te weten klinische behandeling en het voortzetten van de huidige behandeling en begeleiding. De rechtbank is er in dit stadium en bij deze stand van zaken niet van overtuigd dat oplegging van de ISD-maatregel thans geboden is. Zij heeft er veeleer vertrouwen in dat de behandeling, gelet op de bij verdachte bespeurde houding, ook onder invloed van de reclassering van de grond kan komen. Enerzijds heeft verdachte een flink aantal veroordelingen op zijn justitiële documentatie staan inzake vermogenscriminaliteit en anderzijds heeft hij een uitgesproken demotivatie voor de ISD-maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook nog niet zover dat de ISD-maatregel moet volgen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460273-09

Uitspraak d.d.: 20 oktober 2009

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Doetinchem op [1980],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Zutphen.

Raadsman mr. R.D.J. Visschers te Elst.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2009.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 10 juli 2009 te Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (fietsen)winkel te Doetinchem (Rozengaardseweg 21) heeft weggenomen een (heren)fiets, van het merk Batavus in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Tweewieler Totaal en/of [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, op of omstreeks 8 juli 2009 te Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (bij Halfords, Nieuwstad 59 te Doetinchem) heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij, op of omstreeks 10 juli 2009 te Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanuit een auto die geparkeerd stond op de J.F. Kennedylaan te Doetinchem) heeft weggenomen een tas met daarin onder andere een (mobiele) telefoon (van het merk Nokia) en/of een portemonnee en/of kentekenbescheiden van een auto, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer3] en/of Bakkerij [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij, op of omstreeks 10 juli 2009 te Doetinchem, in elk geval in Nederland, een (mobiele) telefoon (van het merk Nokia) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die (mobiele) telefoon wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Aanleiding2

1. Op 10 juli 2009 omstreeks 5.15 uur kregen verbalisanten een melding van een gepleegde inbraak bij fietsenzaak Tweewielers Totaal aan de Rozengaardseweg 21 in Doetinchem. Daar had een getuige gezien, dat een man hard was weggefietst op een nieuwe herenfiets in de richting van de J.F. Kennedylaan te Doetinchem. De getuige heeft een signalement van die man gegeven. Vervolgens werd door andere verbalisanten een man aangehouden op de J.F. Kennedylaan te Doetinchem, die voldeed aan het opgegeven signalement.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is dat verdachte de diefstal zelf heeft gepleegd.

3. Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat getuige [naam] op 10 juli 2009 's ochtends om 5.00 uur kranten aan het bezorgen was. Rond dat tijdstip zijn er over het algemeen niet veel mensen op straat. Negen minuten later zag hij verdachte lopen op de Kennedylaan. Hij maakte een melding bij de politie en heeft een signalement doorgegeven. Verdachte wordt op basis van dat signalement aangehouden. De politie is bij verdachtes flat gaan kijken en achter zijn flat wordt de gestolen fiets aangetroffen. Dit alles heeft zich in twintig minuten afgespeeld. De sleutel van zijn omafiets, die later bij de fietsenwinkel is aangetroffen, had verdachte in zijn zak. De verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, is niet te verifiëren. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zijn vriendin een vroege dienst had en de band van haar fiets lek was. Daarom wilde verdachte zijn omafiets voor haar gaan ophalen. Die fiets had hij nabij de fietsenwinkel gestald. Op pagina 73 van het dossier heeft zijn vriendin echter verklaard dat zij geen werk had. De verklaring van verdachte wordt kortom rechtstreeks weersproken door zijn vriendin. Alles in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de fiets door middel van het plegen van braak uit de fietsenwinkel heeft weggenomen.

4. De bewezenverklaring van feit 2 heeft zij gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer2], de videobeelden en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting.

5. Met betrekking tot feit 3 subsidiair heeft zij aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij iemand is tegengekomen en van die persoon de telefoon heeft gekocht. De officier van justitie is van mening dat, als je 's ochtends vroeg een mobiele telefoon voor nog geen 10 euro koopt, je weet dat deze gestolen is.

C. Standpunt van de verdediging

6. De raadsman heeft gesteld dat het tweede tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Ten aanzien van de feiten 1 en 3 heeft hij vrijspraak bepleit.

7. Met betrekking tot feit 1 heeft hij aangevoerd dat in de visie van de officier van justitie verdachte in negen minuten zou hebben gehandeld, te weten de fiets weggenomen, bij zijn flat neergezet en weer naar de winkel lopen. Het is ongeveer tien tot vijftien minuten fietsen vanaf zijn flat naar de fietsenwinkel en lopend is het zeker twintig minuten. De verklaring van verdachte blijft dus overeind. Het doet niet terzake wat verdachte op dat tijdstip op straat deed. De getuige heeft niet een onderscheidend signalement gegeven. Hij heeft gezien dat de man een lichtblauwe trui met capuchon droeg. Dit signalement is niet aan verdachte te koppelen, omdat er niet meer mensen op straat zijn. De officier van justitie heeft niet onderbouwd dat er niemand anders op straat was op dat moment. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 1.

8. De raadsman kan de redenering van de officier van justitie ten aanzien van feit 3 primair volgen. Aan verdachte is echter slechts opzetheling ten laste gelegd. In deze omstandigheden kan niet gezegd worden, dat verdachte met zekerheid kon weten dat de telefoon van misdrijf afkomstig was. Hij dient ook van feit 3 subsidiair te worden vrijgesproken, nu geen schuldheling ten laste is gelegd.

D. Beoordeling door de rechtbank

Feit 1:

9. Bij de politie3 heeft [slachtoffer1] aangifte gedaan van diefstal. Op 10 juli 2009 werd hij omstreeks 5.10 uur gebeld door de alarmcentrale, dat er een inbraakalarm afging in zijn winkelpand. Dit pand betreft "Tweewieler Totaal", gevestigd aan de Rozengaardseweg 21 te Doetinchem. Hij zag dat de linkerkant van de twee schuifdeuren aan de voorzijde, opengebroken was. Hij kwam erachter dat hij uit de winkel een herenfiets miste. Het gaat om een Batavus weekend, in de kleuren blauw/wit/grijs, met registratienummer BA9107873. De politie belde even later dat ze de fiets hadden teruggevonden.

10. Uit het proces-verbaal van bevindingen4 van de politie is gebleken dat verbalisanten op 10 juli 2009 omstreeks 5.12 uur het verzoek kregen, te gaan naar de Rozengaardseweg 21 te Doetinchem. Aldaar was een inbraak gepleegd bij fietsenzaak Tweewielers Totaal. Een manspersoon in een blauw trainingsjasje met capuchon zou zijn weggefietst op een nieuwe herenfiets in de richting van de J.F. Kennedylaan te Doetinchem. Op het moment dat getuige [naam] over de Rozengaardseweg reed, zag hij de manspersoon hard wegfietsen bij genoemde fietsenzaak. Verbalisanten zagen een man lopen op de J.F. Kennedylaan die voldeed aan het door getuige [naam] opgegeven signalement.. De betreffende man, naar later bleek: verdachte, is aangehouden. Aan de achterzijde van de flat waar verdachte woont, zagen verbalisanten een herenfiets, merk Batavus, type Weekend, kleur grijs/blauw staan. Verbalisanten constateerden dat het een nieuwe fiets was. Later is vastgesteld dat het de door aangever uit zijn winkel gemiste fiets betrof.

11. Getuige [naam]5 heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 juli 2009 omstreeks 5.00 uur over de Rozengaardseweg te Doetinchem reed. Toen hij ter hoogte van de Albert Heijn aan voornoemde weg reed, zag hij vanaf de stoep van rijwielhandelaar "Tweewieler Totaal" een manspersoon heel hard aan komen fietsen. Hij zag dat de man wegfietste in de richting van de J.F. Kennedylaan. Toen [naam] verder fietste, zag hij dat de voordeur van "Tweewieler Totaal" opengebroken was. De man was lang en had een mager postuur. Hij droeg een lichtblauwe trainingsjas met capuchon (vermoedelijk katoenstof) en een zwarte broek. Hij zag de man op een lichtblauw metallic herenfiets wegfietsen.

12. Uit het proces-verbaal van bevindingen6 van de politie is naar voren gekomen dat een man is staande gehouden door verbalisant [naam]. Deze verbalisant heeft de man ambtshalve herkend als zijnde verdachte. De verbalisant heeft geconstateerd dat verdachte een dik katoenen shirt droeg, met capuchon, lichtblauw van kleur en van het merk Kappa. Verdachte droeg tevens een zwarte broek.

13. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de diefstal niet kan hebben gepleegd, gelet op de tijd die hij nodig heeft om van zijn flat naar de fietsenwinkel te komen. De rechtbank heeft via "Google Maps"7 onderzocht wat de afstand is tussen de flat waarin verdachte woonde aan de Beethovenlaan en de fietsenwinkel waar de fiets is weggenomen aan de Rozengaardseweg respectievelijk de afstand tussen verdachte's flat en de J.F. Kennedylaan, waar verdachte is aangehouden. Deze afstand bleek ongeveer 1 kilometer te zijn. Een feit van algemene bekendheid is dat de gemiddelde snelheid van een fietser 12 kilometer per uur en een wandelaar 5 kilometer per uur8 is, wat zou betekenen dat verdachte de afstand tussen de flat en de winkel in 5 minuten kan hebben afgelegd en de afstand tussen de flat en de J.F. Kennedylaan in 15 minuten kan hebben overbrugd. Getuige [naam] heeft verklaard om 5.00 uur te hebben gezien dat een man hard wegfietste bij de fietsenwinkel. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat verdachte - gelet op het feit dat hij hard voorbij fietste - de afstand in een kortere tijd dan vijf minuten heeft kunnen overbruggen. Verdachte is om 5.20 uur op de J.F. Kennedylaan - blijkens "Google Maps" de verbindingsweg tussen de fietsenwinkel en zijn flat - staande gehouden door de politie. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte de inbraak heeft gepleegd, om 5.00 uur hard is weggefietst richting zijn flat, hij de fiets achter zijn flat heeft gestald en om 5.20 uur op de J.F. Kennedylaan door de politie is aangehouden. Het verweer wordt om deze reden verworpen.

14. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het signalement dat getuige [naam] heeft doorgegeven, niet onderscheidend is. De rechtbank stelt echter vast dat getuige [naam] heeft verklaard dat de man een lichtblauwe trainingsjas met capuchon van vermoedelijk katoen en een zwarte broek droeg. Verbalisant [naam] heeft geconstateerd dat verdachte een lichtblauwe trui met capuchon van het merk Kappa droeg en een zwarte broek. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze constatering van de verbalisant genoegzaam overeen met het signalement dat [naam] van de wegfietsende man heeft gegeven, waardoor het voor de rechtbank aannemelijk is geworden dat de man die getuige [naam] die nacht hard op de herenfiets heeft zien wegfietsen, verdachte was. Het verweer wordt om die reden verworpen.

15. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn eigen fiets bij de fietsenwinkel moest ophalen, omdat zijn vriendin een vroege dienst had en de band van haar eigen fiets lek was. De vriendin van verdachte, [naam], heeft echter bij de politie9 verklaard dat zij sinds anderhalve maand geen werk had. Zij kon per 10 augustus 2009 bij Wedeo beginnen met werken. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte over zijn aanwezigheid op het vroege uur op de J.F. Kennedylaan onaannemelijk is, gelet op de verklaring die zijn vriendin bij de politie heeft afgelegd.

16. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de diefstal heeft begaan. Verdachte voldeed aan het signalement dat getuige [naam] aan de politie heeft doorgegeven. Hij heeft geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat hij op dat vroege uur in die omgeving aanwezig was en de gestolen fiets is achter zijn flat aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte doelbewust naar de fietsenwinkel is gegaan. Hij heeft de schuifdeur van de winkel opengebroken, de fiets weggenomen, is heel hard weggefietst en heeft de fiets achter zijn flat gestald. Gelet op de tijdspanne tussen het wegnemen van de fiets, het staande houden van verdachte en het aantreffen van de fiets achter de flat van verdachte en mede gelet op het signalement waaraan verdachte voldeed, is de rechtbank er op basis van de bewijsmiddelen van overtuigd dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. Alles overziend en in onderlinge samenhang beschouwd, kan het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2:

17. De rechtbank heeft de bewezenverklaring van het tweede tenlastegelegde feit gebaseerd op de aangifte10 van [slachtoffer2], het proces-verbaal van bevindingen11 en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie12 en ter terechtzitting.

Feit 3:

18. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte de goederen zelf heeft gestolen. Door [slachtoffer3] is aangifte gedaan, maar overigens is geen bewijs in het dossier aanwezig dat verdachte de goederen heeft weggenomen, nu hij dat steeds heeft ontkend. Verdachte zal daarom van het primaire onderdeel van dit feit worden vrijgesproken.

19. Bij de politie heeft [slachtoffer3] aangifte13 gedaan van diefstal. Op 10 juli 2009 is tussen 4.10 uur en 4.20 uur aan de J.F. Kennedylaan te Doetinchem zijn tas, met daarin onder andere een mobiele telefoon van het merk Nokia, uit zijn vrachtauto gestolen.

20. Uit het proces-verbaal van bevindingen14 van de politie is gebleken dat bij verdachte bij zijn aanhouding een mobiele telefoon van het merk Nokia is aangetroffen. Deze kwam uit zijn fouillering. Omstreeks 15.30 uur hoorde de verbalisant, dat er gebeld werd naar deze telefoon. Verbalisant nam de telefoon op, en [slachtoffer3] meldde hem dat zijn telefoon, waarnaar hij nu aan het bellen was, in de afgelopen nacht was gestolen. [slachtoffer3] is naar het bureau gekomen en heeft de telefoon herkend als zijnde de telefoon die uit zijn vrachtwagen was gestolen. Er stonden foto's op de telefoon, die aangever zelf had gemaakt.

21. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de telefoon op 10 juli 2009 vroeg in de ochtend voor minder dan 10 euro, namelijk voor het bedrag aan kleingeld dat hij toen los in zijn zak had zitten, heeft gekocht van een bekende. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de telefoon dezelfde dag weer wilde verkopen.

22. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de telefoon was gestolen. Gelet op het vroege uur waarop verdachte de telefoon heeft gekocht , afgezet tegen het feit dat verdachte de telefoon voor minder dan 10 euro heeft gekocht en deze dezelfde dag weer wilde verkopen, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat verdachte wist dat het niet anders kon dan dat de telefoon gestolen was. De rechtbank verwerpt derhalve het op dit punt gevoerde verweer.

23. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 10 juli 2009 te Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (fietsen)winkel (Rozengaardseweg 21) heeft weggenomen een (heren)fiets, van het merk Batavus toebehorende aan Tweewieler Totaal of [slachtoffer1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

hij op 8 juli 2009 te Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (bij Halfords, Nieuwstad 59) heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en een (mobiele) telefoon, toebehorende aan [slachtoffer2];

3 subsidiair.

hij op 10 juli 2009 te Doetinchem, een mobiele telefoon van het merk Nokia heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die mobiele telefoon wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2: diefstal;

Feit 3 subsidiair: opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

24. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

25. De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is gemotiveerd om een behandeling te volgen, maar niet onder de vlag van de ISD-maatregel. Ook is de raadsman van mening dat niet is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en wenselijkheid die gelden om de ISD-maatregel te kunnen opleggen. De reclassering heeft geadviseerd de ISD-maatregel op te leggen, maar heeft in haar rapport geen alternatieven benoemd, zodat de raadsman niet kan toetsen of de ISD-maatregel daadwerkelijk noodzakelijk is. De ISD-maatregel dient als ultimum remedium te worden beschouwd,Naar de mening van de raadsman is er een andere optie, te weten klinische behandeling en het voortzetten van de huidige behandeling en begeleiding.

26. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

27. Ten nadele van verdachte spreekt zijn stafblad. Verdachte heeft in verhouding tot zijn leeftijd inmiddels een forse justitiële documentatie opgebouwd, waarbij hij voor het laatst is veroordeeld door de politierechter in Zutphen op 5 maart 2009, slechts vier maanden voordat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft een snelle en omvangrijke recidive, door veel en vaak dit soort nare feiten te plegen. Deze feiten staan in een lange reeks van delicten, bestaande uit voornamelijk vermogensdelicten, waarvoor verdachte in de afgelopen jaren herhaaldelijk is veroordeeld. De rechtbank overweegt dat verdachte als veelpleger de samenleving bij voortduring veel schade en overlast toebrengt. Willekeurige derden zoals burgers, winkels en instellingen zijn daarvan de dupe.

28. De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat het erop lijkt dat verdachte gemotiveerd is om een behandeling te ondergaan. Verdachte heeft ter zitting laten blijken dat hij zijn leven wil beteren en dat hij inziet dat het zo niet door kan gaan.

29. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsrapport van 9 september 2009, waarin wordt geadviseerd aan verdachte de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren op te leggen. De rechtbank is er in dit stadium en bij deze stand van zaken niet van overtuigd dat oplegging van de ISD-maatregel thans geboden is. Zij heeft er veeleer vertrouwen in dat de behandeling, gelet op de bij verdachte bespeurde houding, ook onder invloed van de reclassering van de grond kan komen. Enerzijds heeft verdachte een flink aantal veroordelingen op zijn justitiële documentatie staan inzake vermogenscriminaliteit en anderzijds heeft hij een uitgesproken demotivatie voor de ISD-maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook nog niet zover dat de ISD-maatregel moet volgen.

30. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de aard en zwaarte van de bewezen geachte feiten en aan de andere kant heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij daadwerkelijk wat aan zijn problemen wil doen op velerlei gebied. Alles afwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf van negen (9) maanden.

31. De rechtbank zal hiervan vier (4) maanden voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zal de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht worden gekoppeld, ook als dat inhoudt het volgen van ambulante behandeling. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer2], [adres en bankrekeningnr.] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 240,85 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer3], [adres] (rekeningnummer onbekend) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 350,00 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer4], [adres en bankrekeningnr.] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2340,00 gevoegd in het onderhavige strafgeding.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu vrijspraak isbepleit ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde. [slachtoffer4] dient eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, nu de schade van [slachtoffer4] geen betrekking heeft op een aan verdachte ten laste gelegd feit. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van [slachtoffer2].

Naar het oordeel van de rechtbank dienen benadeelde partijen [slachtoffer3] en [slachtoffer4] niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, nu deze vorderingen geen betrekking hebben op een bewezenverklaard feit en aan de benadeelde partijen derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezenverklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vorderingen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, vast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer2] als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat naar redelijkheid een bedrag van € 200,00 aan [slachtoffer2] kan worden toegekend. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan derhalve dat deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van [slachtoffer2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 2: diefstal;

Feit 3 subsidiair: opzetheling.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt het meewerken aan ambulante behandeling;

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer2], [adres en bankrekeningnr.] van een bedrag van € 200,00, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], een bedrag te betalen van € 200,00, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer3] niet-ontvankelijk in haar vordering;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer4] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen door mrs. Vos, voorzitter, Roessingh-Bakels en Vaandrager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee-Ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0641/2009027445, Regio Noord- en Oost Gelderland, District Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 11 augustus 2009.

2 Stamproces-verbaal (p. 16).

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer1] (p. 55-56).

4 Proces-verbaal van bevindingen (p. 60-61).

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] (p. 70-71).

6 Proces-verbaal van bevindingen (p. 62).

7 Bron: http://maps.google.nl/maps?hl=nl&tab=wl.

8 Bron: http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/AD81E454-6D8A-4130-AADE-205228AB76BB/0/index1294.pdf.

9 Proces-verbaal van verhoor van [naam] (p. 73).

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer2] (p. 85-87).

11 Proces-verbaal van bevindingen (p. 91-92).

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 100-101).

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer3] (p. 133-134).

14 Proces-verbaal van bevindingen (p. 140).