Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ7998

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
06/820341-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Salduz- en Panovits verweer inzake minderjarige verdachte. Verdachte heeft toch geen PIJ-maatregel opgelegd gekregen inzake een zedendelict jegens een medebewoonster van de inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige Jeugdstrafkamer

Parketnummer: 06/820341-09

Uitspraak d.d. 15 september 2009

Tegenspraak / dip

Raadsman: mr. N.G. Cornelissen te Groenlo

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1994],

wonende te [plaats, adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2009.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2008 in de gemeente Rotterdam, met [slachtoffer A] (geboren op [1996]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer A] gebracht en/of gestoken en/of

heen en weer bewogen, en/of

- met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer A]

geknepen, en/of

- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer A] getoond, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te houden, in ieder

geval die [slachtoffer A] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden, en/of

- met zijn, verdachtes, hand(en) (onder de kleding) over/aan de/een borst(en) van die

[slachtoffer A] gestreeld en/of gevoeld, en/of

- met zijn, verdachtes, hand(en) (onder de kleding) over/aan de kont van die [slachtoffer A]

gestreeld en/of gevoeld en/of die kont vastgehouden;

art 244 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 28 januari 2008 in de gemeente Rotterdam, met [slachtoffer A], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het knijpen met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of de schaamstreek van die

[slachtoffer A], en/of

- het brengen en/of steken en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de

vagina van die [slachtoffer A], en/of

- het tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer A], en/of

- (vervolgens) het dwingen van die [slachtoffer A] om zijn, verdachtes, penis vast te houden, in

ieder geval het door die [slachtoffer A] laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis, en/of;

- het strelen en/of voelen met zijn, verdachtes, hand(en) (onder de kleding over/aan de/een

borst(en) van die [slachtoffer A], en/of

- het strelen en/of voelen met zijn, verdachtes, hand(en) (onder de kleding) over/aan de kont

van die [slachtoffer A] en/of het vasthouden van die kont;

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en

met 16 september 2008 te Zetten, gemeente Overbetuwe, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer B] (geboren op [1994]) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer B], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer B] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- (zijn, verdachtes, penis) (zich) door die [slachtoffer B] laten masturberen en/of laten aftrekken,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, mond laten brengen en/of duwen, en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, anus gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, anus laten brengen en/of duwen, en/of

- (de penis van) die [slachtoffer B] gemasturbeerd en/of afgetrokken,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- tegen de [slachtoffer B] heeft gezegd, dat hij, [slachtoffer B], bovenstaande handeling(en) moest ondergaan

en/of doen, omdat hij, verdachte, anders de opa van [slachtoffer B] zou (gaan) afmaken en/of

doodmaken, en/of (als die [slachtoffer B] met iemand zou praten over bovenstaande handelingen)

die [slachtoffer B] zou slaan en/of

- misbruik heeft gemaakt van zijn, verdachtes fysieke en/of geestelijke overwicht, en/of

(aldus) voor die [slachtoffer B] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 16 september 2008 te Zetten, gemeente Overbetuwe, met [slachtoffer B] (geboren op [1994]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer B], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer B] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- (zijn, verdachtes, penis) (zich) door die [slachtoffer B] laten masturberen en/of laten aftrekken,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, mond laten brengen en/of duwen, en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, anus gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en/of

- de penis van die [slachtoffer B] in zijn, verdachtes, anus laten brengen en/of duwen, en/of

- (de penis van) die [slachtoffer B] gemasturbeerd en/of afgetrokken,

(parketnummer 06.920177 / 09)

art 245 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Vaststaande feiten.

Feit 11

Op 16 februari 2008 doet [naam 1], leidinggevende bij de Stichting Horizon, aangifte terzake seksueel misbruik c.q. verkrachting van een bewoonster van De Horizon, de 11-jarige [slachtoffer A] (hierna:”[slachtoffer A]”).

Op 16 februari 2008 heeft groepsleider [naam 2] verklaard dat hij van [slachtoffer A] zelf heeft gehoord dat verdachte op de avond van 28 januari 2008 seksuele handelingen met haar heeft gepleegd en dat medebewoner [getuige] hiervan getuige zou zijn geweest. [getuige] heeft hierover verklaard hij eind januari 2008 dan wel begin februari 2008 getuige is geweest van een (seksueel) voorval tussen slachtoffer [slachtoffer A] en verdachte. [slachtoffer A] is op 24 april 2008 in een studio verhoord. Hier verklaart zij dat verdachte haar heeft betast en dat hij met zijn vinger bij haar naar binnen is gedrongen.

Verdachte is op 25 november 2008 en meerdere malen op 26 november 2008 over de aangifte gehoord.

Feit 22

Op 23 september 2008 vond een gesprek plaats tussen aangever [slachtoffer B] (hierna:”[slachtoffer B]”), zijn mentrix en een functionaris van de Otto Gerard Heldringstichtingen, groep De Driehoek te Zetten. Uit dit gesprek bleek dat [slachtoffer B] tegen een aantal van zijn medepupillen en de dienstdoende groepsleiders had verteld dat hij seksueel misbruikt was door een andere groepsgenoot genaamd [verdachtee], zijnde verdachte.

Op 28 november 2008 heeft [slachtoffer B] ook aangifte gedaan tegen verdachte terzake seksueel misbruik c.q. verkrachting.

Verdachte is op 15 december 2008 en tweemaal op 16 december 2008 over de aangifte gehoord.

B. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feit. Dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, volgt onder meer uit de (gedetailleerde) verklaring van aangeefster [slachtoffer A] [slachtoffer A], de getuigenverklaring van [getuige] en de (deels) bekennende verklaring van verdachte zelf. De officier van justitie is van mening dat er wel sprake is geweest van seksueel binnendringen en verwijst hiervoor naar de gedetailleerde verklaring van [slachtoffer A] die hierover specifiek verklaart, en wel dat verdachte haar hand bij haar vagina wegtrok, dat hij heel hard in haar vagina kneep en dat hij met zijn vinger in het gaatje erin en er weer uit ging, dat hij toen aan zijn vinger ging ruiken en zei dat ze zich beter moest wassen omdat ze daar stonk. Ook heeft ze verklaard dat die handeling haar heel pijn heeft gedaan omdat hij met zijn nagel hard tegen de binnenkant van haar vagina kwam. Haar verklaring wordt hierin gedeeltelijk ondersteund door de verklaring van [getuige], die ziet dat verdachte steeds dicht op [slachtoffer A] staat en dat [slachtoffer A] erg angstig is. De verklaring van groepsleider [naam 2] ondersteunt eveneens de aangifte op dit punt aangezien hij specifiek verklaart over de emoties die hij waarneemt bij [slachtoffer A] en [getuige] als deze hun verhaal aan hem vertellen.

Ten aanzien van het derde en vierde gedachtenstreepje heeft de officier van justitie gevorderd verdachte vrij te spreken, nu deze handelingen niet terugkomen in het studioverhoor van [slachtoffer A] en alleen [naam 2] daarover (van horen zeggen) heeft verklaard.

Dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, volgt onder meer uit de gedetailleerde aangifte van [slachtoffer B]. Dat verdachte hierover heeft verklaard dat er wel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar dat deze over en weer en niet onder dwang hebben plaatsgevonden, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. De officier van justitie verwijst hiervoor naar de email van [naam 3]3, groepsleider, waarin staat dat verdachte na hiermee geconfronteerd te zijn, aan [naam 1] toegeeft dat hij inderdaad tegen de wil van [slachtoffer B] in, orale seks heeft gehad en dat hij hier heel onverschillig onder is omdat hij zelf ook verkracht is. Dat er sprake is geweest van dwang volgt ook uit de verklaring van [slachtoffer B] waarin hij verklaart dat verdachte hem gedreigd heeft te slaan als hij niet mee zou werken of als hij iets zou vertellen. Ook heeft hij gedreigd dat hij de opa van [slachtoffer B] af zou maken als hij niet zou meewerken. Verdachte heeft over dit punt verklaard dat hij best dwingend en overheersend over kan komen bij anderen. Bovendien blijkt ook uit het dossier dat verdachte fysiek en mentaal sterker is dan [slachtoffer B], die juist bekend staat als iemand die makkelijk over te halen is dingen te doen.

C. Standpunt van de verdachte

Door de raadsman is aangevoerd dat in deze zaak belangrijke voorschriften of rechtsbeginselen aanzienlijk zijn geschonden, dat er derhalve sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat om die reden de afgelegde verklaringen van verdachte, voorafgaande aan het eerste bezoek van zijn raadsman, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman bepleit voorts om bewijsuitsluiting nu de minderjarige verdachte tijdens het verhoor door de politie niet is bijgestaan is door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon. Hij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar het recente arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN:BH3079, welk arrest is geïnspireerd op de uitspraak van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije en Panovits tegen Cyprus).

De raadsman is van oordeel dat, nu de verklaringen van verdachte niet kunnen worden meegenomen in de bewezenverklaring, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om verdachte te veroordelen zodat dient vrijspraak te volgen.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank (een deel van) de verklaringen van verdachte wel als bewijsmiddel kan gebruiken, evenzeer vrijspraak dient te volgen voor beide ten laste gelegde feiten.

De raadsman voert ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde aan, dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het seksueel binnendringen. Hij voert daartoe aan dat niet alleen de verklaring van [slachtoffer A] daarover op zichzelf staat, maar dat deze ook onbetrouwbaar is nu haar aangifte afwijkt van het verhaal dat ze bij [naam 2] heeft verteld. Ten overstaan van [naam 2] zou ze namelijk hebben verklaard dat zij verdachte zou hebben moeten pijpen en dat ze met de pik van verdachte in haar handen zou hebben gestaan. Dit deel komt evenwel later niet terug in haar aangifte. Ook de door [getuige] ten overstaan van [naam 2] afgelegde verklaring wijkt af van de ten overstaan van de politie afgelegde verklaring. Bij de politie heeft [getuige] verklaard dat hij nagenoeg niets op seksueel vlak gezien en/of gehoord heeft, behoudens de rijbewegingen. Ten overstaan van [naam 2] heeft [getuige] echter verklaard dat hij gehoord zou hebben dat [slachtoffer A] het niet fijn vond, zou hij gezien hebben dat verdachte met zijn hand in de achterkant van de broek van [slachtoffer A] zat en zou hij het dichtknopen van de broek van verdachte nadat hij het piepje van de keycard heeft gehoord, hebben gezien.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat, nu het om dezelfde handelingen als het onder het primair ten laste gelegde gaat, welke handelingen niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, eveneens vrijspraak dient te volgen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het ontuchtige karakter ontbreekt aangezien, indien en voor zover er geen sprake is geweest van seksueel binnendringen, de handelingen op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden en er bovendien sprake is van een gering leeftijdsverschil zodat het zou gaan om sociaal-ethisch aanvaardbare handelingen, zoals een seksueel stoeipartijtje. De raadsman voert daartoe nog aan dat uit de bewijsmiddelen geenszins voldoende duidelijk valt af te leiden dat er geen sprake zou zijn van vrijwilligheid aan de zijde van [slachtoffer A]. Het vereiste opzet van verdachte op het (beweerdelijk) dwingen van [slachtoffer A] tot het ondergaan van de handelingen staat daarmee niet vast en verdachte dient om ook om deze reden te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiar ten laste gelegde heeft de raadsman primair aangevoerd dat, aangezien de verklaringen van verdachte niet voor het bewijs gebezigd mogen worden, verdachte dient te worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. Subsidiair voert hij aan dat, indien de rechtbank de verklaringen van verdachte wel gebruikt voor het bewijs, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen oordelen dat er sprake zou zijn geweest van enige dwang. Uit het dossier leidt de raadsman namelijk af dat er over en weer sprake is geweest van vrijwilligheid en dat bovendien de dreigementen richting de opa van [slachtoffer B] niet waar zijn. Het vereiste opzet – in beide ten laste gelegde varianten- kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard nu op grond van de verklaringen die zich in het dossier bevinden het meer aannemelijk is dat [slachtoffer B] getwijfeld heeft aan zijn seksualiteit en op vrijwillige basis geëxperimenteerd heeft.

Ten slotte heeft de raadsman nog aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de handelingen na de inkeer van [slachtoffer B]4 zijn doorgegaan tegen zijn wil.

D. Beoordeling van de rechtbank

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdacht voor aanvang van het eerste verhoor niet is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Daarmee is volgens hem sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dienen de afgelegde verklaringen te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman van verdachte heeft daarnaast gesteld dat verdachte bij het verhoor van de politie niet de mogelijkheid heeft gehad zich te laten bijstaan door een advocaat of ander vertrouwenspersoon. Daarmee is er volgens de raadsman eveneens sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dienen de afgelegde verklaringen ook daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank:

Uit de uitspraak van het Europese Hof (Salduz 27-11-2009, NJ 209.214 en Panovits 11-12-2008, NJ 209.215) en van de Hoge Raad (30-06-2009, LJN: BH3079), volgt dat een aangehouden verdachte gelegenheid moet worden geboden voor het politieverhoor een advocaat te raadplegen en op dat recht moet worden gewezen. Jeugdigen hebben recht op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het politieverhoor. Niet naleving van deze regels zal, in geval van verweer, ondermeer moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Met het oog hierop zal de rechtbank geen gebruik maken van verklaringen van verdachte voor zover die zijn afgelegd voor het eerste bezoek van zijn raadsman. Dat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld zich bij de verhoren door zijn raadsman of een andere vertrouwenspersoon te laten vergezellen, is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet een zodanig vormverzuim dat zijn verklaringen moeten worden uitgesloten voor het bewijs.

Hierbij is van belang dat door of zijdens verdachte niet is verzocht om de aanwezigheid van een advocaat of vertrouwenspersoon tijdens de verhoren. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat er ontoelaatbare druk op verdachte gedurende de verhoren is uitgeoefend of dat geen rekening is gehouden met zijn jeugdige leeftijd. Ten slotte is van belang dat verdachte nimmer verklaringen of delen daarvan heeft herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte dan ook niet geschaad in zijn belangen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen oordelen dat er sprake zou zijn geweest van enige dwang.

Verdachte heeft verklaard5 dat de seksuele handelingen met instemming van beiden hebben plaatsgevonden. Niet is komen vast te staan dat verdachte door fysiek geweld dan wel met bedreiging met fysiek geweld de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen, die hij overigens heeft toegegeven behoudens de anale penetratie, bij [slachtoffer B] heeft afgedwongen, nu daarvan uit de stukken onvoldoende is gebleken. Dat zelfde geldt ten aanzien van het misbruik van fysiek overwicht met betrekking tot en tijdens de seksuele contacten. Ten aanzien van het geestelijke overwicht overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel aannemelijk is dat verdachte bij tijden uitermate dwingend en overheersend kan overkomen, is onvoldoende komen vast te staan dat het deze houding was die tot de diverse seksuele handelingen heeft geleid. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat [slachtoffer B] zelf (ongeoorloofd) meermalen naar de kamer van verdachte is gegaan, wetende wat er zou gaan gebeuren en dat [slachtoffer B] ook heeft verklaard6 dat hij het in het begin best fijn vond, dat hij zich na de achtste keer pas realiseerde wat er gebeurde, dat dat niet mocht en dat hij het toen niet meer fijn vond.

Overigens is de rechtbank ook van oordeel dat het ontuchtige karakter aan de ten laste gelegde seksuele handelingen ontbreekt, gelet op het geringe leeftijdsverschil tussen de jongens.

De verdachte behoort derhalve te worden vrijgesproken.

Feit 1

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van de onderdelen:

“- zijn, verdachtes, penis aan de [slachtoffer A] getoond, en/of

- (vervolgens) de [slachtoffer A] gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te houden, in ieder

geval die [slachtoffer A] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden, en/of

- met zijn, verdachtes, hand(en) (onder de kleding) over/aan de kont van die [slachtoffer A]

gestreeld en/of gevoeld en/of die kont vastgehouden”. Van deze onderdelen spreekt zij verdachte vrij.

De rechtbank baseert zich hierbij op de consistente en gedetailleerde aangifte van [slachtoffer A] [slachtoffer A]7, de getuigenverklaring van [getuige]8, die ziet dat [slachtoffer A] erg angstig is voor verdachte, de verklaring van groepsleider [naam 2]9, die de emoties bij [slachtoffer A] en [getuige] waarneemt als zij hem het verhaal vertellen, maar ook gelet op een citaat uit de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd inzake het onder 2 ten laste gelegde feit10, te weten:”U vraagt hoe het in Rotterdam was. In Rotterdam was het ook dwingende seks. Dit was een meisje van 12 jaar. Daar ben ik over gehoord en dat heb ik ook bekend”. Daarnaast heeft verdachte wel toegegeven11 dat hij seksueel getinte handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer A].

Het verweer van de raadsman ter zitting, dat zijn cliënt zich niet schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnendringen van [slachtoffer A], wordt verworpen, gelet op de verklaring hieromtrent van aangeefster, waarin zij specifiek heeft verklaard over de nagel van verdachte, dat deze hard tegen de binnenkant van haar vagina schuurde en dat dat zeer pijnlijk was.

De verklaring van [slachtoffer A] is gedetailleerd, duidelijk en consistent, ook op het

punt van het seksueel binnendringen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 28 januari 2008 in de gemeente Rotterdam, met [slachtoffer A] (geboren op [1996]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer A] gebracht en/of gestoken en heen

en weer bewogen, en

- met zijn, verdachtes, vingers in de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer A]

geknepen, en

- met zijn, verdachtes, handen onder de kleding over de borsten van die [slachtoffer A]

gestreeld en gevoeld.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel

van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezene levert op het misdrijf:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van verdachte is een Psychiatrisch Pro Justitia rapport gedateerd 31 juli 2009 opgemaakt door O.A. Jansen Heijtmajer, kinder- en jeugdpsychiater. In dit rapport, waarvan de gehele inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, wordt, zakelijk weergegeven, het volgende geconstateerd.

Betrokkene liet zich niet onderzoeken, ondanks de aanvankelijk toegezegde medewerking. Daarmee is de onderzoekbaarheid van verdachte beperkt en heeft dit rapport beperkingen. Vanuit de aanwezige en opgevraagde gegevens komt echter wel een tamelijk eenduidig en helder beeld naar voren.

Betrokkenes problematiek bestaat –voor zover te beoordelen op grond van de beperkingen van dit onderzoek- uit zowel in aanleg gelegen factoren, te weten de autisme spectrum stoornis (in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis met ADHD trekken), zijn zwakke, met name verbale intelligentie, als ook omgevingsbepaalde factoren, de zeer belaste opvoedingsgeschiedenis met pedagogische verwaarlozing. Er is sprake van een ziekelijke stoornis (PDD-NOS) zowel als een gebrekkige ontwikkeling (zwak IQ, scheefgroei in de ontwikkeling).

De toerekeningsvatbaarheid wordt gezien als verminderd, gezien het ontwikkelniveau (cognitief, sociaal en emotioneel) en het functioneren van de jeugdige samenhangend met zijn contactstoornis, voor zover de diagnostiek mogelijk was gezien de beperkingen van het onderzoek. Zijn contactproblemen, zwakte in interpreteren van sociale informatie, zijn impulsiviteit, zijn geobsedeerd zijn met seks, zijn gebrek aan empathie en zijn zwakke gewetensfuncties bepaalden dat hij slecht kon en wilde inzien dat zijn seksuele toenadering mogelijk aanvankelijk wel werd geduld of zelfs gewenst, maar dat hij later als bedreigend en dwingend overkwam bij zijn slachtoffer. Hij lijkt niet anders dan uit zijn eigen perspectief te kunnen handelen en vertoont daarbij een zeer zwak beoordelingsvermogen: zo wil ik het, zo moet het, is het niet goedschiks, dan kwaadschiks.

Met de conclusie van dat rapport, te weten dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar en tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat de noodzaak van een strakke, gesloten en gestructureerde behandelsetting met oog op verdachtes handicap evident is en dat een verplicht kader zeer wenselijk is om de continuïteit van de behandeling te garanderen. Gezien de ernst van het delict, de wisselende leefomstandigheden, de beschadigde en verstoorde ontwikkeling van verdachte, waarbij waarschijnlijk kans is op een ziekelijke stoornis, acht de officier van justitie de kans op recidive hoog. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van een PIJ-maatregel, maar is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke verder ontwikkeling van verdachte.

Door en namens verdachte is ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het geringe strafblad van verdachte en met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voorts heeft hij aangevoerd dat mocht de rechtbank niet beslissen tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van verdachte, hij op zijn minst recht heeft op een forse strafvermindering wegens schending van zijn rechten en dat er in dat licht onvoldoende overblijft wat oplegging van de PIJ-maatregel rechtvaardigt.

De raadsman merkt tenslotte nog op dat verdachte nu een jaar op Harreveld zit, dat hij daar helemaal op zijn plek zit en dat het dus erg goed gaat. Hij zou graag zien dat verdachte, als het enigszins mogelijk is, (civielrechtelijk) op deze plek zou kunnen blijven. Voor het overige refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de

omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting

is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig zedendelict, waarbij een 12-jarig meisje het slachtoffer is geworden. Verdachte heeft –ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes- inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer [slachtoffer A]. Het is algemeen bekend dat de gevolgen van dergelijke seksuele contacten voor het slachtoffer schadelijk kunnen zijn. Dergelijke seksuele contacten kunnen de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer ernstig verstoren en zij kan hiervan ook op latere leeftijd nog psychische problemen ondervinden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten en met de omstandigheid dat verdachte nog een langdurige behandeling dient te ondergaan, waaraan de rechtbank grote waarde hecht. Voorts is er rekening mee gehouden dat het feit in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een psychiatrisch dan wel psychologisch onderzoek. De psychiater heeft gerapporteerd op basis van aanwezige en opgevraagde gegevens. De psycholoog heeft zijn opdracht teruggegeven.

Jansen Heijtmajer, kinder- en jeugdpsychiater, adviseert, gezien de ernst van de problematiek, het gevaar voor herhaling en de noodzaak van een strakke, gesloten en gestructureerde behandelsetting, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) op te leggen. Betrokkene kan dan op zijn huidige behandelplek blijven, waar bij zich redelijk thuis voelt en een lange termijnplan is ontwikkeld.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming acht het van groot belang dat verdachte zijn behandeling ondergaat op de huidige behandelplek, waar de benodigde expertise aanwezig is, aandacht is voor zijn problematiek en structuur en duidelijkheid wordt geboden. Zij adviseert om die redenen (alsnog) het opleggen van een PIJ-maatregel.

De rechtbank neemt deze adviezen, voor wat betreft de keuze in de strafsoort, niet over. Zij overweegt daartoe het volgende:

Verdachte is nog zeer jong (15 jaar) en kan in het kader van een civiele maatregel nog een geruim aantal jaren, zonodig in een gesloten kader, worden behandeld voor zijn problematiek. Verdachte functioneert goed in de huidige behandelsetting en niet is gebleken dat hij zich onttrekt aan de behandeling. Bovendien heeft verdachte geringe documentatie en is het bewezenverklaarde feit meer dan anderhalf jaar geleden begaan. Gelet hierop en de omstandigheid dat voor feit 2 een vrijspraak volgt, acht de rechtbank het opleggen van een PIJ-maatregel een te zware sanctie. Dat de behandeling in het kader van het civielrechtelijke mogelijk niet kan plaatsvinden in de instelling waar verdachte op dit moment verblijft, laat de rechtbank buiten beschouwing. Hieromtrent is geen duidelijkheid. Bovendien is het een aspect dat naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend mag zijn voor het al dan niet opleggen van een PIJ-maatregel.

Gelet op de ernst van het feit is een langdurige werkstraf wel op zijn plaats. Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt, zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar opleggen.

Toepasselijke wettelijke artikelen

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen plegen die bestaan uit of

mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden;

* bepaalt, dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar

behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van

30 dagen;

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, tevens plaatsvervangend kinderrechter, mrs. Krijger en Steenhuisen, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 september 2009.

Voetnoten:

1 wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. 2008042773-3, Politie Rotterdam – Rijnmond, Jeugd- en Zedenzaken Noord, gesloten en ondertekend op 27 november 2008.

2 wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. Pl0753/08-008195, Politieregio Gelderland Midden, Divisie Justitiële Zaken, Unit Regionale Recherche, gesloten en ondertekend op 23 januar 2009.

3 print van een email van [naam 3] naar de groepsleiding, pag. 69

4 “In het begin vond ik het wel fijn. Maar na de achtste keer begon ik mij te realiseren wat er gebeurde. Ik realiseerde mij dat hij dingen deed die niet mochten (…). Toen vond ik het ook niet meer fijn”

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], pag. 59-65 en 71-76

6 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer B], pag. 62

7 Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer A], volgnummer 4

8 Proces-verbaal van verhoor van [getuige ], volgnummer 5

9 Proces-verbaal van verhoor van [naam 2], volgnummer 2

10 Proces-verhaal van verhoor van verdachte, pag. 84

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, volgnummers 8, 11, 12 en 13