Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK0638

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
06/921002-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting in 2004 in de spaar- en beleggingssfeer leidt tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding aan de benadeelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/921002-06

Uitspraak d.d. 20 oktober 2009

Verstek / dnip - onip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Schiedam op [1948],

(sinds 9 augustus 2007) zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2009.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem althans in Nederland,tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, één of (meer)ma(a)l(en) (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, een ander althans ander(en), te weten:

[slachtoffers 1 t/m 4]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), hierin bestaande dat verdachte (telkens) tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich aan het publiek, althans aan één of meer van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gepresenteerd als een instelling die een belegging in onroerend goed aanbiedt met een vaste gegarandeerde opbrengst en maandelijkse uitbetaling van het rendement en/of

- (vervolgens) aan het (aldus benaderde) publiek, althans één of meer van voornoemde perso(o)n(en) tot zekerheid van de geïnvesteerde gelden heeft/hebben voorgespiegeld:

* dat een hypotheekrecht zou worden verleend op het aan te kopen onroerend goed en/of

* een bankgarantie zou worden verstrekt ter hoogte van het rendement van één jaar gedurende de looptijd van de investering en/of

* het ingelegde geld na de looptijd van de investering gegarandeerd zou worden terugbetaald,

waardoor (voornoemde) [slachtoffer1] (inleg € 50.000,00) en/of [slachtoffer2] (inleg € 30.000,00) en/of [slachtoffer3] (inleg € 50.000,00) en/of [slachtoffer4] (inleg € 65.566,04) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

of, zo het vorenstaande niet tot zijn veroordeling mocht leiden,

dat hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, één of (meer)ma(a)l(en) (telkens) opzettelijk geld, in totaal ongeveer € 195.000,00, in elk geval (telkens) één of meerdere hoeveelhe(i)d(en) geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4], in elk geval telkens aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn/hun beroep van beleggingsadviseur ter belegging in onroerend goed en/of geldelijke vergoeding en aldus anders een dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

artikel 322 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

één of meermalen (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare

gelden van het publiek, te weten:

- [slachtoffer1] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €50.000,00) en/of

- [slachtoffer2] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €30.000,00) en/of

- [slachtoffer3] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €50.000,00) en/of

- [slachtoffer4] (ter beschikking gesteld geldbedrag van € 65.566,04)

heeft/hebben aangetrokken en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking krijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden;

(art. 82, eerste lid, Wet Toezicht Kredietwezen 1992)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

één of meermalen (telkens) opzettelijk in strijd met artikel 3, eerste lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 buiten een besloten kring van personen bij uitgifte effecten heeft aangeboden, zulks terwijl de uitzonderingen vermeld in artikel 3, tweede lid van de wet toezicht effectenverkeer 1995 zich niet voordeden, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) willekeurige personen, te weten:

[slachtoffers 1 t/m 4]

benaderd om (een)geldbedrag(en in te leggen in het "Delmenhorst Vastgoed Nederland individueelinvesteringsplan", zijnde een belegging in onroerend goed, op welk(e) ingelegde geldbedrag(en) periodiek een rendement zou worden uitgekeerd volgens een vast percentage van die/dat ingelegd(e) geldbedrag(en) en welk(e) ingelegd(e) geldbedrag(en) na afloop van een overeengekomen periode zou(den) worden terugbetaald.

art 3, eerste lid, Wet Toezicht Effectenverkeer 1995.

De (bewijs)motivering1

A. De vaststaande feiten / aanleiding

Naar aanleiding van aangiften van verschillende beleggers en van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) is door de FIOD-ECD een onderzoek gestart.

Uit dat onderzoek is gebleken dat aan Delmenhorst Nederland Vastgoed (hierna: Delmenhorst) door een aantal mensen, te weten [slachtoffers 1 t/m 4] aanzienlijke geldbedragen ter investering in vastgoed waren betaald. Zij werden daartoe bewogen op basis van de verkoopinformatie die zij van verkopers [verdachte] dan wel [medeverdachte1] kregen. De beleggers kregen informatie over het verlenen van een recht van hypotheek op het onroerend goed waarin werd geïnvesteerd, over een vast vooruitbetaald jaarrendement (8,04%) over het netto geïnvesteerde kapitaal en een bankgarantie voor betaling van dit rendement. Tevens werd hen voorgespiegeld dat na het einde van de looptijd van de beleggingsovereenkomst het volledige netto geïnvesteerde bedrag zou worden terugbetaald.

Uit het overzicht van de bankrekening van Delmenhorst bleek, dat de gelden die zijn ingelegd door/ontvangen van de inleggers niet zijn aangewend voor de aankoop van onroerend goed. Het geld is volledig opgegaan aan overschrijvingen naar andere BV's van verdachte [verdachte], (privé)betalingen aan een vennootschap van medeverdachte [medeverdachte1], alsmede rendementsbetalingen aan inleggers. Er is nimmer rendement behaald uit onroerend goed.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard op grond van de verklaring van verdachte, de aangiften van [slachtoffers 1 t/m 4] en de AFM, de verschillende overeenkomsten tussen genoemde beleggers en Delmenhorst en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2].

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte heeft ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten bij de politie een bekennende verklaring2 afgelegd.

Daarnaast zijn voor het bewijs voorhanden:

- de aangiften van [slachtoffer1]3, [slachtoffer2]4 en [slachtoffer3]5, [slachtoffer4] 6 en de aangifte van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)7;

- de overeenkomsten tussen Delmenhorst en de onderscheiden beleggers8 (zie dossier D/13, D/15, D/18 en D/20);

- de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte1]9 en [medeverdachte2]10.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de navolgende feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 primair:

hij in de periode van 1 februari 2004 tot 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, anderen, te weten:

- [slachtoffer1] en

- [slachtoffer2] en

- [slachtoffer3] en

- [slachtoffer4]

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hierin bestaande dat verdachte telkens tezamen met verdachtes mededaders, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- zich aan voornoemde personen heeft gepresenteerd als een instelling die een belegging in onroerend goed aanbiedt met een vaste gegarandeerde opbrengst en maandelijkse uitbetaling van het rendement en

- vervolgens aan voornoemde personen tot zekerheid van de geïnvesteerde gelden heeft voorgespiegeld:

* dat een hypotheekrecht zou worden verleend op het aan te kopen onroerend goed en

* een bankgarantie zou worden verstrekt ter hoogte van het rendement van één jaar gedurende de looptijd van de investering en

* het ingelegde geld na de looptijd van de investering gegarandeerd zou worden terugbetaald,

waardoor voornoemde [slachtoffer1] (inleg € 50.000,00) en [slachtoffer2] (inleg € 30.000,00) en [slachtoffer3] (inleg € 50.000,00) en [slachtoffer4] (inleg € 65.566,04) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in de periode van 1 februari 2004 tot 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek, te weten:

- [slachtoffer1] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €50.000,00) en

- [slachtoffer2] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €30.000,00) en

- [slachtoffer3] (ter beschikking gesteld geldbedrag van €50.000,00) en

- [slachtoffer4] (ter beschikking gesteld geldbedrag van € 65.566,04)

heeft aangetrokken en ter beschikking heeft gehad.

3.

hij in de periode van 1 februari 2004 tot en met 17 december 2004 te Zetten en/of Vorden en/of Ruurlo en/of Lochem, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, buiten een besloten kring van personen, bij uitgifte effecten heeft aangeboden, zulks terwijl de uitzonderingen vermeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, zich niet voordeden, immers hebben verdachte en zijn mededaders willekeurige personen, te weten:

- [slachtoffer1] en

- [slachtoffer2] en

- [slachtoffer3] en

- [slachtoffer4],

benaderd om geldbedragen in te leggen in het "Delmenhorst Vastgoed Nederland Individueelinvesteringsplan", zijnde een belegging in onroerend goed, op welke ingelegde geldbedragen periodiek een rendement zou worden uitgekeerd volgens een vast percentage van die ingelegde geldbedragen en welke ingelegde geldbedragen na afloop van een overeengekomen periode zouden worden terugbetaald.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1: primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van

de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk meermalen gepleegd;

3: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij 3, eerste lid, van de Wet

toezicht effectenverkeer 1995 (oud), opzettelijk meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie heeft in zijn strafeis betrokken dat - samengevat - verdachte samen met anderen bewust heeft ingespeeld op de - zeker in de tenlastegelegde periode - nog buitensporig positieve verwachtingen voor wat betreft economische verwachtingen, met name ook in de beleggingensfeer. Zij hebben zich bewust onttrokken aan het toezicht van de financiële autoriteiten. Het uitbrengen van een hypotheekadvies vormde de aanleiding om het eigen beleggingsproduct aan de mensen te slijten. Zij hebben hun eigen luchtkastelen verkocht, waarbij bewust garanties werden voorgespiegeld die niet konden worden waargemaakt, dan wel moesten worden gefinancierd uit de inleg van opvolgende beleggers. Op die manier zijn particulieren voor aanzienlijke bedragen gedupeerd en hebben zij grote risico's genomen die door de verdachten werden "weggegarandeerd".

De officier van justitie heeft in zijn eis verdisconteerd, dat er inmiddels ruim 3 jaar zijn verstreken.

2. De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

3. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting in de spaar- en beleggingssfeer (en daarmee samenhangend aan overtreding van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud) en de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) zoals hierboven is aangegeven). Verdachte heeft mensen met gebruikmaking van 'Delmenhorst' er toe gebracht aanzienlijke bedragen in te leggen, met voorspiegeling van een gegarandeerd rendement en - na ommekomst van de looptijd - een integrale terugbetaling van de inleg.

Met deze kwalijke praktijken is aan de aangevers groot financieel nadeel berokkend. Verdachte is zelfs doorgegaan met het verkopen van de belegging in 'Delmenhorst' op een moment dat hij wist dat het geld in een bodemloze put zou verdwijnen. Slechts uit zijnde op snel financieel gewin, heeft hij geld afhandig gemaakt van particulieren, die in het volste vertrouwen geld hebben afgestaan. Daarbij heeft hij op de koop toe genomen dat zij daarin ernstig zouden worden gedupeerd.

Feiten als deze leiden in het algemeen tot grote verontwaardiging binnen de samenleving en doen afbreuk aan het vertrouwen binnen de financiële markt.

Ten gunste van verdachte weegt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor dit soort strafbare feiten11. Hij heeft een blanco strafblad.

Verder houdt de rechtbank er ten voordele van verdachte rekening mee dat de redelijke termijn, binnen welke berechting dient te hebben plaatsgevonden, overschreden is.

De redelijke termijn is aangevangen op 26 september 2006, zijnde het moment dat de verdachte terzake de tenlastegelegde feiten is aangehouden en voor de eerste keer een handeling is verricht waaruit de verdachte heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het voornemen had tegen hem een vervolging in te stellen ter zake van de tenlastegelegde feiten. Nu een termijn van twee jaar als redelijk wordt beschouwd, is deze vanaf 26 september 2008 overschreden. De overschrijding duurt voort tot de datum van deze uitspraak. Er is aldus sprake van een overschrijding van ruim een jaar.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 47.990,-- (inleggeld minus zes maal de storting van € 335,--) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde. Tevens wordt gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en vergoeding van de wettelijke rente vanaf de datum schadeveroorzakend feit.

De benadeelde partij [slachtoffer2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 31.800,--, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer3] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 53.000,--, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Tevens wordt gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en vergoeding van de wettelijke rente vanaf de datum schadeveroorzakend feit.

De benadeelde partij [slachtoffer4] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 69.585,00 (betaald bruto ingelegde bedrag ad € 69.500,--, plus juridische kosten van € 85,--), gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk kunnen worden toegewezen tot de ingelegde bedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden tot na te melden bedragen, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank zal de vorderingen als volgt aan na te noemen benadeelde partijen toewijzen:

- [slachtoffer1], een vergoeding van € 47.990,00 (zijnde het door haar gevorderde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2005 (gelet op de datum waarop de rentebetalingen zijn gestopt en vervolgens aangifte is gedaan);

- [slachtoffer2], een vergoeding van € 30.000,-- (zijnde het ingelegde bedrag zoals vermeld in de dagvaarding). Voor het overige zal de rechtbank [slachtoffer2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering;

- [slachtoffer3], een vergoeding van € 50.000,-- (zijnde het ingelegde bedrag zoals vermeld in de dagvaarding) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2005 (gelet op de datum waarop de rentebetalingen zijn gestopt en vervolgens aangifte is gedaan). Voor het overige zal de rechtbank [slachtoffer3] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering;

- [slachtoffer4], een vergoeding van € 65.566,04 (zijnde het ingelegde bedrag zoals vermeld in de dagvaarding). De post juridische kosten ad € 85,-- komt niet voor vergoeding in aanmerking en zal worden afgewezen. Voor het overige - niet afgewezen bedrag - zal de rechtbank [slachtoffer4] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering;

De rechtbank zal deze vorderingen hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat indien en voor zover de mededaders hebben betaald, verdachte zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft verder het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedragen ten behoeve van eerdergenoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 1, 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 47, 57, 91 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1(oud), 2 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten, artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud) en artikel 3 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud).

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

* verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1: primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de

Wet toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk meermalen gepleegd;

3: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij 3, eerste lid, van de Wet

toezicht effectenverkeer 1995 (oud), opzettelijk meermalen gepleegd;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot hoofdelijke betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer1], wonende te [adres en bankrekeningnr] van een bedrag van € 47.990,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2005 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], een bedrag te betalen van € 47.990,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 90 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot hoofdelijke betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer2], wonende te [adres en bankrekeningnr.] van een bedrag van € 30.000,--, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], een bedrag te betalen van € 30.000,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 60 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot hoofdelijke betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer3], wonende te [adres en bankrekeningnr.] van een bedrag van € 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2005 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer3], een bedrag te betalen van € 50.000,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 94 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot hoofdelijke betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer4], wonende te [adres en bankrekeningnr.] van een bedrag van € 65.566,04, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4] af voor zover ziende op de post juridische kosten ad € 85,-- en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4], een bedrag te betalen van € 65.566,04, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 113 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Van der Hooft en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2009.

Voetnoten:

1 wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte (Overzichts)proces-verbaal nr. 36042 van de Belastingdienst/FIOD-ECD kantoor Almelo (voorzover niet anders is vermeld)

2 Verklaring verdachte, dossiers bijlage V1-01 pagina's. 5 en 6, bijlage V1-02 pagina's 4 t/m 7, bijlage V1-03 pagina 2 en 3 en bijlage V1-04 pagina 2

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer1], dossier bijlage G1-01

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer2], dossier bijlage G2-01

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer3], dossier bijlage G4-01

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer4], dossiernummer 36042, G3-2

7 Proces- verbaal van aangifte AFM, dossier bijlage D/01

8 Overeenkomsten, dossiers D/13, D/15, D/18 en D/20

9 Processen-verbaal van verhoor [medeverdachte1], dossiers bijlage V2-01 pagina's 3 en 4, bijlage V2-02 pagina 6 en bijlage V2-03 pagina's 3 en 5

10 Processen verbaal van verhoor [medeverdachte2], dossier bijlage V3-01 pagina 5, bijlage V3-02 pagina 5, 6 en 8, bijlage V3-03 pagina 3

11 Uittreksel justitiële documentatiedienst d.d. 12 mei 2009