Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ8226

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
06/460226-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht ten aanzien van de onder 1 tot en met 5 tenlaste gelegde en bewezenverklaarde misdrijven een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Voorts acht de rechtbank ten aanzien van de onder 6 ten laste gelegde en bewezenverklaarde overtreding 1 maand voorwaardelijke hechtenis passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460226-09

Uitspraak d.d. 22 september 2009

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats op 1976],

wonende te [plaats, adres],

thans verblijvende in huis van bewaring Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Raadsman mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2009.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 06 juni 2009 te Hattem en/of Harderwijk en/of Zwolle en/of Arnhem

en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid speed, in elk geval

(een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde

amfetamine en/of XTC-pillen, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA (MDEA) en/of

2-CB, zijnde MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB

en/of (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

parketnummers 850148-09, 850169-09 en 460226-09

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 07 juni 2009 te Hattem opzettelijk heeft vervoerd en/of

aanwezig heeft gehad, ongeveer 117,55 gram zogenaamde speed (30,93 + 86,62),

in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde amfetamine en/of 1 of 2 XTC-pil(len) (diepdruk kroon), in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of

N-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl

MDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

parketnummer 460226-09

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 07 juni 2009 te Hattem opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 552 mililiter GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur, zijnde

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

parketnummer 460226-09

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 7 juni 2009 te

Hattem en/of Harderwijk en/of Zwolle en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid GHB, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB),

zijnde 4-hydroxyboterzuur, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

parketnummers 850148-09, 850169-09 en 460226-09

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 24 maart 2009 te Nieuwleusen, althans in de gemeente

Dalfsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 5,9 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine en/of

- 29 tabletten bevattende speed, althans 10,44 gram speed, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- 8 (s)trips/eenheden LSD/lysergide, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende lysergide,

zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

parketnummer 850169-09

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

6.

hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 7 juni 2009 in

Zwolle en/of in Nieuwleusen en/of in Arnhem en/of in Hattum en/of elders in

Nederland:

(een) geneesmiddel(en), te weten tabletten die mCPP

(meta-chlorophenylpiperazine) bevatten, in voorraad heeft gehad, te weten

- 37 pillen (met kroonteken) in Arnhem en/of

- 69 pillen (met kroonteken) + 8 pillen (met X-teken) in Nieuwleusen en/of

- 70,5 pillen (4,5 + 66), althans een aantal pillen (met mitsubishi-teken of

diepdruk) in Hattum

en/of

(een) geneesmiddel(en), te weten een of meer tabletten die mCPP

(meta-chlorophenylpiperazine) bevatten verkocht heeft en/of afgeleverd heeft

en/of verkocht heeft en/of afgeleverd heeft en/of ter hand heeft gesteld,

terwijl daarvoor geen handelsvergunning gold;

art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet

Ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het zonder handelsvergunning in voorraad hebben en verhandelen van mCPP over het algemeen niet vervolgt. Het Openbaar Ministerie heeft dat in deze zaak wel gedaan, omdat de aangetroffen en in beslag genomen XTC-pillen slechts mCPP bleken te bevatten en mCPP geen verboden middel is op grond van de Opiumwet.

Gelet hierop heeft het Openbaar Ministerie willekeurig gehandeld. De officier van justitie dient ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft het standpunt van de verdediging betwist. Zij heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie vervolgt op grond van het toepasselijke wetsartikel. Zij is niet bekend met gevallen waarin het Openbaar Ministerie heeft afgezien van vervolging op grond van de Geneesmiddelenwet, omdat XTC-pillen slechts mCPP bleken te bevatten.

Naar het oordeel van de rechtbank staat het het Openbaar Ministerie vrij om een persoon, die ervan verdacht wordt geneesmiddelen zonder handelsvergunning in voorraad te hebben gehad of te hebben verhandeld, op grond van de Geneesmiddelenwet te vervolgen, als blijkt dat die geneesmiddelen geen verboden middelen zijn op grond van de Opiumwet.

Het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt daarom verworpen.

Vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde tweede onderdeel

De officier acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegede tweede onderdeel, te weten het zonder handelsvergunning verkopen, afleveren en ter hand stellen van het geneesmiddel mCPP, heeft begaan.

De raadsman van verdachte heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk in strijd met de Geneesmiddelenwet heeft gehandeld, omdat verdachte slechts bedoeld heeft de Opiumwet te overtreden.

Uit de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring en de in het dossier voor handen zijnde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen en/of afleveren en/of ter hand stellen van pillen die mCPP bevatten.

De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde tweede onderdeel daarom niet bewezen. Verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Inleiding

De politie heeft op 10 februari 2009 in Arnhem aan [verdachte] als bestuurder van een auto een stopteken gegeven in verband met een verkeersovertreding. Op het moment dat verdachte uit de auto stapte, zag de verbalisant dat het vak van het portier bedekt was met een witte stof en zag in dat vak tevens een lepel met daarop een op speed of cocaïne gelijkende witte stof liggen. De politie heeft [verdachte] hierop gefouilleerd op grond van de Opiumwet en als verdachte van overtreding van de Opiumwet aangehouden. Bij de insluitingfouillering zijn in de kleding van verdachte gripzakjes met vermoedelijk XTC-pillen aangetroffen.

Tijdens een verkeerscontrole op 24 maart 2009 heeft de politie in Nieuwleusen aan [verdachte] als bestuurder van een auto een stopteken gegeven. Nadat [verdachte] uit de auto stapte, heeft de politie vòòr de bestuurdersstoel een boterhamzakje met grijskleurige pillen zien liggen. [verdachte] heeft toen aangegeven dat het XTC-pillen betrof, waarop hij als verdachte van overtreding van de Opiumwet is aangehouden.

De politie heeft op 7 juni 2009 in Hattem [verdachte] als bestuurder van een personenauto aangehouden op verdenking van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Tijdens de opsporingsfouillering zijn in de kleding van verdachte 66 XTC-pillen en 30,93 gram speed aangetroffen. In verdachtes auto is een flesje met ongeveer 0,5 liter onbekende vloeistof, een gripzak met 86,62 gram (licht) crèmekleurig poeder, een gripzakje met een blauwe en een witte pil en een gripzakje met viereneenhalve witte pilletjes aangetroffen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 , 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Daarbij baseert zij zich ten aanzien van feit 1 op de verklaringen van verdachte dat hij in de ten laste gelegde periode heeft gedeald in speed en XTC, de getuigenverklaringen van meerdere gebruikers dat zij speed en XTC van verdachte hebben afgenomen en de bij de aanhoudingen van verdachte aangetroffen hoeveelheden speed en XTC-pillen.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie de hoeveelheden speed en XTC-pillen, die op 7 juni 2009 in de auto van verdachte zijn aangetroffen, van belang.

Voorts baseert de officier van justitie zich ten aanzien van feit 3 op de resultaten van de door de politie en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) verrichte onderzoek op het flesje met ongeveer 0,5 liter onbekende vloeistof dat op 7 juni 2009 in verdachtes auto is aangetroffen.

Ten aanzien van feit 4 baseert de officier van justitie zich op dezelfde bewijsmiddelen en daarnaast op de getuigenverklaring van [getuige C] en de verklaring van verdachte dat hij GHB aan [getuige C] heeft verkocht.

Ten aanzien van feit 5 acht de officier van justitie van belang de hoeveelheden speed en LSD-strips, die op 24 maart 2009 in de auto verdachte zijn aangetroffen, en de resultaten van de door de politie en het NFI op die speed en LSD-strips verrichte onderzoeken.

Ten slotte baseert de officier van justitie zich ten aanzien van feit 6 op de in Nieuwleusen, Arnhem en Hattem aangetroffen hoeveelheden pillen, de resultaten van het door het NFI op die pillen verrichte onderzoek en de bevinding van de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat aan verdachte geen handelsvergunning is verleend, zoals bedoeld in artikel 18 subsidiair en artikel 40 van de Geneesmiddelenwet.

Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit is door en namens verdachte het standpunt ingenomen dat het aanwezig hebben van speed en LSD niet bewezen kan worden, nu uit de stukken niet is gebleken dat de door de politie aangetroffen en in beslag genomen goederen door het NFI zijn onderzocht.

Door en namens verdachte is het standpunt ingenomen dat het onder 6 tenlastegelegde niet bewezen kan worden, omdat verdachte niet opzettelijk de Geneesmiddelenwet heeft overtreden. Hij heeft slechts bedoeld de Opiumwet te overtreden.

Beoordeling door de rechtbank

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit1

Getuige [getuige A] heeft verklaard2 dat hij het afgelopen jaar tot anderhalf jaar maandelijks amfetamine, speed, van verdachte heeft gekocht in of nabij Heerde en in Zwolle.

Getuige [getuige B] heeft verklaard3 dat hij het afgelopen anderhalf jaar 20 tot 30 keer speed van verdachte heeft gekocht in Zwolle.

Verdachte heeft verklaard4 dat hij de afgelopen drie jaar heeft gehandeld in speed en XTC-pillen. Hij heeft voornamelijk in Zwolle gehandeld.5 Hij heeft ook speed en XTC aan gebruikers in -onder meer- Wezep, Hattemerbroek, Heerde, Tilburg en Amsterdam verkocht, geleverd en verstrekt.6

De politie heeft na de aanhouding van verdachte op 7 juni 2009 in Hattem in zijn kleding een sluitzakje met wit poeder7 en in zijn auto een gripzak met (licht)crèmekleurig poeder en een gripzakje met -onder meer- een blauwe pil8 aangetroffen. De poeders zijn door de politie voorzien van respectievelijk de codes AABF 0305 NL en AABF 0306 NL.9

Het NFI heeft op 27 juli 2009 poeders met de codes AABF0305NL en AABF0306NL en een lichtblauwe pil met de code AABF 0307 NL onderzocht en geconcludeerd dat de poeders amfetamine, zoals vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet, bevatten en dat de pil 2C-B, zoals vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet, bevat.10

Op grond van de getuigenverklaringen van [getuige A] en [getuige B], de verklaringen van verdachte, de bevindingen van de politie en het onderzoek van het NFI-rapport acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van speed en XTC in Hattem en elders in Nederland in de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 juni 2009 heeft begaan.

Hierbij is voor wat betreft het vervoeren van XTC het volgende van belang. Bij voornoemd NFI-rapport van 27 juli 2009 zijn als bijlagen de "Aanvrage onderzoek" van de politie te Heerde van 14 juli 2009 en een, kennelijk bij die aanvraag behorende, harddrugslijst gevoegd. De aanvraag is gedaan door verbalisant [naam], die in de harddrugslijst als rapporteur en in het NFI-rapport als contactpersoon is genoemd. In zowel de aanvraag als de harddrugslijst worden -onder meer- twee pillen genoemd met de code AABF 0307 NL.

Gelet hierop mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat voornoemde blauwe pil, die in de auto van verdachte is aangetroffen, door de politie onder de code AABF 0307 NL aan het NFI is aangeboden en dat die pil 2C-B bevat.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Gelet op de hiervoor ten aanzien van feit 1 genoemde bevindingen van de politie en het genoemde onderzoek van het NFI acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van 117,55 gram speed, in elk geval een hoeveelheid amfetamine, en een XTC-pil op 7 juni 2009 in Hattem heeft begaan.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

De politie heeft na de aanhouding van verdachte op 7 juni 2009 in Hattem in zijn auto een flesje met onbekende vloeistof aangetroffen11 en dat flesje met vloeistof voorzien van de code AABF 0304 NL.12

Het NFI heeft op 27 juli 2009 een vloeistof met de code AABF 0304 NL onderzocht en geconcludeerd dat de vloeistof GHB, zoals onder het synoniem 4-hydroxyboterzuur vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet, bevat.13

Gelet op deze bevindingen van de politie en dit onderzoek van het NFI acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van GHB op 7 juni 2009 te Hattem heeft begaan.

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

Gelet op de getuigenverklaring van [getuige C]14, het op 6 juni 2009 op de telefoon van verdachte ontvangen sms-bericht15 en de bekennende verklaring van verdachte16 acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde opzettelijk verkopen van GHB in de periode van 10 februari 2009 tot en met 6 juni 2009 in Zwolle heeft begaan.

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit

Gelet op de bevindingen van de politie17 en de bekennende verklaring van verdachte18 acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van 5,9 gram speed, in elk geval een hoeveelheid amfetamine, op 24 maart 2009 in Nieuwleusen heeft begaan.

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde eerste onderdeel

De politie heeft op 7 juni 2009 na de aanhouding van verdachte in Hattem in zijn auto een gripzakje met 4,5 witte pillen19 en tijdens de insluitingsfouillering van verdachte in zijn kleding een hoeveelheid van 66 pillen20 aangetroffen.

Het NFI heeft op 27 juli 2009 4 crèmekleurige tabletten en een tabletdeel met als diepdruk 'mitsubishi' en een monster crèmekleurige tabletten met als diepdruk 'mitsubishi' met de codes AABF0308NL en AABF0309NL onderzocht en geconcludeerd dat de tabletten mCPP bevat en dat mCPP in tabletvorm een ongeregistreerd farmaceutisch preparaat is en dat het bereiden, verhandelen en afleveren daarvan strafbaar is op grond van de Geneesmiddelenwet en de Wet op de economische delicten.21

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft op 14 juli 2009 geconcludeerd22 dat de mCPP bevattende tabletten onder het begrip geneesmiddel vallen, in de zin van artikel 1 van de Geneesmiddelenwet, en dat uit onderzoek niet is gebleken dat aan verdachte ooit een vergunning is verleend ex artikel 18 subsidiair en artikel 40 van de Geneesmiddelenwet.

Gelet op de bevindingen van de politie, het onderzoek van het NFI-rapport en op de bevindingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde in voorraad hebben gehad, zonder de daarvoor geldende handelsvergunning, van 70,5 mCPP bevattende pillen in de periode van 10 februari 2009 tot en met 7 juni 2009 in Zwolle en/of Hattem en/of elders in Nederland heeft begaan.

Hierbij is van belang dat bij het NFI-rapport van 27 juli 2009 als bijlagen de "Aanvrage onderzoek" van de politie te Heerde van 14 juli 2009 en een, kennelijk bij die aanvraag behorende, harddrugslijst zijn gevoegd. De aanvraag is gedaan door verbalisant [naam], die in de harddrugslijst als rapporteur en in het NFI-rapport als contactpersoon is genoemd. In zowel de aanvraag als de harddrugslijst wordt een hoeveelheid van 4,5 pillen met de code AABF0308NL en een hoeveelheid van 5 pillen met de AABF0309NL genoemd. Op de aanvraag is, kennelijk door een medewerker van het NFI, met de hand bijgeschreven dat beide hoeveelheden pillen de diepdruk 'mitsubishi' bevatten en dat de hoeveelheid van 5 pillen een monster betreft uit 66 pillen.

Gelet hierop mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de in totaal 70,5 pillen, die in de auto van verdachte zijn aangetroffen, door de politie onder de codes AABF0308NL en AABF 0309NL aan het NFI zijn aangeboden en dat die pillen mCPP bevatten.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 juni 2009 te Hattem en Zwolle en elders in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid speed, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, en XTC-pillen, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA (MDEA) en/of 2-CB, zijnde MDA en MDMA en MMDA en N-ethyl MDA (MDEA) en 2-CB, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 7 juni 2009 te Hattem opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, ongeveer 117,55 gram zogenaamde speed (30,93 gram + 86,62 gram), in elk geval hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, en 1 XTC-pil (diepdruk kroon), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-CB, zijnde 2-CB, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op 7 juni 2009 te Hattem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 6 juni 2009 te Zwolle en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op 24 maart 2009 te Nieuwleusen, althans in de gemeente Dalfsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,9 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2009 tot en met 7 juni 2009 in Zwolle en/of in Hattem en/of elders in Nederland een geneesmiddel, te weten tabletten die mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) bevatten, in voorraad heeft gehad, te weten 70,5 pillen (4,5 pillen + 66 pillen), althans een aantal pillen (met mitsubishi-teken of diepdruk) in Hattem, terwijl daarvoor geen handelsvergunning gold.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 tot en met 5 bewezene levert op de misdrijven:

feit 1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 6 bewezene levert op de overtreding:

feit 6. Overtreding van artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie acht voor de strafmaat van belang de ernst van de feiten en de duur en omvang van de drugshandel. De handel in harddrugs brengt gevaar voor de volksgezondheid met zich mee en voorziet verslaafden in hun verslaving, die veelal hun toevlucht zoeken in de criminaliteit om de harddrugs te kunnen betalen. Verdachte heeft tot de instandhouding van deze praktijken bijgedragen. De officier van justitie heeft voorts in haar eis betrokken dat verdachte niet lijkt in te zien dat de handel in harddrugs een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. Ondanks eerdere aanhoudingen is verdachte niet opgehouden met het plegen van de onderhavige delicten. De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder op grond van de Opiumwet is veroordeeld. Ten slotte accepteert verdachte geen hulp van de reclassering.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat, ingeval de rechtbank komt tot enige veroordeling, rekening dient te worden gehouden met de volgende omstandigheden.

Het is onduidelijk wat de omvang is geweest van de drugshandel van verdachte. De gebruikers hebben niet verklaard dat zij dagelijks van verdachte hebben afgenomen en dat zij voor hun verslaving afhankelijk waren van verdachte. Voorts is onduidelijk wat de concentratie GHB in de 552 milliliter aangetroffen vloeistof en de werking daarvan is geweest. Verdachte heeft verder niet gehandeld in verslavende middelen als cocaïne of heroïne, maar in in het uitgaansleven veel voorkomende partydrugs. Verdachte heeft daarom niet beseft dat het hier ernstige vergrijpen betreft. Hij ziet dat thans wel in. Ten slotte heeft verdachte in zijn jeugd herhaaldelijk delicten gepleegd, maar heeft hij sindsdien een nagenoeg blanco strafblad.

De raadsman heeft bepleit dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 tot 6 maanden passend is voor de gepleegde feiten.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straftoemeting is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan -kort gezegd- handel in speed en XTC-pillen over een periode van bijna anderhalf jaar. Voorts heeft verdachte opzettelijk een hoeveelheid speed en een XTC-pil aanwezig gehad en een hoeveelheid GHB opzettelijk verkocht en aanwezig gehad. Hij heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben, zonder handelsvergunning, van pillen die mCPP bevatten. Speed, XTC en GHB zijn voor de gebruikers daarvan (zeer) schadelijke stoffen, die door toedoen van verdachte het maatschappelijk verkeer hebben bereikt, met alle daarmee gepaard gaande risico's voor de volksgezondheid.

Verdachte heeft in speed gehandeld, omdat hij geen uitkering had en kennelijk geen andere manier zag om aan geld te komen. Hij heeft niet ingezien dat XTC-pillen verboden zijn, omdat die pillen, naar eigen zeggen, er nu eenmaal zijn, veel gebruikt worden en er geen ongelukken mee gebeuren. In deze omstandigheden ligt het recidivegevaar besloten.

Uit het strafblad23 van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. In het nadeel van verdachte pleit echter dat zijn aanhouding op 10 februari 2009 hem er kennelijk niet van heeft kunnen weerhouden om meerdere keren opnieuw in de fout te gaan.

Voorts komt uit het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport24 naar voren dat de kans op recidive gemiddeld is en dat interventies op een aantal delictgerelateerde leefgebieden geindiceerd zijn. Verdachte leek open te staan voor gesprekken met de reclassering als ondersteuning voor het opbouwen van een stabiele levenssituatie, maar vooralsnog heeft hij zich verzet tegen verdergaande bemoeienis van de reclassering, die daardoor geen plan van aanpak met verdachte heeft kunnen opstellen.

Geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Ten slotte heeft de rechtbank minder bewezenverklaard dan hetgeen de officier van justitie bewezen heeft geacht en aan haar strafeis ten grondslag heeft gelegd en heeft de rechtbank het bewezenverklaarde feit 6, dat volgens de officier van justitie een misdrijf betrof, gekwalificeerd als een overtreding.

Alles overwegende zal de rechtbank een straf opleggen die lager is dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

De rechtbank acht ten aanzien van de onder 1 tot en met 5 tenlaste gelegde en bewezenverklaarde misdrijven een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Voorts acht de rechtbank ten aanzien van de onder 6 ten laste gelegde en bewezenverklaarde overtreding 1 maand voorwaardelijke hechtenis passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat in de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht.

In beslag genomen voorwerpen25

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven, aan verdachte toebehorende grijze personenauto, merk BMW, type 525I, kenteken [kenteken], is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1, 2, 3, en 6 bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast aan verdachte van de aan hem toebehorende zwarte telefoon, merk NOKIA, type 3310.

Toepasselijk wettelijke artikelen

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen

- 10, 14a, 14b,14c, 18, 27, 33, 33a, 56, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht,

- 2, 3, 10, 11, 13 van de Opiumwet,

- 18 van de Geneesmiddelenwet, en

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde tweede onderdeel heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde en het onder 6 ten laste gelegde eerste onderdeel heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

feit 1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 6. Overtreding van artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde tot een hechtenis voor de duur van 1 (één) maand;

* bepaalt, dat de hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* verklaart verbeurd het in beslag genomen, niet teruggegeven, voorwerp, te weten:

- personenauto, merk BMW, type 525I, kenteken [kenteken];

* gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten:

- een telefoon, merk NOKIA, type 3310.

Aldus gewezen door mrs. Van den Dungen-Dijkstra, voorzitter, De Bie en Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wever, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2009.

mr. Van den Dungen-Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

Waarvan proces-verbaal,

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna vermelde voetnoten telkens verwezen naar processen-verbaal, met bijbehorende dossierpagina's, die deel uitmaken van het in de wettelijke vorm opgemaakte (Stam)proces-verbaal nr. PL0618/09-204598. Dit proces-verbaal is op 7 juli 2009 opgemaakt door J[naam], hoofdagent van politie Team Heerde-Hattem, District Noord-West Veluwe, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland.

2 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 61

3 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 49 en 50, van het in de wettelijke vorm opgemaakte (Stam)proces-verbaal nr. PL0789/09-001778, gedateerd 13 maart 2009, opgemaakt door [naam], brigadier van politie Unit Executieve Ondersteuning, District Arnhem Veluwezoom, Politieregio Gelderland Midden.

4 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 78

5 Proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling, dossierpagina 20

6 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 68-70, 74-75 en 85-86, van voornoemd (Stam)proces-verbaal nr. PL0789/09-001778.

7 Proces-verbaal van aanhouding, dossierpagina 16

8 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 23

9 Proces-verbaal NARCOTIC IDENTIFICATION TEST (amfetamine), dossierpagina 28-29 en 30-31

10 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 juli 2009.

11 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 23

12 Proces-verbaal NARCOTIC IDENTIFICATION TEST (GHB), dossierpagina 32-33

13 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 juli 2009.

14 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 66-67

15 Proces-verbaal onderzoek GSM-telefoon, dossierpagina 54

16 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 102

17 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 6 en 11, van het in de wettelijke vorm opgemaakte (Stam)proces-verbaal dossiernummer 09-501750, gedateerd 26 maart 2009, opgemaakt door [naam], Recherche Team Horst & Waterland, Regiopolitie IJsselland.

18 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 28 en 32, van voornoemd (Stam)proces-verbaal dossiernummer 09-501750.

19 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 23

20 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 20, en het Proces-verbaal Stand van Zaken nr. PL0618/09-290831, gedateerd 15 juni 2009, opgemaakt door [naam], hoofdagent van politie Team Heerde-Hattem, District Noord-West Veluwe.

21 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 juli 2009.

22 Proces-verbaal van Staatstoezicht op de Volksgezondheid, Inspectie voor de Gezondheidszorg, gedateerd 14 juli 2009, opgemaakt door [naam], inspecteur.

23 Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juni 2009.

24 Voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 4 september 2009, opgesteld door M. Rozendaal, reclasseringswerker, en J.C.F. Jansen, unitmanager.

25 Kennisgeving van inbeslagneming, mutatienummer PL0618/09-290831, gedateerd 11 juni 2009, opgemaakt door [naam], brigadier van politie Team Heerde-Hattem, District Noord-West Veluwe.