Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BK0428

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
89668 / FARK 07-2038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Periodiek verrekenbeding. De man en de vrouw hebben tijdens huwelijk eenmaal tussentijds afgerekend. Berekening aandeel vrouw in waardestijging woning en winkelpand sindsdien in verband met aflossingen hypotheekschuld en verbouwingen, die gedeeltelijk uit overgespaard inkomen zijn bekostigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 89668 / FARK 07-2038

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 april 2009

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. H.A.M. Ritsma-Hartman te Zutphen,

en

[verweerders],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerders, hierna te noemen de erven,

advocaat: mr. C.A. Spekschoor te Lochem.

Het verdere procesverloop

Dit verdere verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Ritsma-Hartman van 10 december 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Ritsma-Hartman van 15 december 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Spekschoor van 13 januari 2009;

- de brief van mr. Ritsma-Hartman van 11 februari 2009.

De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist, en volhardt daarin, voor zover daarop hierna niet wordt teruggekomen. Bij de verdere beoordeling zal dezelfde volgorde worden aangehouden die is gehanteerd in de tussenbeschikking.

Winkelpand [adres te plaats]

De rechtbank heeft geoordeeld dat er duidelijkheid diende te komen over de financiering van de verbouwingen in 1994/1995 en - kort gezegd - het verloop van de hypotheekschuld.

De vrouw heeft aangevoerd, onder overlegging van een hypotheekakte (prod. 7 bij de brief van 10 december 2008) dat er een hypothecaire schuld van ƒ 30.000,-- is aangegaan voor de aankoop van het pand. De vrouw meent dat de aankoopprijs ƒ 49.500,-- was. Het meerdere is afkomstig uit de verkoopopbrengst van een stuk land dat de man in privé bezat. De vrouw heeft daar in de brief van 10 december 2008 nog aan toegevoegd dat er ook ƒ 9.500,-- uit overgespaard inkomen is voldaan.

De erven hebben onder verwijzing naar prod. 12 bij de brief van de vrouw aangevoerd dat de koopprijs ƒ 40.000,-- was, zodat niet is aangetoond dat er een bedrag uit overgespaard inkomen voor het pand is betaald. De rechtbank volgt de erven hierin, gelet op de verklaring van de vrouw ter zitting, dat de koopprijs is voldaan uit de opbrengst van het land (tussen partijen staat niet ter discussie dat dit ƒ 10.000,-- was) en een hypothecaire lening (die blijkens de stukken ƒ 30.000,-- bedraagt). Weliswaar voert de vrouw aan dat de erven haar verklaring hebben betwist, maar die betwisting is niet gemotiveerd, en het rechtsgevolg van deze betwisting (te weten dat het meerdere in de verrekening moet worden betrokken) is door hen klaarblijkelijk niet beoogd. Gelet op de verklaring van de vrouw ter zitting was, zoals in de tussenbeschikking reeds is overwogen, het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW - voor zover dat al ziet op deze situatie - reeds weerlegd, zodat de vrouw had dienen aan te tonen dat niettemin sprake was van betalingen uit overgespaard inkomen. Zij heeft hiervan echter geen onderbouwing gegeven, zodat aan haar stelling voorbij wordt gegaan.

Ten aanzien van de verbouwingen overweegt de rechtbank dat bij nader inzien niet alleen geoordeeld dient te worden over de verbouwing in 1995, maar ook over de bouwkosten van de appartementen in 1997/1998. Verwezen wordt naar de jaarlijks in de jaarstukken terugkomende specificaties van het onroerend goed Spalstraat c.q. overzicht immateriële en materiële vaste activa. Ook uit de overgelegde balans per 31 december 1998 (onderdeel van prod. 1 bij de brief van 26 maart 2008) blijkt dat - anders dan in de tussenbeschikking is overwogen - sprake is geweest van een toename van de waarde van het pand in dat jaar. Uit diverse jaarstukken blijkt dat er ook in 1980 een verbouwing heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt aan dat deze uit eigen middelen is gefinancierd, nu op de balans van 1990 (de oudste die voorhanden is) geen andere hypothecaire schuld is opgenomen dan die van ƒ 30.000,-- waarover hiervoor is overwogen. De middelen voor deze verbouwing moeten echter worden geacht te zijn verdisconteerd in de afrekening die tussen partijen per 24 oktober 1990 heeft plaatsgevonden.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de erven niet hebben aangetoond dat de oorzaak van de verschuiving in de rekening-courantverhouding met de bank in 1995 direct te vinden is in de verbouwing. Kennelijk was er voldoende financiële ruimte om de verbouwing uit te voeren zonder nadere kredietverstrekking van de Rabobank. Indien de verbouwing niet had plaatsgevonden, zou er meer eigen vermogen in de onderneming zijn gebleven. Partijen zijn het erover eens dat winst uit onderneming onder het inkomensbegrip valt en de vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er nog een bedrag aan overgespaarde inkomsten uit de onderneming te verrekenen valt, waarover hierna nader geoordeeld zal worden. Hier volstaat de verwijzing naar artikel 1:141 lid 4 BW, dat bepaalt dat indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot. Het bedrag aan uitkeerbare winsten zou hoger zijn geweest indien de verbouwing niet zou hebben plaatsgevonden. Geoordeeld moet dan ook worden dat de verbouwing wel degelijk ten laste van overgespaard inkomen is gekomen, zodat het hiermee gemoeid gaande bedrag in de verrekening dient te worden betrokken.

Van 1993 tot 1995 is de balanspost “Verbouwing winkel” met ƒ 126.452,-- toegenomen. Nu daarin echter ook direct weer een bedrag aan afschrijvingen is opgenomen, dat op basis van de overgelegde stukken over de desbetreffende jaren niet kan worden vastgesteld, wordt aansluiting gezocht bij de specificatie op pag. 12 van de jaarstukken van de onderneming van

2002 (prod. 8 bij de brief van mr. Spekschoor van 6 december 2005), welke specificatie overigens in jaarstukken van latere jaren terugkomt. Daaruit kan worden afgeleid dat het totaal geïnvesteerde bedrag voor deze verbouwing € 63.625,-- heeft belopen, welk bedrag volledig moet worden geacht uit overgespaard inkomen te zijn voldaan.

Uit hetzelfde stuk kan tevens worden afgeleid dat de bouwkosten van de appartementen in 1997/1998 € 64.803,-- (ƒ 142.807,--) hebben bedragen. Hiervoor is kennelijk wel een nadere hypothecaire lening afgesloten. De lening bedroeg ƒ 260.000,-- (omgerekend € 117.983,--). Uit de bijlagen bij prod. 16 bij de bief van mr. Spekschoor van 10 juni 2008 kan worden afgeleid dat het om één lening gaat. Deze is echter in de boeken in tweeën gedeeld. Van het bedrag was ƒ 170.000,-- zakelijk en ƒ 90.000,-- privé. Het bedrag van ƒ 170.000,-- komt vrijwel overeen met de bouwkosten van de appartementen vermeerderd met het bedrag van de oorspronkelijke hypotheek. Van het meerdere, te weten ƒ 2.807,-- (€ 1.273,76), zal worden aangenomen dat dit uit overgespaard inkomen is bekostigd.

Afgaande op de winstberekening door kapitaalsvergelijking 1998 (onderdeel van prod. 1 bij de brief van mr. Spekschoor van 26 maart 2008) stond de lening van ƒ 170.000,-- los van de lening van ƒ 30.000,--. Beide partijen gaan ervan uit dat er een bedrag van ƒ 30.000,-- op de hypotheekschuld is afgelost. De erven verwijzen naar stukken van Meeùs en Amev, die als prod. 20 bij de brief van 13 januari 2009 zijn overgelegd. Hieruit kan worden afgeleid dat er op 24 november 2002 een uitkering heeft plaatsgevonden op de levensverzekering van de man met polisnummer 92922297. Daarvan is blijkens de brief van Meeùs van 3 oktober 2002 een bedrag van € 13.988,54 (iets meer dan ƒ 30.000,--) overgemaakt naar de afdeling hypotheken en een bedrag van € 8.132,46 overgemaakt naar de man zelf. Uit de stand van de hypotheekschuld op 7 juni 2005 (totaal € 117.982,26) kan niet worden afgeleid dat er is afgelost op het bedrag van ƒ 260.000,--. Ook dit duidt erop dat náást het bedrag van ƒ 260.000,-- de lening van ƒ 30.000,-- is blijven bestaan en dat deze in 2002 is afgelost. Partijen gaan kennelijk ook van deze situatie uit, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. Aannemende dat er een aflossing van de hypotheekschuld heeft plaatsgevonden uit de polis bij Amev, is deze uit overgespaard inkomen bekostigd en zal het bedrag in de verrekening dienen te worden betrokken.

Het voorgaande leidt tot het navolgende overzicht.

Op 24 oktober 1990 was sprake van een pand met een waarde van € 152.000,--. Er was een hypotheekschuld van ƒ 30.000,--. Het restant was gefinancierd uit privégeld van de man en/of overgespaard inkomen, dat verrekend is.

Op 7 juni 2005 bedroeg de hypotheekschuld ƒ 170.000,-- oftewel € 77.142,64. De waarde van het pand is nog in discussie. Er hebben verbouwingen plaatsgevonden, die tot een bedrag van € 64.898,76 (€ 63.625,-- + € 1.273,76) uit overgespaarde inkomsten zijn bekostigd.

Indien alleen de verbouwingen in de verrekening behoeven te worden betrokken, dient een deskundige de waardevermeerdering ten gevolge van de afzonderlijke verbouwingen (1995 en bouw appartementen) te bepalen, op basis waarvan de netto waardevermeerdering van het pand als gevolg van deze investeringen kan worden vastgesteld. Nu echter tevens de oorspronkelijke hypotheekschuld van ƒ 30.000,-- uit privégeld is afgelost, heeft de vrouw daarnaast recht op een evenredige waardevermeerdering van het pand tussen 1990 en 2005.

Er zal een deskundige benoemd worden om het pand te taxeren in de staat waarin dit zich op 7 juni 2005 bevond en daarbij tevens een taxatie te doen waaruit blijkt wat de waarde zou zijn

geweest indien de bouw van de appartementen in 1998 niet had plaatsgevonden (maar wel de verbouwing in 1995) en wat de waarde zou zijn geweest indien beide verbouwingen niet hadden plaatsgevonden, teneinde de waardestijgingen als gevolg van de verbouwingen te kunnen vaststellen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat voor zover van toepassing rekening dient te worden gehouden met de gedeeltelijk verhuurde staat van het pand. Zoals ter zitting besproken, zal de rechtbank een makelaar van Luimes & Lebbink Makelaars te Hengelo (Gld.) tot deskundige benoemen.

Onderneming

Hoewel de vrouw daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft zij haar stellingen ten aanzien van het bedrag van € 216.000,-- aan bijzondere opnames en privéonttrekkingen vanuit de onderneming niet nader toegelicht. De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gewezen op de balansen waarop diverse bijzondere opnames zijn vermeld en vaak een post “overige privéonttrekkingen” is opgenomen.

Indien wordt uitgegaan van de winstberekeningen die namens de erven zijn overgelegd als prod. 1 bij de brief van 26 maart 2008, kunnen daarin de volgende bijzondere opnames en privé-onttrekkingen worden teruggevonden vanaf 1990:

1992 Overboeking spaarrekening ƒ 40.000,--

1993 Overboeking spaarrekening ƒ 7.500,--

1998 Uitbetaling kapitaalverzekering kinderen ƒ 37.341,--

2002 Aflossing Amev hypotheek € 13.614,--

In totaal gaat het om een bedrag van € 52.113,17.

Kennelijk wenst de vrouw daarbij tevens de post “overige privébetalingen” en de post “Bijzondere opnamen” op te tellen. Het enkele feit dat deze posten niet nader gespecificeerd zijn, maakt echter niet dat sprake is van winst die als overgespaard inkomen dient te worden beschouwd. Dit geldt voor de eerstgenoemde post te meer nu over betalingen wordt gesproken en dus moet worden aangenomen dat hiermee kosten zijn voldaan. De vrouw heeft zich hierover niet nader uitgelaten.

Anderzijds zijn de volgende kapitaalstortingen gedaan:

1990 Overboeking spaarrekening ƒ 45.000,--

Lening [naam A] ƒ 5.000,--

1991 Uitkering dividend “Samen Sterk” ƒ 57,--

1993 Privéstortingen ƒ 8.626,68

1994 Euretco uitkering dividend ƒ 54,--

Woudsend lijfrente ƒ 82.501,--

Wolters aflossing en lijfrente ƒ 5.306,25

1995 Opname spaarrekening ƒ 30.000,--

Overige privéstortingen ƒ 2.000,--

1996 Dividenduitkering ƒ 78,--

Overige privéstortingen ƒ 3.550,--

1997 Dividenduitkering ƒ 84,--

Overige privéstortingen ƒ 1.056,56

1998 Dividenduitkering ƒ 120,--

Woudsend uitkering verzekering ƒ 37.341,--

Overige privéstortingen ƒ 198,28

1999 Dividenduitkering ƒ 132,--

2000 Uitkering dividend Euretco ƒ 144,--

2001 Uitkering dividend Euretco € 65,--

2002 Uitkering dividend Euretco € 72,--

Amev uitkering polis 9292297 € 22.120,--

2003 Overige privéstortingen € 119,--

In totaal gaat het om een bedrag van € 122.774,31. De stortingen overtreffen derhalve de onttrekkingen met een bedrag van € 70.661,14. Deze stortingen zijn echter reeds van invloed geweest op de hoogte van het kapitaal dat is vermeld in de balans. Het eigen vermogen is niettemin van 31 december 1989 (aangenomen moet worden dat over 1990 nog geen verrekening heeft plaatsgevonden) tot 30 november 2005 gedaald van ƒ 264.117,93 (oftewel € 119.851,49) tot € 11.946,-- negatief (inclusief oudedagsreserve). Dat terzake nog een vordering van de vrouw bestaat, is dan ook niet gebleken.

Woonhuis

Uit de door de vrouw overgelegde afrekening van de notaris (prod. 5 bij de brief van 10 december 2008) blijkt dat de aankoopprijs van de woning in 1976 ƒ 135.000,-- was te vermeerderen met een bedrag aan kosten. Hiervoor is een hypothecaire lening ter hoogte van ƒ 90.000,-- aangegaan bij de Raiffeisenbank (een van de voorlopers van de Rabobank). Het restantbedrag is uit eigen middelen voldaan.

Vervolgens is sprake van een overeenkomst tot geldlening met de Rabobank, kennelijk daterend uit april 1980, voor een bedrag van ƒ 165.000,-- waarin een aflossingsverplichting ter grootte van ƒ 12.600,-- per jaar is opgenomen. Volgens de vrouw was de oude lening inmiddels afgelost, ofwel is deze lening in de plaats gekomen van de oude. Er was derhalve sprake van een totale hypotheekschuld van ƒ 165.000,--. Hierop is jaarlijks afgelost.

De erven hebben aangevoerd dat op 24 oktober 1990 een afrekening tot dat moment heeft plaatsgevonden, zodat een en ander niet relevant (meer) is. De rechtbank volgt de erven hierin, zodat voor de onderhavige beoordeling niet van belang is of aflossingen tot 24 oktober 1990 al dan niet uit overgespaarde inkomsten hebben plaatsgevonden. De erven zijn ervan uitgegaan dat er in 1998 nog een schuld resteerde van ƒ 61.600,--. Dit bedrag is op de lening afgelost bij het oversluiten van de hypothecaire lening in 1998. Toen is het bedrag van ƒ 260.000,-- geleend waarvan ƒ 90.000,-- aan de man privé wordt toegerekend. Dit lijkt de rechtbank juist. Weliswaar stelt de vrouw dat moet worden aangenomen dat het bedrag van ƒ 61.600,-- afkomstig is uit overgespaard inkomen, maar in dat geval zou er geen noodzaak zijn geweest een bedrag van ƒ 90.000,-- te lenen van de bank, zodat daaraan voorbijgegaan wordt, te meer daar het niet ongebruikelijk is dat een nieuwe (hogere) geldlening wordt gebruikt om eventueel bestaande oude leningen af te lossen.

Indien bij het bedrag van ƒ 61.600,-- de in de tussenbeschikking genoemde aflossingen van ƒ 5.600,-- per jaar worden opgeteld, kan worden aangenomen dat de hypotheekschuld op 24 oktober 1990 ƒ 101.733,33 (€ 46.164,57) heeft bedragen. Nu een bedrag van ƒ 61.600,-- uit geleende gelden is voldaan, resteert een bedrag van ƒ 40.133,33 waarvan aannemelijk is dat het uit overgespaarde inkomsten is betaald, nu de erven niets hebben aangevoerd dat in een andere richting wijst.

Op 24 oktober 1990 had de woning blijkens de taxatie van ing. P.H.J.M. Gerrits een waarde van

€ 176.000,-- (ƒ 387.852,96). De hypothecaire lening bedroeg op die datum, zoals overwogen, ƒ 101.733,33 oftewel het 10.173.333/38.785.296 deel van de waarde van de woning. Op 7 juni 2005 was de waarde van de woning € 426.000,--. Gelet op de jurisprudentie dienaangaande (met name Hoge Raad 27 januari 2006, NJ 2008/564, Schwanen/Hundscheid II) dient de vordering van de vrouw te worden berekend op de helft van 40.133,33/101.733,33 x 10.173.333/38.785.296 x € 426.000,-- zijnde € 22.040,31.

Ten aanzien van de privémiddelen heeft de vrouw gesteld dat dit tijdens het huwelijk overgespaard inkomen was. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw deze stelling nader diende te onderbouwen. Zij is hierop eerst in de brief van 11 februari 2009 nader ingegaan met de stelling dat op de erven de bewijslast rust dat het niet om overgespaard inkomen gaat. Zij beroept zich op de wetgeving en jurisprudentie ten aanzien van verrekenbedingen. Deze stelling is echter onjuist, reeds omdat het hier niet gaat om bij het einde van het huwelijk aanwezig vermogen. Tussen partijen staat vast dat het woonhuis is gefinancierd met een hypotheekschuld en privémiddelen. Voor zover de vrouw meent dat de privémiddelen voor de helft aan haar toekomen, had zij dit dienen te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, wordt aan die stelling voorbijgegaan. Overigens wijst de rechtbank er met nadruk op dat ook artikel 1:141 lid 3 BW niet spreekt over een omkering van de bewijslast.

Uitkering lijfrenteverzekeringen

De erven hebben kopieën van bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat op de rekening van de man bedragen van € 14.439,-- en € 13.396,-- zijn gestort. Van dit geld zijn twee facturen van [naam Keukens], een factuur van de installateur, [installateur], en een belastingschuld voldaan.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingen aan de keuken betalingen uit overgespaard inkomen betreffen, maar dit standpunt kan redelijkerwijze niet gevolgd worden, nu het saldo van de rekening waarop de bedragen zijn gestort zelfs na ontvangst daarvan nog negatief moet zijn geweest, en in ieder geval zeker na betaling van de facturen in verband met de keukens. Hiervoor wordt verwezen naar het vermogensoverzicht per 7 juni 2005 (prod. 16 bij de brief van mr. Spekschoor van 10 juni 2008) en het daarbij gevoegde bankafschrift. Eerder kan dus gezegd worden dat er minder voor geleend behoefde te worden.

De vrouw voert aan dat van de betaling aan de Belastingdienst niet vaststaat dat dit een privéschuld betrof, maar deze correspondeert vrijwel (rekening houdende met verschuldigde rente) met de schuld Inkomstenbelasting 2004 die op het vermogensoverzicht per 7 juni 2005 is vermeld. De erven hebben te kennen gegeven de definitieve aanslagen IB 2004 en 2005 nog niet te hebben ontvangen. Nu de zaak toch reeds wordt aangehouden in verband met de taxatie van de woning, zullen zij alsnog in de gelegenheid worden gesteld deze stukken over te leggen.

Schulden

Naast de belastingschulden is over enkele andere bedragen om toelichting gevraagd. Ten aanzien van de factuur van [naam B] acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met alle werkzaamheden die voor 7 juni 2005 zijn uitgevoerd. Dit betreft blijkens de specificatie een bedrag van € 1.005,03 te vermeerderen met 19 % BTW, oftewel € 1.195,99. Vaststaat dat de factuur op de peildatum nog niet was voldaan.

Ten aanzien van de factuur van [naam C] begrijpt de rechtbank dat er een verrekening met

huurbetalingen door de onderneming van de man heeft plaatsgevonden. Deze verrekening was kennelijk op 29 september 2005 voltooid. Tot die datum was er, gelet op de hoogte van het toen betaalde bedrag van € 142,68 ten opzichte van de totale huur van € 664,09 (welke beide bedragen zijn af te lezen uit het als onderdeel van prod. 25 bij de brief van 13 januari 2009 overgelegde bankafschrift), nog een restschuld van € 421,41 zodat reeds € 2.600,-- was voldaan. Aangenomen zal worden (bij gebrek aan nadere informatie) dat er in de vier voorafgaande maanden telkens € 650,-- is verrekend, derhalve voor het eerst rond 1 juni 2005, welke datum is gelegen voor de peildatum. Dit betekent dat de rechtbank op het totaalbedrag van de factuur € 650,-- in mindering brengt, zodat bij het opstellen van het vermogensoverzicht ten aanzien van de man in redelijkheid wordt gerekend met een bedrag van € 2.371,41.

De verschuldigdheid op de peildatum van het bedrag van € 682,41 aan [naam D] acht de rechtbank thans voldoende onderbouwd.

Vermogen van de vrouw

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat op haar bankrekeningen op de peildatum per saldo sprake was van een negatief bedrag.

Partijen zijn het erover eens dat voor de Nissan een waarde van € 5.000,-- kan worden gehanteerd. Uit de brief van de broer van de vrouw kan worden afgeleid dat de vrouw een lening van € 5.000,-- bij haar broer heeft afgesloten en dat zij eerst na de peildatum de helft daarvan heeft terugbetaald. Gelet daarop is er aan de zijde van de vrouw dan ook geen sprake van overgespaard inkomen.

Resumé

De rechtbank zal de zaak aanhouden in afwachting van de taxatie van het winkelpand door de makelaar. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren, waarbij de erven tevens de definitieve aanslagen IB 2004 en 2005 dienen over te leggen.

De beslissing

De rechtbank:

beveelt een onderzoek door een deskundige en legt de deskundige de volgende vragen voor:

- wat is de onderhandse verkoopwaarde van het winkelpand [adres te plaats] per 7 juni 2005 in de staat waarin dit pand zich op dat moment bevond, rekening houdende met een eventuele verhuurde staat op die datum?;

- wat zou de onderhandse verkoopwaarde van het pand per 7 juni 2005 zijn geweest indien de verbouwingen in 1995 en 1998 niet hadden plaatsgevonden (en er derhalve ook geen sprake was van de verhuur van appartementen)?;

- wat zou de onderhandse verkoopwaarde van het pand per 7 juni 2005 zijn geweest indien alleen de verbouwing in 1995 en niet die in 1998 had plaatsgevonden (en er derhalve ook geen sprake was van de verhuur van appartementen)?;

- welke andere feiten en/of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?;

benoemt tot deskundige:

de heer B. Lebbink

Luimes & Lebbink Makelaars

[adres, plaats, telefoonnummer];

bepaalt dat de deskundige zo spoedig mogelijk, maar niet eerder dan nadat partijen het voorschot op het honorarium van de deskundige(n) op de hierna aangegeven wijze hebben voldaan, tot het onderzoek zal overgaan en een met redenen omkleed schriftelijk rapport zal indienen ter griffie van deze rechtbank vóór woensdag 10 juni 2009, onder bijvoeging van een gespecificeerde rekening;

bepaalt de hoogte van het voorschot, inclusief BTW, op het honorarium van de deskundige op € 2.000,--;

bepaalt dat de deskundige niet eerder zal behoeven aanvangen met de werkzaamheden dan nadat partijen ieder het bedrag van € 1.000,-- ten behoeve van het voorschot op het honorarium van de deskundige hebben voldaan ter griffie van deze rechtbank op bankrekeningnummer 19.23.25.922 t.n.v. Ministerie van Justitie (547), onder vermelding van: code 183 Van der Walle / Derksen, zaaknummer 89688 FA RK 07-2038, te betalen binnen twee weken na heden;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden aanstonds dient te staken, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden eerst dient voort te zetten, nadat van de griffier het bericht is ontvangen dat partijen een aanvullend voorschot hebben betaald;

bepaalt dat de procesdossiers door partijen ter beschikking van de deskundige zullen worden gesteld;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijke bericht laat blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;

bepaalt dat de deskundige, voorafgaand aan toezending van zijn schriftelijke bericht aan de rechtbank, het concept van dit schriftelijke bericht aan partijen zal toezenden opdat partijen in de gelegenheid zijn om daarover opmerkingen te maken en dat de deskundige in het schriftelijke bericht doen blijken of partijen opmerkingen hebben gemaakt en wat zijn reactie daarop is geweest;

bepaalt dat daartoe een afschrift van het concept wordt gestuurd aan:

ten behoeve van de vrouw:

mr. H.A.M. Ritsma-Hartman, [adres, plaats] ([telefoonnummer]);

ten behoeve van de erven:

mr. C.A. Spekschoor, [adres, plaats] ([telefoonnummer]);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 89668 / FARK 07-2038

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 30 september 2009

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. H.A.M. Ritsma-Hartman te Zutphen,

en

[verweerders],

wonende te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

verweerders, hierna te noemen de erven,

advocaat: mr. C.A. Spekschoor te Lochem.

Het verdere procesverloop

Dit verdere verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 29 april 2009;

- de brief van A.J. Lebbink van 8 juni 2009 met als bijlage het deskundigenbericht van 28 mei 2009;

- de brief met bijlage van mr. Spekschoor van 24 juni 2009;

- de brief van mr. Ritsma-Hartman van 8 juli 2009;

- de brief van mr. Spekschoor van 12 augustus 2009.

De verdere beoordeling

De rechtbank handhaaft en verwijst naar hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist.

Ter beoordeling ligt de vraag voor welk vermogen van [de man] (hierna: de man) voor verrekening in aanmerking komt in verband met de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden die tussen hem en de vrouw hebben gegolden.

In voormelde tussenbeschikking is de heer Lebbink benoemd tot deskundige om de onderhandse verkoopwaarde van het pand aan de [adres te plaats] per 7 juni 2005 in een drietal situaties vast te stellen. Kort gezegd heeft hij de volgende waarden aan het pand toegekend:

- onderhandse verkoopwaarde in de staat waarin het pand zich feitelijk bevond: € 540.000,--;

- onderhandse verkoopwaarde indien de verbouwingen in 1995 en 1998 niet hadden plaatsgevonden: € 342.500,--;

- onderhandse verkoopwaarde indien de verbouwing in 1995 wel, en de verbouwing in 1998 niet had plaatsgevonden: € 372.500,--.

De erven hebben geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het taxatierapport. Hen was tevens de gelegenheid geboden de aanslagen IB 2004 en 2005 over te leggen, maar namens de erven is aangevoerd dat deze nog niet zijn afgegeven.

De vrouw heeft evenmin opmerkingen gemaakt te aanzien van het taxatierapport. Zij betwist dat er nog geen definitieve aanslagen IB 2004 en 2005 zijn afgegeven. Voorts heeft zij gesteld dat de rechtbank in de tussenbeschikking van 29 april 2009 een onjuiste berekening heeft gemaakt van haar vordering in verband met de overwaarde in de echtelijke woning.

De erven zien geen aanleiding om af te wijken van de berekening van de rechtbank en zijn van mening dat het processueel onwenselijk en onjuist is deze berekening thans ter discussie te stellen.

In het hierna volgende zal aan de hand van het als prod. 16 bij de brief van 10 juni 2008 overgelegde overzicht beoordeeld worden welke verrekenvorderingen er bestaan.

Woonhuis

De rechtbank leest in de stellingen van de vrouw ten aanzien van de berekening van de rechtbank een verzoek terug te komen op een eindbeslissing. Daarvoor bestaat slechts in een beperkt aantal situaties ruimte, nu voorkomen moet worden dat er gedurende een procedure verkapt hoger beroep wordt ingesteld. Dit brengt mee dat in beginsel slechts wanneer sprake is van kennelijke (met name feitelijke) onjuistheden die ten grondslag gelegd zijn aan de beoordeling op een dergelijke beslissing teruggekomen kan worden.

In het onderhavige geval speelt de complicatie dat tussentijds eenmalig is afgerekend. In de tot nu toe over dit onderwerp gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad heeft een dergelijk geval zich nog niet voorgedaan en is telkens uitgegaan van de situatie waarin de woning tijdens huwelijk in eerste instantie volledig uit geleend geld is betaald. Die situatie deed zich hier (zeker in 1990) echter niet voor. Tot 24 oktober 1990 was afgerekend; slechts over de periode nadien dient nog afgerekend te worden. De woning had op 24 oktober 1990 reeds een ruime overwaarde, die de man op dat moment in privé toekwam, nu immers volledig was afgerekend. De rechtbank heeft als uitgangspunt genomen dat tegenover de waarde van de woning in 1990 van € 176.000,-- (ƒ 387.852,96) een schuld voor een bedrag van € 46.164,57 (ƒ 101.733,33) stond; in die verhouding is de waarde per 2005 aan de aflossingen uit privémiddelen toegerekend. Was immers de gehele schuld afgelost, dan zou de vrouw recht hebben gehad op het 10.173.333/38.785.296 deel van de waarde (de rest van de waarde hangt samen met het privévermogen van de man); nu een deel van de schuld is afgelost is een evenredig deel van de waarde berekend als het aandeel van de vrouw.

De aan de berekening ten grondslag gelegde bedragen zijn correct vastgesteld; voor zover de vrouw het niet eens is met de gehanteerde berekeningswijze, dient zij deze in hoger beroep aan de orde te stellen. Wellicht ten overvloede kan daaraan nog toegevoegd worden dat de vrouw er in haar berekening geen rekening mee lijkt te hebben gehouden dat de woning ook oorspronkelijk niet geheel met een hypothecaire lening is gefinancierd maar gedeeltelijk uit privémiddelen. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de vrouw haar stelling dat dit om tijdens het huwelijk overgespaarde inkomsten gaat niet voldoende heeft onderbouwd.

Winkelpand

Op 24 oktober 1990 was er sprake van een hypotheekschuld van ƒ 30.000,--. De waarde van het pand was toen € 152.000,-- (ƒ 334.963,92). De waarde van het pand zou nu, zonder verbouwingen, volgens de deskundige € 342.500,-- hebben bedragen. De hypotheekschuld is afgelost. Dit betekent dat aan de vrouw de helft van 30.000 / 334.963,92 x € 342.500,-- toekomt, oftewel € 15.337,47.

De verbouwing in 1995 is volledig uit voor verrekening in aanmerking komende middelen van de man voldaan, die in 1998 voor het grootste deel uit geleend geld is gefinancierd en naar is aangenomen voor een bedrag van € 1.273,76 uit voor verrekening in aanmerking komende middelen van de man. Uit het rapport van de deskundige leidt de rechtbank af dat het voor hem niet goed mogelijk is geweest de meerwaarde van de verschillende verbouwingen afzonderlijk vast te stellen nu daarover onvoldoende gegevens voorhanden waren. De totale kosten van de twee verbouwingen hebben € 128.428,-- bedragen, te weten respectievelijk € 63.625,-- en € 64.803,--. De totale waardevermeerdering als gevolg van de beide verbouwingen is € 197.500,--. Om die reden kan niet bij de aanname van de deskundige worden aangesloten dat de waardevermeerdering gelijk is aan de helft van de investering. Nu nadere informatie ontbreekt, acht de rechtbank het het meest in overeenstemming met de gebruikelijke uitgangspunten om de verbouwingen samen te tellen en te beoordelen in hoeverre een waardestijging als gevolg van de verbouwingen samenhangt met voor verrekening in aanmerking komende bedragen. Van de totale kosten van de verbouwingen van € 128.428,-- wordt, zoals overwogen in de beschikking van 29 april 2009, € 64.898,76 toegerekend aan voor verrekening in aanmerking komende bedragen. Van de waardetoename van het pand van € 197.500,-- dient een evenredig deel in de verrekening te worden betrokken. De vrouw heeft op die grond een vordering ter hoogte van de helft van 64.898,76 / 128.428 x € 197.500,-- oftewel € 49.901,52.

vorderingen op NUON

Ten aanzien van de vorderingen op NUON over 2005 en 2006 staat niet ter discussie dat aan de vrouw een bedrag van € 2.184,07 toekomt.

hypotheekschuld Rabobank

De hypotheekschuld houdt verband met de woning en het winkelpand, ten aanzien waarvan hiervoor reeds een beslissing is gegeven. Het hiermee samenhangende deel van de waarde van de panden blijft buiten de verrekening en de schuld derhalve eveneens.

schulden

Met de overige schulden wordt rekening gehouden, voor zover dit schulden van de man in privé betreft die in feite een negatief gespaard ofwel “ondergespaard” inkomen van de man inhouden, die de activa aan de zijde van de man kunstmatig verhogen. Daarbij wordt rekening gehouden met de rekening courantschuld van € 21.994,96 en (onder verwijzing naar de tussenbeschikkingen van 15 oktober 2008 en 29 april 2009) de navolgende nog te betalen kosten:

- [naam E] BV € 246,14

- nabetaling partneralimentatie € 2.022,93

- [naam B] accountants € 1.195,99

- [naam C] schilderwerk € 2.371,41

- [naam D] € 682,41

In totaal gaat dit derhalve om een bedrag van € 28.513,84 waarvan de helft, zijnde € 14.256,92 door de erven in mindering mag worden gebracht op het aan de vrouw uit te betalen bedrag.

Met betrekking tot de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2005 is de rechtbank van oordeel dat deze in redelijkheid voor rekening van de man (thans de erven) dient te blijven, nu daartegenover ook geen sprake is van overgespaard inkomen in de onderneming, zoals is overwogen in de beschikking van 29 april 2009.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de erven ruim genoeg de tijd hebben gehad om de schuld in verband met de inkomstenbelasting 2004 en 2005 te onderbouwen. Van de vrouw kan niet gevergd worden hierop langer te wachten. De rechtbank is van oordeel dat voor zover er uiteindelijk per saldo een schuld aan de belastingdienst bestaat, die op 7 juni 2005 nog niet was voldaan en die betrekking had op de man in privé, de vrouw aan de erven de helft van het bedrag dient te vergoeden zodra de definitieve aanslagen ontvangen zijn. Aldus zal worden bepaald.

Gelet op het voorgaande bedraagt de totale vordering van de vrouw op de erven € 75.206,45. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- woonhuis € 22.040,31

- winkelpand totaal € 65.238,99

- NUON € 2.184,07

- schulden € 14.256,92 -/-

----------------------------------

Totaal € 75.206,45

Gelet op het bepaalde in artikel 4:182 lid 2 BW is elk van de erfgenamen verbonden voor een deel van dit bedrag evenredig aan zijn erfdeel.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de erven aan de vrouw € 75.206,45 (vijfenzeventigduizend tweehonderdzes euro en vijfenveertig eurocent) dienen te betalen in verband met de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden die tussen de vrouw en de man hebben gegolden;

bepaalt dat de vrouw aan de erven de helft van het bedrag dient te vergoeden dat zij na 7 juni 2005 aan de Belastingdienst hebben betaald in verband met de inkomstenbelasting 2004 en 2005 van de man in privé;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.