Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ9854

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
06/580082-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Ulftse drugsdealers wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Hij heeft bij gebrek aan inkomen uit een reguliere baan een half jaar gehandeld in hard- en softdrugs. De rechtbank heeft een hogere gevangenisstraf opgelegd dan door de officier van justitie was gevorderd, aangezien de rechtbank meer bewezen heeft verklaard dan waarop de officier van justitie zijn eis had gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580082-09

Uitspraak d.d.: 9 oktober 2009

Tegenspraak/ dip

Na aanhouding: niet verschenen (aanzegging)

Raadsvrouw uitdrukkelijk gemachtigd - 279 Sv

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1970],

destijds wonende te [adres],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Raadsvrouw: mr. F.E. van der Zee te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzitting van 19 juni 2009, 2 september 2009 en 25 september 2009.

2. Verzoek tot heropening van het onderzoek.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 25 september 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank bij brief van 28 september 2009 verzocht het onderzoek te heropenen, waartegen de raadsvrouw zich bij brief van 1 oktober 2009 heeft verzet. De voorzitter heeft bij brief van 1 oktober 2009 meegedeeld dat de rechtbank op voet van artikel 326 van het Wetboek van Strafvordering bij uitspraak van 9 oktober 2009 op het gedane verzoek zal reageren.

De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Zij acht zich op grond van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen voldoende in staat om een oordeel te geven over het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft daarbij geen acht geslagen op de zaaksgerelateerde inhoud van de brief van de officier van justitie van 28 september 2009. Zij verwijst naar de beoordeling en conclusie van de bewijsmiddelen op pagina 5 e.v. van dit vonnis.

3. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 8 maart 2009 in

Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan

[naam A] en/of aan [naam B] en/of één of meer ander(en) en/of

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, zijnde

hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 8 maart 2009 in

Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, opzettelijk heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [naam C] en/of aan een of meer

anderen en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid

speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine

en/of een hoeveelheid cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 31 december 2008 in Ulft, althans in de gemeente Oude

IJsselstreek, opzettelijk aanwezig heeft gehad 790 gram hennep, althans een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

(parketnummer 06.800379/09)

art 3 ahf/ond C Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 14 oktober 2008 in Ulft, althans in de gemeente Oude

IJsselstreek, opzettelijk mishandelend [slachtoffer A] in het gezicht

heeft gespoten met peperspay, althans een bijtend middel, althans dat hij in

de richting van het gezicht van [slachtoffer A] heeft gespoten met

peperspay, althans een bijtend middel, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 06.800433/09)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding

Bij de politie is in augustus 2008 informatie binnengekomen dat verdachte zou handelen in hard- en softdrugs. Hij zou dit ondermeer verkopen vanaf een plein in Ulft. Tijdens een in december 2008 gehouden zoeking is er een kleine hoeveelheid harddrugs en 790 gram hennep aangetroffen in de woning van verdachte. In februari 2009 is er een vervolgonderzoek gestart. Tijdens dat vervolgonderzoek is een aantal getuigen gehoord, hebben er observaties plaatsgevonden en is de bij verdachte in gebruik zijnde telefoon afgetapt. Dit vervolgonderzoek heeft ertoe geleid dat verdachte op 9 maart 2009 is aangehouden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit acht de officier van justitie bewezen dat verdachte opzettelijk een hoeveelheid speed voorhanden heeft gehad. Hij acht het verkopen, afleveren en verstrekken van speed aan [naam C] en aan een of meer anderen niet bewezen, evenmin als de handel in cocaïne. De officier van justitie heeft daarom gevorderd verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

Standpunt van de verdachte, de verdediging

De verdachte heeft ontkend dat hij heeft gehandeld in hard- en/of softdrugs. Ook heeft hij ontkend dat de hennep die is aangetroffen zijn eigendom was en dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer A].

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkoop en afleveren van hennep. Verdachte heeft op verzoek van anderen hennep voor hen gehaald zonder daar winst op te (willen) maken. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte heeft gehandeld in harddrugs. De verklaringen die door getuige [naam C] zijn afgelegd, zijn onbetrouwbaar. Steunbewijs ontbreekt, daar uit verklaringen van de overige getuigen niet blijkt dat zij daadwerkelijk hebben waargenomen dat verdachte heeft gehandeld in harddrugs. Getuigen die wel speed gebruikten, hebben verklaard dat zij geen speed bij verdachte kochten, maar wat anders. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw meegedeeld dat zij daarover geen opmerkingen heeft. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer A] van het bewijs uitgesloten dient te worden. Verder heeft de politie geen letsel bij hem geconstateerd. Uit de overige verklaringen blijkt dat de aangever wel rode ogen heeft gehad, maar de oorzaak daarvan is niet door de getuigen vastgesteld. De oorzaak daarvan zou het gebruik van alcohol kunnen zijn, aangezien aangever dronken was. Voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsvrouw verzocht te letten op de omstandigheden van het geval. Alle direct betrokkenen hadden gedronken en er is een onenigheid ontstaan over een stoel.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

[naam A] heeft tijdens haar verhoor op 10 maart 2009 verklaard2 dat zij [verdachte] kent. Hij heeft contact met haar opgenomen en haar verdovende middelen te koop aangeboden. Zij heeft vervolgens softdrugs van hem gekocht. Ook een vriend van haar, [naam D]., heeft drugs bij [verdachte] gekocht. [verdachte] heeft haar gezegd dat zij, als zij wat wilde hebben, elke ochtend van tien uur 's ochtends tot tien uur 's avonds naar een caravan in 's-Heerenberg kon komen. Zij heeft in de periode van 1 januari 2009 tot begin maart 2009 ongeveer tien keer telefonisch contact met hem gehad en ongeveer zeven keer drugs van hem gekocht, telkens voor een bedrag tussen de vijf en veertig euro. Zij had twee telefoonnummers van [verdachte]. Het recente nummer is [06-nummer]. Zij kan zich niet herinneren dat zij [verdachte] op het oude telefoonnummer heeft gebeld.

[naam B] heeft tijdens zijn verhoor op 10 maart 2009 verklaard3 dat hij [verdachte] ongeveer een half jaar kent. Hij heeft wel eens weed bij hem gekocht. Meestal belde hij hem of stuurde hij [verdachte] een sms. [verdachte] had hem gezegd dat hij, als hij wat nodig had, kon bellen. Hij haalde meestal voor tien of twintig euro. Zij spraken meestal af in Ulft. [verdachte] kwam dan met zijn auto.

[getuige A] heeft verklaard4 dat hij een man kent die zich [verdachte] noemt. [verdachte] heeft een Chrysler, een bus, blauw van kleur. Hij heeft een aantal keren weed van [verdachte] gekocht. [verdachte] gaf hem de weed in de auto, in Ulft. Zij spraken van tevoren telefonisch af.

[getuige B] heeft verklaard5 dat hij één tot twee maal per week weed kocht. Hij kocht deze ook wel bij [verdachte] uit Ulft, een man die in een blauw Amerikaans busje rijdt. Hij heeft ook telefonisch contact met hem gehad voor de aankoop van weed.

[getuige C] heeft verklaard6 dat hij op 9 november 2008 samen met zijn vrouw, dochter en zoon in Ulft was, op het JF Kennedyplein. Hem viel direct een jongen op die bij een grote zwarte auto stond met het kenteken [kenteken]. Door het gedrag van de jongen kreeg hij de indruk dat deze aan het dealen was. Op een gegeven moment kwam de jongen naar hen toe lopen. Hij heeft gehoord dat de jongen tegen zijn zoon zei: "Wil je wat hebben?" of "Wat wil je hebben?" Zijn zoon heeft daarop geantwoord dat hij niets wilde hebben. De jongen liep toen weg. De jongen heeft geen drugs laten zien, maar het was voor hem duidelijk dat de jongen die aanbood door te vragen of ze iets wilden hebben.

De verdachte heeft verklaard7 dat hij gebruik maakt van een Chrysler, kleur donkerblauw, en dat hij beschikt over een mobiele telefoon met het nummer [06-nummer].

Uit onderzoek van de politie8 is gebleken dat verdachte in het bezit was van personenauto van het merk Chrysler, type Voyager, kleur blauw, type MPV, met het kenteken [kenteken].

Verdachte heeft ontkend dat hij zich bezig heeft gehouden met handel in hennep. De rechtbank is echter op grond van de hiervoor vermelde verklaring van [getuige C] - die niet uit de drugsscene afkomstig is -, de verklaringen van afnemers en de bij die verklaringen gevoegde telefoontaps, waaruit blijkt dat verdachte en de afnemers telefonisch met elkaar afspraken, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren en verstrekken van hennep.

Ten aanzien van feit 2

[getuige D] heeft verklaard9 dat zij sinds oktober 2008 een relatie met [verdachte] heeft gehad. Zij heeft met hem samengewoond op het adres [adres] in Ulft. In die tijd kwamen er vaak mensen aan de deur die speed of weed kwamen kopen. Zij heeft gezien dat [verdachte] aan Group speed heeft verkocht. Zij heeft speed gevonden in een laatje in de badkamer. [verdachte] gebruikte zelf speed. Uit het proces-verbaal10 van bevindingen blijkt dat [getuige D] tegen de verbalisanten heeft verklaard dat zij zelf ook weed rookte en dat zij ook af en toe amfetamine gebruikte wanneer zij dit in de woning aantrof.

[getuige E] heeft tegenover de politie verklaard11 dat het algemeen bekend is in Ulft dat, wanneer je speed nodig hebt, je dan bij [verdachte] moet zijn.

[getuige F] heeft op 16 september 2008 tegenover de politie verklaard12 dat zij twee weken daarvoor met [verdachte] op het JF Kennedyplein in Ulft was en dat een jongen hem vroeg of hij speed had. Ook heeft zij verklaard dat [verdachte] handelde in soft- en harddrugs. Zij had iedere dag speed gebruikt tot zij bij [verdachte] is weggegaan. [verdachte] gebruikte zelf iedere dag speed.

Tijdens de zoeking die in december 2008 is gehouden13 zijn er in de woning van verdachte resten amfetamine aangetroffen.

[naam C] heeft op 16 december 2008 tegenover de politie verklaard14 dat hij de bij hem aangetroffen speed heeft gekocht bij iemand in Ulft. Die persoon is bij de politie bekend. Hij is van buitenlandse afkomst en rijdt altijd in een busje.

Op 17 december 2008 heeft [naam C] tegenover de politie verklaard15 dat de persoon van wie hij de speed kocht, woont aan [adres] in Ulft.

Op 23 februari 2009 heeft [naam C] tegenover de politie verklaard16 dat hij in de periode tussen oktober 2008 en december 2008 vier keer speed bij [verdachte] uit Ulft heeft gekocht. Voor elke transactie belde hij met [verdachte]. Hij gaf aan hoeveel hij wilde hebben en hij sprak een locatie met hem af. Hij heeft in die periode ongeveer 400 gram speed bij [verdachte] gekocht.

Op 18 maart 2009 heeft [naam C] tegenover de politie nogmaals verklaard17 dat hij de speed bij [verdachte] heeft gekocht.

Ter terechtzitting van 25 september 2009 is [naam C] als getuige gehoord. Hij heeft tegenover de rechtbank verklaard dat zowel de verklaringen die hij tegenover de politie heeft afgelegd als de verklaring die hij tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, niet juist zijn. Hij heeft verklaard dat hij nooit speed van [verdachte] heeft gekocht. Vervolgens heeft hij verklaard dat ook de verklaring die hij zojuist aan de rechtbank had afgelegd, niet juist was.

De rechtbank zal de ter terechtzitting van 25 september 2009 door [naam C] afgelegde verklaring buiten beschouwing laten. [naam C] heeft tegenover de politie in eerste instantie aarzelend verklaard over degene van wie hij de speed kocht. Korte tijd daarna heeft hij meer openheid van zaken gegeven en heeft hij gedetailleerder verklaard over degene van wie hij de speed kocht. Tijdens het afleggen van zijn verklaring op 23 februari 2009 heeft [naam C] nog meer details gegeven over de betrokkenheid van verdachte bij de handel in speed. Verdachte was op al die momenten nog op vrije voeten. De rechtbank acht bovengenoemde verklaringen betrouwbaar en derhalve bruikbaar voor het bewijs. Mogelijk heeft [naam C] zich vanaf het moment dat [verdachte] was aangehouden gerealiseerd, dat [verdachte] hem die belastende verklaringen niet in dank zou afnemen en is dat voor de getuige de aanleiding geweest om door hem afgelegde belastende verklaringen steeds verder af te zwakken. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechtbank de ten overstaan van de politie op verschillende momenten afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, betrouwbaar acht.

Het verzoek van de officier van justitie om heropening van het onderzoek wordt, gelet op het voorgaande, afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. Kort gezegd: handel in speed met betrekking tot [naam C] en een of meer anderen. De rechtbank gaat er van uit dat de handel in speed met betrekking tot [naam C] vier keer een hoeveelheid speed betrof, in totaal ongeveer 400 gram.

Ten aanzien van feit 3

Uit het stamproces-verbaal18 blijkt dat er tijdens de zoeking in de woning van verdachte op het adres [adres] te Ulft in een lade op de slaapkamer een vuilniszak is aangetroffen met daarin 790 gram hennep.

Uit de test van de aangetroffen hennep is gebleken19 dat het vrouwelijke planten betroffen, met daarin de werkzame stof THC.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard20 dat de op 31 december 2008 aangetroffen weed al wel twee of drie maanden in zijn woning lag en dat hij wist dat hij niet zo'n hoeveelheid in huis mocht hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 4

[slachtoffer A] heeft aangifte21 gedaan van mishandeling op 14 oktober 2008. Een persoon die hem uitdaagde in pizzeria Kozan heeft hem een bijtende stof in zijn ogen gespoten.

Uit het proces-verbaal van bevindingen22 blijkt dat de verbalisanten op 14 oktober 2008 een telefonische melding kregen van een ruzie op het JF Kennedyplein in Ulft. De telefonische melding was afkomstig van [verdachte]. Zij zijn daar naar toe gegaan en werden aangesproken door twee mannen, genaamd [slachtoffer A] en [getuige G]. Zij gaven aan te zijn uitgedaagd door een Turkse persoon en dat zij daarna in hun gezicht waren gespoten met pepperspray. De verbalisanten hebben gezien dat het gelaat van [slachtoffer A] rood was.

[getuige G] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard23 dat hij samen was met [slachtoffer A]. Een Turkse persoon begon moeilijk te doen en hen uit te dagen. Die persoon heeft eenmaal met pepperspray gespoten en [slachtoffer A] daarbij vol in het gezicht geraakt. Ze zijn naar een café gegaan om de ogen van [slachtoffer A] uit te spoelen. Daarna zijn zij naar huis gegaan en zijn de twee agenten tegen gekomen.

[getuige H] heeft verklaard24 dat [getuige G] en [slachtoffer A] op 14 oktober 2008 het café verlieten waar zij werkte. Na ongeveer tien minuten kwam [slachtoffer A] in paniek binnen en zei: "Bel 112. Ik zie niets. Ik zie niets." Zijn ogen zaten vol tranen en de huid rondom zijn ogen was helemaal rood. Zij heeft de ogen van [slachtoffer A] schoongespoeld met lauw water. [getuige G] vertelde dat een Turkse jongen op [slachtoffer A] had gespoten. Zij heeft de Turkse jongen zien staan. Zij kent hem van gezicht en weet dat hij een dealer is die op het Kennedyplein rondhangt.

[getuige I] heeft verklaard25 dat [slachtoffer A] en [getuige G] op 14 oktober 2008 zijn zaak had verlaten en een tijd later weer terugkwamen. [slachtoffer A] hield zijn handen voor zijn ogen en zei dat hij pijn had. Hij heeft hem de ogen uitgespoeld. Het gelaat was helemaal rood. Een Turkse man met de naam [verdachte] had hem kennelijk traangas of zoiets dergelijks in de ogen gespoten.

Verdachte heeft verklaard26 dat twee mannen op 14 oktober 2008 in te Ulft onenigheid met hem zochten.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

6. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 8 maart 2009 in Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [naam A] en aan [naam B] en één of meer anderen, en meermalen, telkens opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 8 maart 2009 in Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt aan [naam C] enaan een of meer anderen en meermalen telkens opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid speed, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 31 december 2008 in Ulft opzettelijk aanwezig heeft gehad 790 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 14 oktober 2008 in Ulft opzettelijk mishandelend [slachtoffer A] in het gezicht heeft gespoten met pepperspay, althans een bijtend middel, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

7. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3. opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

4. mishandeling.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

10. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich gedurende een half jaar volop bezig heeft gehouden met handel in drugs. Hij heeft er bij zijn eis rekening mee gehouden dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie, gelet op de richtlijnen, hoog is. Het is haar bekend dat er in vergelijkbare gevallen, uitgaande van haar pleidooi, werkstraffen zijn opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte bij gebrek aan inkomen uit een reguliere baan gedurende een half jaar intensief heeft gehandeld in soft- en harddrugs. Als gevolg hiervan heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van verslaving van de afnemers, waardoor hun gezondheid ernstig in gevaar is gebracht. Verdachte heeft met zijn handelwijze voorts bijgedragen aan de instandhouding van de met drugsverslaving doorgaans gepaard gaande overlast en criminaliteit

De rechtbank houdt er daarbij ook rekening mee dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld terzake Opiumwetdelicten.

Aangezien de rechtbank meer bewezen heeft verklaard dan waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd, zal de rechtbank, om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, een hogere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank zal hiervan een deel voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nogmaals een strafbaar feit te plegen. Anders dan de reclassering heeft voorgesteld ziet de rechtbank geen aanleiding om een verplicht reclasseringscontact op te leggen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 57, 91 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om heropening van het onderzoek;

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of ander is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1. opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3. opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

4. mishandeling.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Aldus gewezen door mrs. Roessingh-Bakels, voorzitter, Hödl en Vos, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2009.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij:

- (stam)proces-verbaal nummer PL0640/09-219264, gesloten en ondertekend op 21 april 2009;

- (stam)proces-verbaal nummer PL0640/08-209905, gesloten en ondertekend op 6 februari 2009;

- (stam)proces-verbaal nummer PL0642/09-201347, gesloten en ondertekend op 24 februari 2009.

2 Proces-verbaal van verhoor van [naam A], pag. 148-151 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

3 Proces-verbaal van verhoor van [naam B], pag. 164-166 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige A], pag. 170-173 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige B], pag. 208-210 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige C], pag. 84-85 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 44-47 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

8 Stamproces-verbaal nummer PL0640/09-219264, pag. 5

9 Processen-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], pag. 119-222 en 123-145 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264 en proces-verbaal van verhoor van getuige van 18 juni 2009 door de rechter-commissaris

10 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 233-236 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

11 Proces-verbaal van verhoor van [getuige E], pag. 88-90 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

12 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 228-230 van het proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

13 Stamproces-verbaal PL0642/09-201347, pag 4

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam C], pag. 94-95 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam C], pag. 96 - 97 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam C], pag. 98 - 100 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

17 Proces-verbaal van verhoor van [naam C], pag. 217 - 220 van proces-verbaal nummer PL0640/09-219264

18 Stamproces-verbaal nummer PL0642/09-201347

19 Proces-verbaal van testen van de hennep, pag. 11-12 van proces-verbaal nummer PL0642/09-201347

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 9 van proces-verbaal nummer PL0642/09-201347

21 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A], pag. 84-85 van proces-verbaal nummer PL0640/080209905

22 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 86-87 van proces-verbaal nummer PL0642/09-201347

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige G] op 11 september 2009 door de rechter-commissaris

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige H], pag. 96-97 proces-verbaal nummer PL0642/09-201347

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige I], pag. 94-95 van proces-verbaal nummer PL0642/09-201347

26 Proces-verbaal van verhoor van aangifte en verhoor van verdachte, pag. 42-43 en pag. 98 van proces-verbaal nummer PL0642/09-201347