Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ5762

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
100983 - HA ZA 09-297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Rekening en verantwoording. Onrechtmatige daad. Broer handelt onrechtmatig jegens zus door naar eigen zeggen het daarheen te leiden dat de moeder voor aanzienlijke bedrag via zijn bankrekening betaalt aan goede doelen, zonder dat de broer kan verantwoorden dat dit bedrag ook metterdaad aan de goede doelen is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 100983 / HA ZA 09-297

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. S.H. van Os te Leusden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. K.G. van de Streek te Elburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2009

- de brief van mr. Van Os van 2 juni 2009 met producties 15, 16 en 17 als bijlagen

- de brief van mr. Van der Streek van 5 juni 2009 met productie 9 als bijlage.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn broer en zus. De vader van partijen zijn overleden toen zij beide minderjarig waren. De moeder van partijen (hierna ook: de moeder) is overleden op

[2006] zonder een testament achter te laten. Op dat moment was zij negentig. Partijen zijn de enige erfgenamen. De moeder heeft van 1997 tot aan haar dood in een verzorgingshuis gewoond.

2.2. [gedaagde] heeft vanaf 1990 tot aan het overlijden van de moeder beschikt over een volmacht om vanaf de rekeningen van de moeder overschrijvingen te doen.

2.3. De moeder heeft haar woning in 1997 vrij van hypotheek verkocht waarna zij via de notaris een bedrag van f 186.399,38 (€ 84.584,35) heeft ontvangen.

2.4. Na het overlijden van de moeder bleek dat de haar bankrekeningen onvoldoende saldo hadden om daarvan alle begrafeniskosten te betalen. Om die reden is geen batig saldo van bankrekeningen verdeeld. Wel zijn partijen in samenspraak overgegaan tot verdeling van sieraden en andere roerende zaken.

2.5. In een brief van [gedaagde] aan mevrouw mr. A.B.L. Weijers (gemachtigde van [eiseres]) van 1 juli 2007 staat:

“(…) Alle papieren hebben al die jaren op de kamer van mijn moeder gelegen in het bejaardencentrum, dus zij heeft al die jaren alles in kunnen zijn wanneer zij dat maar wilde. Zij heeft daar nooit gebruik van gemaakt tijdens het leven van mijn moeder. (…) Mijn moeder heeft geleefd zoals zij wilde maar mijn zus, naar nu blijkt, had waarschijnlijk liever gewild dat mijn moeder onder curatele werd gehouden. Verder is mijn zus kennelijk vergeten dat mijn moeder 9 jaar in het bejaardencentrum heeft gewoond en dan teer je behoorlijk in als je in de hoogste klasse valt. (…)”.

2.6. Mr. Weijers heeft in een brief van 20 juli 2007 het volgende namens [eiseres] geschreven aan [gedaagde]:

“(…) Ik had graag telefonisch met u willen overleggen over de meest praktische wijze om het inzagerecht van uw zuster te effectueren.

Omdat u hiervoor niet voelt, verzoek ik u mij de navolgende bescheiden van uw moeder toe te zenden, zodat uw zuster deze op mijn kantoor kan inzien:

- De bankafschriften van de laatste vijf jaren;

- (een kopie van) de leveringsakte van de door uw moeder ongeveer 10 jaar geleden verkochte woning en de afrekening terzake;

- kopieën van de belastingaangiften van de laatste vijf jaren.

Uiteraard zal ik ervoor zorgdragen dat de bescheiden bij u terugkomen. (…)”.

2.7. In een brief van mr. Weijers aan [gedaagde] van 18 september 2007 staat:

“(…) Omdat de bankafschriften van de spaarrekening van uw moeder over eerdere jaren niet meer beschikbaar waren, heb ik bij de betreffende bank een historisch overzicht gevraagd. Hieruit is gebleken dat ten laste van de spaarrekening van uw moeder de volgende bedragen zijn afgeschreven:

Jaar 1999: f. 58.600,=;

jaar 2000: f. 25.109,95;

jaar 2001: € 15.676,=

jaar 2002: € 15.801,68;

jaar 2003: € 10.519,57

jaar 2004: € 2.657,55

Ter bepaling van de legitieme portie van uw zuster, zou ik graag van u vernemen, waarvoor de afgeschreven bedragen zijn aangewend. (…)”.

2.8. In een brief van de gemachtigde van [gedaagde] aan mr. Weijers van 22 november 2007 staat:

“(…) Bij brief van 6 november jl. verzoekt u cliënt duidelijkheid te geven omtrent het vermogensverloop van erflaatster over de jaren 1999 tot 2004. Cliënt is echter niet in staat noch verplicht hierover duidelijkheid te verschaffen.

Erflaatster heeft een volmacht aan cliënt gegeven voor haar bankrekeningen. Cliënt heeft hier echter nimmer gebruik van gemaakt. Erflaatster beschikte zelf over haar vermogen en regelde zelf haar bankzaken. Zij betrok cliënt niet bij haar beslissingen. (…)

Erflaatster heeft de laatste jaren op haar vermogen moeten interen vanwege het feit dat de kosten van het bejaardenhuis hoger waren dan haar eenvoudige inkomen kon dragen. Tevens is bekend dat erflaatster graag goede doelen steunde en geld gaf aan de kerk en zending. Ook uw cliënte is hiervan op de hoogte. (…)”.

2.9. In een brief van de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiseres] van 26 februari 2008 staat:

“(…) op uw verzoek zal ik namens cliënt hieronder een toelichting geven omtrent de bedragen die door erflaatster op zijn rekening zijn gestort.

Zoals al eerder aangegeven heeft erflaatster het grootste gedeelte van haar vermogen weggegeven aan goede doelen. Het betrof met name zendingswerk. Erflaatster werd dan ook vaak benaderd door Stichtingen, met het verzoek om een schenking te doen. Hier werd dan een acceptgirokaart bijgevoegd. Op de acceptgirokaarten werd telkenmale abusievelijk het adres van cliënt vermeld. Hierdoor was het voor erflaatster niet mogelijk een acceptgirokaart te gebruiken. Na overleg met de bank werd besloten dat erflaatster het geld op de rekening van cliënt zou overmaken, waarna hij het per ommegaande op rekening van het goede doel stortte. Erflaatster gaf hierbij de acceptgirokaart aan cliënt, zodat hij wist op welke rekening hij het bedrag moest storten. Cliënt gaf het stortingsbewijs vervolgens af aan erflaatster, zodat voor haar was te controleren dat cliënt het geld daadwerkelijk had gestort.

(…)

Als voorbeeld treft u bijgevoegd tevens aan een kopie van een bankafschrift van cliënt, waaruit blijkt dat het overgemaakte bedrag per direct door cliënt werden opgenomen, om vervolgens gestort te worden op de rekening van het goede doel. (…)”.

2.10. In reactie op de brief van 26 februari 2008 heeft de gemachtigde van [eiseres] in een brief van 26 maart 2008 het volgende bericht:

“(…) Uit de kopie van het rekeningafschrift van uw cliënt blijkt weliswaar dat er een bedrag van fl. 5.100,- door hem ontvangen is van erflaatster en dat dit bedrag via aan kasopname in contanten is opgenomen. Er is echter geen document bijgevoegd waaruit blijkt dat dit bedrag vervolgens is doorgestort op de rekening van het betreffende goede doel. (…)

Namens cliënte verzoek ik uw cliënt dan ook om elke betaling aan het goede doel vanaf het jaar 1999, een kopie van het betreffende bankafschrift van uw cliënt of stortingsbewijs te sturen. Hierbij moet het dan uiteraard ook duidelijk zijn op welke rekeningnummer en aan welk goed doel, het geld is doorgestort.

Tevens ontvang ik graag een verklaring van de omschrijving ‘ Gr(oene) Land (x kwartaal)’ bij overschrijvingen van erflaatster naar uw cliënt. (…)”.

2.11. In een brief van de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiseres] van 29 april 2008 staat:

“(…) Cliënt kan helaas niet tegemoet komen aan uw verzoek om van elke betaling aan de goede doelen een bewijsstuk te overleggen in de vorm van een stortingsbewijs of een bankafschrift. De bedragen zijn steeds daags na de overschrijvingen door erflaatster contant opgenomen van de rekening van cliënt (hiervan kan cliënt indien gewenst kopieën van bankafschriften laten zien). Vervolgens zijn de bedragen nog diezelfde dag contant doorgestort naar de rekening van het goede doel. Cliënt heeft de stortingsbewijzen steeds ingeleverd bij erflaatster. Op deze manier was voor erflaatster te controleren dat de door haar gewenste schenking inderdaad had plaatsgevonden. De stortingsbewijzen zijn na haar overlijden niet aangetroffen bij haar spullen.

Wat betreft de omschrijving: Gr Land (x kwartaal) kan cliënt duidelijk zijn: hij weet niet wat erflaatster hiermee bedoelde. Wel is het zo dat veel goede doelen te maken hadden met het Grote Land (zending e.d.).

Cliënt heeft een lijst gemaakt van alle goede doelen die hij zich kan herinneren waar erflaatster schenkingen aan heeft gedaan. Bijgevoegd treft u deze aan. Het staat uw cliënte uiteraard vrij deze goede doelen te benaderen om de schenkingen in te korten. (…)”.

Op de lijst die bij de brief van 29 april 2008 is gevoegd, zijn 45 Nederlandse goede doelen genoemd. Verder staat op de lijst: “Ook gaf zij een aantal keren per jaar gelden aan de kerk. Verder steunde zij mensen van de kerk die werden uitgezonden naar het buitenland.”

2.12. In een brief van 23 mei 2008 heeft de gemachtigde van [eiseres] een aantal vragen gesteld. Één van die vragen was: “Als erflaatster zelf haar bankzaken en administratie regelde, zoals u stelt in uw brief van 22 november 2007, hoe komen de betreffende goede doelen dan aan het adres van uw cliënt?”. De gemachtigde van [gedaagde] heeft het door [gedaagde] zelf geformuleerde antwoord op deze vraag als volgt weergegeven in een brief van 30 mei 2008: “Administratie: Door tijdelijke ziekte (voor 1999) van onze moeder is de administratie tijdelijk door ondergetekende geregeld. Wellicht is mijn adres in bepaalde administraties terecht gekomen, anders zou ik hiervoor geen verklaring hebben.”

2.13. Uit de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 blijkt niet van grote giften aan goede doelen.

2.14. In een brief van de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiseres] van 16 oktober 2008 staat:

“(…) Cliënt heeft in 2001 geïnformeerd naar de mogelijkheid om de giften af te trekken. Zoals aangegeven betrof het met name giften aan zendingswerk. De verzoeken hiervoor ontving moeder vaak via de kerk. Het ging daarbij om buitenlandse stichtingen. De giften aan deze instellingenwaren waren niet aftrekbaar voor de belasting omdat zij niet voldeden aan de eisen die de Belastingdienst destijds stelde. In de toegezonden belastingaangiftes ziet u hiervan dus ook niets terug. (…)”.

2.15. In de periode van 1999 tot en met 2004 is - door middel van verschillende overboekingen - een bedrag van in totaal € 48.768,25 overgemaakt van de spaarrekening en de betaalrekening van de moeder naar de bankrekening van [gedaagde]. Veel van de betalingen gingen eerst van de spaarrekening van de moeder naar de betaalrekening van de moeder en vervolgens van de betaalrekening van de moeder naar de bankrekening van [gedaagde].

2.16. In de periode van 1999 tot en met oktober 2000 is daarnaast een bedrag van in totaal € 35.279,60 van de spaarrekening van de moeder overgemaakt naar de betaalrekening van de moeder.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres] te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting: een bedrag van € 24.384,13 – terzake van ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag waarop [gedaagde] in verzuim was;

2. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee weken van het vonnis aan [eiseres] inzage te geven in de administratie van de moeder vanaf 1997, het moment van de verkoop van de woning, tot aan het overlijden;

3. [gedaagde] zal veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot door de moeder aan derden gedane giften of schenkingen;

4. indien en voor zover uit de inzage en de rekening en verantwoording volgt dat nog een bedrag in de nalatenschap is overgebleven, [gedaagde] zal bevelen over te gaan tot verdeling van de nalatenschap;

5. [gedaagde] zal bevelen tot betaling van een bedrag van € 1.158,-- terzake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2009;

en,

6. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis en eveneens vermeerderd met nakosten voor een bedrag van € 131,-- dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,--.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

[gedaagde] heeft toegelicht dat de moeder op haar vermogen heef moeten interen omdat de kosten van het bejaardenhuis hoger waren dan haar eenvoudige inkomen kon dragen. Deze toelichting heeft bij [eiseres] argwaan gewekt, omdat de vermogenstoets in het kader van de opname in verzorgingshuizen begin 1997 is afgeschaft, terwijl de moeder haar huis in september 1997 heeft verkocht. Bij de omschrijving van overboekingen van de moeder naar [gedaagde] is steeds “Het Gr(oene) Land” vermeld, het zorgkantoor dat de zorgkosten inde. De verklaring die [gedaagde] geeft voor de verschillende overboekingen naar zijn bankrekening is ongeloofwaardig. De moeder had gewoon de acceptgiro’s kunnen gebruiken. Het is merkwaardig dat de moeder acceptgiro’s aan [gedaagde] zou hebben gegeven, terwijl op die acceptgiro’s het adres van [gedaagde] zou staan. Voor overboekingen van grote bedragen aan goede doelen is geen enkel bewijs overgelegd. Aan afschriften van bankrekeningen van de moeder is te zien dat zij giraal kleine bedragen aan goede doelen heeft overgemaakt, in de orde van grootte van € 50,-- en heel soms € 100,--. [gedaagde] zegt wel dat de moeder geld heeft overgemaakt naar buitenlandse goede doelen, maar in de lijst bij de brief van 29 april 2008 zijn alleen Nederlandse goede doelen genoemd. Wat betreft het bedrag van € 48.768,25 geldt dat [gedaagde] zich jarenlang ten laste van de moeder heeft verrijkt. Na het overlijden van de moeder heeft dat een directe weerslag gehad op de omvang van de nalatenschap. Omdat de betalingsverplichting voortvloeit uit onrechtmatige daad is voor verzuim geen ingebrekestelling vereist. Wat betreft het “verdwenen” bedrag van € 35.279,60 moet [gedaagde] [eiseres] op de voet van artikel 4:16 lid 4 BW informeren over de bestemming van dat geld en inzage geven in alle daaraan ten grondslag liggende gegevens.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank zich bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, absoluut onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de vorderingen onder 2 tot en met 4, dan wel [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen, subsidiair de vorderingen zal toewijzen zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiseres] zekerheid stelt tot een bedrag van € 24.384,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop [gedaagde] in verzuim zou zijn, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening.

4.2. [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

[gedaagde] heeft zijn moeder bij de administratie ondersteund, waarbij de moeder altijd de regie had. Zij was degene die besloot of betalingen werden gedaan en zij was degene die betalingsopdrachten ondertekende. De moeder was een bijzonder vrijgevige vrouw die grote bedragen wenste te schenken aan diverse goede doelen van met name protestants-christelijke grondslag. Toen de moeder in 1999 enige tijd in het ziekenhuis moest verblijven, is het adres van [gedaagde] opgevoerd als correspondentieadres voor de zorgverzekeraar en het zorgkantoor. Waarschijnlijk hebben ook andere instanties om die reden het adres van [gedaagde] als het adres van de moeder gezien. Een voorbeeld is een brief van de Leprastichting van 16 januari 2008 met bijgevoegde acceptgiro, waarop de naam van de moeder en het adres van [gedaagde] zijn afgedrukt. Na ontvangst van dergelijke brieven besprak [gedaagde] de betreffende brief met de moeder, die vervolgens besliste hoeveel geld zij aan de betreffende organisatie gaf. De moeder maakte vervolgens geld over van haar spaarrekening naar haar betaalrekening en boekte dat geld daarna weer over naar de rekening van [gedaagde]. [gedaagde] nam dat geld dan contant op en stortte dat op de rekening van het goede doel. [gedaagde] heeft nooit gebruik gemaakt van de machtiging en wist zelfs niet dat hij die had. [gedaagde] heeft alles gedaan dat in zijn macht lag om [eiseres] de informatie te geven waar zij om heeft gevraagd. Om verschillende redenen is niet aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking voldaan. [gedaagde] is nooit verrijkt omdat hij steeds ontvangen bedragen onmiddellijk heeft opgenomen en gestort op de rekening van het goede doel. Van verarming is geen sprake omdat hooguit de moeder is verarmd. Doordat [eiseres] altijd de administratie op de kamer van de moeder had kunnen raadplegen is sprake van een hoge mate van eigen schuld. Zij had veel eerder aan de bel moeten trekken. Eventuele schadevergoeding moet bovendien worden gematigd. Wat betreft de vorderingen onder 2 tot en met 4 geldt dat de rechtbank (sector Civiel) absoluut onbevoegd is, omdat de kantonrechter op grond van artikel 672 Rv de rechter is bij wie dergelijke vorderingen moeten worden aanhangig gemaakt. Nu alle bankafschriften al bekend zijn en [gedaagde] niet meer administratie heeft dan hij heeft overgelegd, heeft [eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan ten aanzien van het overleggen van de administratie. Ook rekening en verantwoording hoeft dan niet meer te worden afgelegd. De vordering tot verdeling moet worden afgewezen omdat dit geen verplichting is die alleen op [gedaagde] rust maar op de erfgenamen gezamenlijk. Bovendien is er niet meer vermogen dan thans bekend is.

5. De beoordeling

Overboekingen van in totaal € 48.768,25

5.1. Partijen zijn het erover eens dat een bedrag van minstens in totaal € 48.768,25 is overgemaakt vanaf de betaalrekening (en ook de spaarrekening) van de moeder naar de bankrekening van [gedaagde].

5.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] voor de verschillende overboekingen geen bevredigende verklaring heeft gegeven. [gedaagde] voert aan dat hij alle bedragen die hij van zijn moeder heeft ontvangen naar goede doelen heeft overgemaakt. Hierover wordt als volgt overwogen.

5.3. Voorafgaand aan de procedure heeft [eiseres] [gedaagde] gevraagd hoe kan worden verklaard dat het vermogen van de moeder van 1999 tot en met 2004 zo sterk is afgenomen. In de brieven van 1 juli 2007 en 22 november 2007 geeft (de gemachtigde van) [gedaagde] als belangrijkste reden dat de moeder op haar vermogen heeft moeten interen vanwege hoge zorgkosten. [gedaagde] heeft evenwel niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat de kosten van het bejaardenhuis niet kunnen verklaren dat begin 1999 nog een bedrag van € 88.364,05 op de bankrekening stond en eind 2004 nog maar een bedrag van € 3.452,88, waarbij [eiseres] erop heeft gewezen dat de vermogenstoets voor verzorgingshuizen al begin 1997 was afgeschaft. Ter comparitie heeft [gedaagde] hierover verklaard:

“U vraagt mij waarom ik in mijn brief aan mijn zus van 1 juli 2007 hoge zorgkosten als verklaring geef voor het verdwijnen van vermogen en niets over de giften aan goede doelen heb gemeld. Wellicht dat ik dat niet heb gedaan omdat ik antwoord heb gegeven op een brief van het notariskantoor. ”

De rechtbank concludeert uit dit alles dat [gedaagde] voor de afname van het vermogen van de moeder een onbevredigende verklaring heeft gegeven door alleen op de zorgkosten te wijzen. Uit de brief van 1 juli 2007 is immers op te maken dat de gemachtigde van [eiseres]

- die aan een notariskantoor was verbonden - heeft gevraagd om inzage in de administratie van de moeder tegen de achtergrond dat onvoldoende op de bankrekeningen van de moeder stond om alle begrafeniskosten van te betalen.

5.4. In het kader van de procedure geeft [gedaagde] een andere verklaring. Hij voert aan dat zijn moeder een bijzonder vrijgevige vrouw was die geld gaf aan goede doelen op protestants-christelijke grondslag. Toen de moeder in 1999 enige tijd in het ziekenhuis moest verblijven, is het adres van [gedaagde] - aldus [gedaagde] - opgevoerd als correspondentieadres voor de zorgverzekeraar en het zorgkantoor. Volgens [gedaagde] hebben waarschijnlijk ook andere instanties om die reden het adres van [gedaagde] als het adres van de moeder gezien. [gedaagde] noemt als voorbeeld een brief van de Leprastichting van 16 januari 2008 met bijgevoegde acceptgiro, waarop de naam van de moeder en het adres van [gedaagde] zijn afgedrukt. Na ontvangst van dergelijke brieven besprak [gedaagde] naar eigen zeggen de betreffende brief met de moeder, die vervolgens besliste hoeveel geld zij aan de betreffende organisatie gaf. De moeder maakte vervolgens geld over van haar spaarrekening naar haar betaalrekening en boekte dat geld daarna weer over naar de rekening van [gedaagde]. [gedaagde] nam dat geld dan contant op en stortte dat naar eigen zeggen op de rekening van het goede doel.

5.5. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard: “Aan welke goede doelen mijn moeder geld heeft gegeven, weet ik niet meer. Het ging om allemaal buitenlandse goede doelen.” Deze verklaring roept vragen op. De gemachtigde van [gedaagde] schrijft in de brief van

29 april 2008 (zie hiervoor onder 2.11) immers: “Cliënt heeft een lijst gemaakt van alle goede doelen die hij zich kan herinneren waar erflaatster schenkingen aan heeft gedaan.”, terwijl op die lijst 45 Nederlandse goede doelen genoemd en niet (expliciet) naar buitenlandse goede doelen is verwezen.

5.6. Verder is opvallend dat uit de als productie 16 door [eiseres] overgelegde afschriften van de betaalrekening van de moeder blijkt dat de moeder geregeld relatief kleine en ronde bedragen overmaakte naar Nederlandse goede doelen. Bij voorbeeld:

- € 25,-- aan het Koningin Wilhelmina Fonds ( 15 februari 2001)

- € 25,-- aan de Nederlandse Hartstichting ( 15 februari 2001)

- € 500,-- aan de Nederlands Hervormde Kerkvoogdij (13 februari 2001)

- € 15,-- aan de Vereniging Het Zonnehuis (3 mei 2001)

- € 15,-- aan “Herv. Bond Inw. Zending” (19 december 2001)

- € 25,-- aan Hulp Oost Europa (24 september 2002)

- € 25,-- aan “Herv. Bond Inw. Zending” (16 oktober 2002)

- € 25,-- aan “Herv. Bond Inw. Zending” (15 oktober 2003)

- € 150,-- aan de Nederlands Hervormde Kerkvoogdij (15 oktober 2003)

5.7. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de moeder in de periode van 2001 tot en met 2006 giraal een bedrag van in totaal € 692,38 heeft overgemaakt aan Nederlandse goede doelen. De verschillende betalingen aan Nederlandse goede doelen betreffen aanzienlijk lagere bedragen dan de bedragen die volgens [gedaagde] via hem aan buitenlandse goede doelen zijn betaald. Bij betalingen die volgens [gedaagde] aan buitenlandse goede doelen zijn betaald, gaat het om bedragen als:

- € 1.860,50 (14 februari 2002)

- € 1.920,00 (28 maart 2002)

- € 1.700,00 (3 december 2002)

5.8. Indien hetgeen [gedaagde] stelt juist is, dan had het op zijn weg gelegen stukken te bewaren aan de hand waarvan hij kan bewijzen dat hij metterdaad bedragen, die de moeder ten behoeve van goede doelen op zijn rekening heeft gestort, heeft gestort op de bankrekeningen van buitenlandse doelen. Dat had [gedaagde] moeten doen gezien de ongebruikelijke manier van betalen en de - mede tegen de achtergrond van de bedragen die de moeder zelf aan Nederlandse goede doelen heeft betaald - ongebruikelijke hoogte van de bedragen die aan buitenlandse goede doelen zouden zijn betaald. Ter comparitie heeft [gedaagde] over dergelijke stukken verklaard:

“U vraagt mij of ik nog kan bewijzen dat ik met contant geld heb gestort op rekeningen van buitenlandse goede doelen. Dat is niet het geval. Wanneer je geld stort, krijg je een strook als bewijs. Deze stroken verdwenen in een kist op de kamer van mijn moeder. De stroken zijn enige tijd bewaard. Mijn moeder was niet dol op belastingen. Toen bleek dat giften aan buitenlandse goede doelen niet van de belastingen kunnen worden afgetrokken, heeft mijn moeder de stroken weggegooid.”

Volgens deze verklaring heeft [gedaagde] wel over bewijsmiddelen beschikt, maar heeft hij die niet ten behoeve van zijn eigen administratie bewaard.

5.9. Opvallend is verder dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat zijn moeder “niet dol was op belastingen”. De bedragen die de moeder aantoonbaar zelf heeft gestort ten behoeve van Nederlandse goede doelen zijn - zoals eerder overwogen - echter aanzienlijk lager dan de bedragen die [gedaagde] naar eigen zeggen namens zijn moeder op rekeningen van buitenlandse goede doelen heeft gestort. Dat is merkwaardig omdat giften aan Nederlandse goede doelen - volgens [gedaagde] zelf - wel aftrekbaar zijn en giften aan buitenlandse goede doelen niet. Het is - zeker tegen die achtergrond - niet met elkaar te rijmen dat de moeder enerzijds niet graag belasting betaalde en anderzijds aanzienlijk hogere bedragen gaf aan goede doelen die niet aftrekbaar waren in plaats van aan goede doelen die wel aftrekbaar waren.

5.10. Wat ook in het oog springt, is de wonderlijke manier om geld over te maken aan buitenlandse goede doelen die [gedaagde] naar eigen zeggen heeft gehanteerd op advies van de bank. Hierover heeft [gedaagde] ter comparitie verklaard:

“Op advies van de Rabobank is het zo gegaan dat mijn moeder geld overmaakte naar mijn bankrekening, dat ik dat geld contant opnam en dat ik dat geld vervolgens weer stortte op de bankrekening van het betreffende goede doel. U vraagt mij of dit niet een omslachtige manier van werken is. Ook vraagt u mij of het niet logischer was dat ofwel mijn moeder direct geld liet overschrijven naar het goede doel ofwel ik vanaf mijn bankrekening naar het goede doel geld liet overmaken. Het opnemen en storten was eigenlijk niet zo omslachtig, omdat het postkantoor vlak bij mijn huis is. Mijn moeder en ik hebben voor deze werkwijze gekozen op advies van de Rabobank en die werkwijze hebben wij jarenlang volgehouden. U vraagt of ik mijn moeder er mee had kunnen helpen om geld direct naar goede doelen over te maken. Dat had ik inderdaad wel gekund.”

5.11. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat een bank heeft geadviseerd eerst geld over te laten maken door de moeder aan [gedaagde], waarna [gedaagde] vervolgens het geld contant opneemt en weer stort op de rekening van het buitenlandse goede doel. [gedaagde] heeft niet kunnen uitleggen waarom het niet logischer was dat ofwel de moeder direct geld liet overschrijven naar het goede doel ofwel [gedaagde] vanaf zijn bankrekening naar het goede doel geld liet overmaken, wat het voor [gedaagde] aanzienlijk makkelijker zou maken om aan te tonen dat het geld ook echt bij buitenlandse goede doelen is terechtgekomen.

5.12. Wat evenmin bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de stellingen van [gedaagde] is dat bij verschillende overboekingen van de rekening van de moeder aan de rekening van [gedaagde] “Gr Land” staat vermeld, terwijl die overboekingen volgens [gedaagde] voor goede doelen waren bestemd. Ter comparitie heeft [gedaagde] hierover verklaard:

“U vraagt mij naar de betekenis van de woorden: “GR Land” die op verschillende afschrijvingen is te zien. Ik heb geen idee. Mijn moeder was heel gelovig. Wellicht dat zij verwees naar Het Grote Land. U houdt mij voor dat de woorden “GR Land” makkelijk kunnen worden verward met het Groene Land, waar mijn moeder regelmatig geld naar heeft overgemaakt omdat dit haar verzekeraar was. Hierop heb ik geen antwoord. Het was een toevoeging van mijn moeder en niet van mij.”

5.13. Indien de aanzienlijke bedragen die [gedaagde] naar eigen zeggen contant op een rekening heeft gestort verband hielden met een instantie met de naam “Het Grote Land”, dan valt niet in te zien waarom [gedaagde] niet concreter kan zijn in het buitenlandse goede doel dat hiermee is gemoeid. Toevoegingen als “afr. 1e half jaar 01” en “4e kw 01” wijzen juist in de richting dat de overboekingen niets met goede doelen te maken hebben maar met kosten die verzekeraar Groene Land Achmea in rekening heeft gebracht, wat weer aansluit bij de aanvankelijke verklaring van [gedaagde] dat de moeder hoge zorgkosten moest betalen. Opvallend is voorts dat de gemachtigde van [gedaagde] in de brief van 29 april 2008 schrijft:

“Cliënt heeft een lijst gemaakt van alle goede doelen die hij zich kan herinneren waar erflaatster schenkingen aan heeft gedaan. Bijgevoegd treft u deze aan. Het staat uw cliënte uiteraard vrij deze goede doelen te benaderen om de schenkingen in te korten.”

Als eerder overwogen, zijn in de lijst alleen Nederlandse goede doelen genoemd. Geen enkel goed doel dat is genoemd in de lijst verwijst naar iets als “Het Grote Land”.

5.14. Hetgeen [gedaagde] aanvoert over de acceptgiro’s doet evenzeer afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn stellingen:

5.15. Zo schrijft de gemachtigde van [gedaagde] in de brief van 26 februari 2008:

“Erflaatster werd dan ook vaak benaderd door Stichtingen, met het verzoek om een schenking te doen. Hier werd dan een acceptgirokaart bijgevoegd. Op de acceptgirokaarten werd telkenmale abusievelijk het adres van cliënt vermeld. Hierdoor was het voor erflaatster niet mogelijk een acceptgirokaart te gebruiken.”

In de brief van 23 mei 2008 (zie hiervoor onder 2.12) schrijft de gemachtigde van [gedaagde]:

“Administratie: Door tijdelijke ziekte (voor 1999) van onze moeder is de administratie tijdelijk door ondergetekende geregeld. Wellicht is mijn adres in bepaalde administraties terecht gekomen, anders zou ik hiervoor geen verklaring hebben.”

Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard: “Op acceptgiro’s van goede doelen stond de naam van mijn moeder en mijn adres. Een tijd lang wilde de bank wel via deze acceptgiro’s geld overmaken, maar op een gegeven moment niet meer.”

5.16. [gedaagde] heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat de moeder acceptgirokaarten waarop een verkeerd adres is vermeld zonder problemen konden worden gebruikt. Gesteld noch gebleken is dat banken bij de verwerking van acceptgirokaarten ook het adres van de betaler plegen te controleren.

5.17. Verder valt - zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt - niet in te zien dat alle buitenlandse goede doelen op acceptgiro’s die voor de moeder waren bestemd ten onrechte het adres van [gedaagde] zouden hebben vermeld. Dat het adres van [gedaagde] vanaf 1999 diende als correspondentieadres voor het zorgkantoor en de zorgverzekeraar is daartoe onvoldoende. Ook het door [gedaagde] genoemde voorbeeld van de brief van de Leprastichting van 16 januari 2008 - dus na het overlijden van de moeder - kan dat niet verduidelijken. De gemachtigde van [gedaagde] stelt in de brief van 16 oktober 2008 (zie hiervoor onder 2.14) dat de moeder verzoeken om giften aan zendingswerk via de kerk ontving. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de kerk door het aan het zorgkantoor en de zorgverzekeraar opgegeven correspondentieadres op het verkeerde been is gezet. Bovendien valt op dat het systeem van overschrijven, opnemen en contant storten volgens [gedaagde] alleen bij buitenlandse goede doelen is toegepast, terwijl Leprastichting een Nederlands goed doel is.

5.18. De tussenconclusie van het vorenstaande luidt dat [gedaagde] een ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven voor de overboekingen naar zijn rekening van in totaal € 48.768,25.

Ongerechtvaardigde verrijking

5.19. Als verweer tegen de vordering tot betaling van € 24.384,13 op grond van ongerechtvaardigde verrijking heeft [gedaagde] - ondermeer - aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste dat [eiseres] is verarmd. Dit verweer slaagt.

5.20. De vraag of sprake is van een verplichting tot schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet worden beoordeeld naar het moment dat het vermogen van de verrijkte ten koste van de benadeelde is verrijkt. Zie TM, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 381.

5.21. [eiseres] heeft een aantal overboekingen van geld van de bankrekening van de moeder naar de bankrekening van [gedaagde] aan haar vordering ten grondslag gelegd. Deze overboekingen dateren allemaal van voor het overlijden van de moeder. Op dat moment was van verarming van [eiseres] geen sprake maar was sprake van verarming van de moeder. Voor zover [eiseres] betoogt dat zij via haar moeder is verarmd, in die zin dat zij als erfgenaam uiteindelijk minder heeft geërfd, gaat dat betoog niet op omdat ten tijde van de overboekingen van (indirecte) verarming van [eiseres] geen sprake was.

Onrechtmatige daad

5.22. [eiseres] baseert haar vordering onder 1 blijkens positum 23 van de inleidende dagvaarding mede op onrechtmatige daad. Hierover wordt als volgt overwogen.

5.23. Het niet behoorlijk verantwoording kunnen afleggen over de bestemming van het op zijn rekening gestorte bedrag van € 48.768,25, terwijl dit bedrag naar eigen zeggen van [gedaagde] naar bankrekeningen van goede doelen is overgemaakt, levert een onrechtmatige daad op van [gedaagde] jegens [eiseres]. Nu de moeder in de betreffende periode in een verzorgingstehuis woonde en al in de tachtig was, heeft [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] anders gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen nadeel toe te brengen aan het belang van [eiseres] om na het overlijden van de moeder haar deel in de nalatenschap te erven. [gedaagde] had op dit belang van [eiseres] bedacht moeten zijn. Gelet op dit alles heeft [gedaagde] jegens [eiseres] gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Vergelijk HR 8 december 1995, NJ 1996, 274, rov. 3.5 en HR 30 september 1994, NJ 1996, 196.

5.24. [gedaagde] voert aan dat sprake is van eigen schuld en verwijst in dat verband naar het bepaalde in artikel 6:101 BW. Op grond van het bepaalde in dit artikel wordt de verplichting tot schadevergoeding verminderd wanneer de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. [gedaagde] meent dat [eiseres] veel eerder aan de bel had moeten trekken en nader onderzoek had moeten instellen. Dit verweer gaat niet op. [eiseres] mocht er immers van uit gaan dat [gedaagde] zich niet onrechtmatig tegenover haar zou gedragen, zodat van eigen schuld geen sprake is.

5.25. Partijen zijn het erover eens dat zij voor ieder de helft aanspraak hebben op de nalatenschap van de moeder. De vordering onder 1 zal daarom worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] zal worden veroordeeld een bedrag van € 24.384,13 (de helft van € 48.768,25) te betalen aan [eiseres]. De rechtbank ziet geen aanleiding de verplichting tot schadevergoeding te matigen op de voet van artikel 6:109 lid 1 BW

5.26. De in het kader van de vordering onder 1 gevorderde wettelijke rente zal gedeeltelijk worden toegewezen. [eiseres] stelt terecht dat verzuim op grond van het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en sub b BW zonder ingebrekestelling intreedt. Voor het overige heeft [gedaagde] tegen deze nevenvordering geen verweer gevoerd. Het gaat echter te ver de wettelijke rente toe te wijzen vanaf de data dat de verschillende overboekingen naar de rekening van [gedaagde] zijn gedaan. De schade is immers pas ontstaan op het moment dat [eiseres] in redelijkheid recht had op haar deel van de nalatenschap. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 24 september 2006, een half jaar na het overlijden van de moeder.

Inzage in administratie moeder en rekening en verantwoording

5.27. [eiseres] vordert voorts dat [gedaagde] haar inzage geeft in de administratie van de moeder vanaf 1997 tot aan het overlijden en dat [gedaagde] rekening en verantwoording aflegt over de door de moeder aan derden gedane giften of schenkingen. Uit positum 24 van de inleidende dagvaarding maakt de rechtbank op dat deze vorderingen betrekking hebben op het volgens [eiseres] “verdwenen” bedrag van € 35.279,60. In positum 21 van de inleidende dagvaarding stelt [eiseres] dat voor dit bedrag van in totaal € 35.279,60 in de periode van 1999 tot en met oktober 2000 overboekingen zijn gedaan vanaf de spaarrekening naar de betaalrekening van de moeder.

5.28. [gedaagde] voert aan dat op grond van het bepaalde in artikel 672 lid 1 Rv alleen de kantonrechter bevoegd is ten aanzien van de vorderingen tot inzage en tot rekening en verantwoording. Dit verweer faalt. [eiseres] vordert immers niet dat een notaris een boedelbeschrijving opmaakt bij notariële akte, zodat niet aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling is voldaan.

5.29. Wat betreft het “verdwenen” bedrag van € 35.279,60 stelt de rechtbank voorop dat - anders dan het geval is bij het bedrag van € 48.768,25 - onvoldoende is onderbouwd dat dit bedrag geheel of gedeeltelijk in het vermogen van [gedaagde] is gevloeid. Ten aanzien van het bedrag van € 35.279,60 kan dus niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] verplicht was een administratie bij te houden aan de hand waarvan hij kan verantwoorden waaraan dit bedrag is besteed. [eiseres] heeft bovendien niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat [gedaagde] over meer of andere stukken beschikt dan de stukken die [eiseres] enerzijds zelf heeft opgevraagd en anderzijds al door [gedaagde] aan haar zijn toegezonden. Uit de stellingen van [eiseres] volgt verder dat het haar niet is gelukt de door haar gewenste informatie te verkrijgen van derden, terwijl het gaat om stukken die meer dan acht jaren oud zijn. Het niet beschikken over stukken door [gedaagde] kan onder deze omstandigheden geen rechtsgevolgen hebben. De vordering onder 2 zal daarom worden afgewezen.

5.30. Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan slechts worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een dergelijke rechtsverhouding kan voortvloeien uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zie HR 8 december 1995, NJ 1996, 274. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde] waar nodig financiële en administratieve zaken voor de moeder deed, maar [gedaagde] heeft dat weersproken, stellende dat de moeder zelf de regie voerde over de administratie en haar uitgavenpatroon. Gezien deze betwisting had het op de weg van [eiseres] gelegen haar stelling nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] ten aanzien van het vermogen van de moeder geen vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd. De vordering onder 3 zal daarom worden afgewezen.

Verdeling

5.31. De vordering tot verdeling is voorwaardelijk ingesteld, in die zin dat [eiseres] alleen verdeling vordert indien en voor zover uit de tevens gevorderde inzage in de administratie van de moeder en rekening en verantwoording volgt dat nog een bedrag in de nalatenschap is overgebleven. Nu deze vorderingen zullen worden afgewezen, is niet aan de voorwaarde voldaan.

Buitengerechtelijke kosten

5.32. [eiseres] vordert een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden blijkt dit niet en kan dit niet zonder meer worden afgeleid. De vordering onder 5 zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.33. Hoewel partijen broer en zus zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de broer als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,98

- vast recht € 560,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.803,98

5.34. De gevorderde nakosten zijn, op de voet van het arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 28 januari 2003, LJN: AF3460, voor toewijzing vatbaar als na te melden.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.35. [gedaagde] heeft betoogd dat aan een eventueel toewijzend vonnis uitvoerbaarheid bij voorraad moet worden onthouden dan wel dat aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde moet worden verbonden dat [eiseres] zekerheid stelt. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [gedaagde] op het grote financiële belang en zijn moeizame financiële positie gewezen.

5.36. Als uitgangspunt geldt dat, zolang niet van het tegendeel blijkt, degene die uitvoerbaarverklaring bij voorraad verlangt van een op zijn initiatief uitgesproken veroordeling tot betaling van een geldsom, het vereiste belang bij zodanige verklaring heeft, terwijl mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie op zichzelf niet aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg staan. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van [eiseres] bij uitvoerbaarheid bij voorraad aldus zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist. Nu bovendien een restitutierisico niet is gesteld en evenmin is gebleken en het niet zo is dat de gevolgen van executie moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zonder daaraan de voorwaarde te verbinden dat [eiseres] zekerheid stelt.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 24.384,13 (vierentwintig duizenddriehonderdvierentachtig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 24 september 2006 tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.803,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, tevens te vermeerderen met de nakosten aan de zijde van [eiseres] begroot op een bedrag van € 131,00 ter zake van salaris van de advocaat en voorwaardelijk, voor het geval [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan de in dit vonnis uitgesproken veroordeling voldoet en indien betekening plaatsvindt en noodzakelijk is, in de kosten van betekening, tot op heden begroot op € 68,00 voor salaris van de advocaat.

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.